Mastodon designing futures where nothing will occur

zondag 12 maart 2017

New York 2140

Even in the world-historical disaster that was first contact between the New World and the Old, even in a time of horrific, unthinkable mass death, we can still find seeds for the utopia that might have been founded then instead. Every moment has those seeds, Benjamin said; ours does too. In this way, New York 2140 truly is a document of hope as much as dread and despair. And it's a hope we'll dearly need in the Anthropocene, the Anthropocide, the Capitalocene, the Chthulucene, postnormality, whatever you want to call the coming bad years that, with each flood and drought and wildfire and "superstorm," we have to realize have already begun — our own shared moment of danger, as it now begins to wash up over our beaches, breach our levees, flash up at us in an ever-rising tide.
De conclusie uit de lekker lange recensie van Kim Stanley Robinsons nieuwste boek New York 2140 in Los Angeles Review of Books. Ik kan die man overigens niet bijhouden, loop zeker vier boeken achter. Zo lijkt het nog maar kort geleden dat hij die roman publiceerde over de problemen rond lange ruimtereizen. Het idee van een overstroomd New York leek me in eerste instantie een sciencefictioncliché, maar zo te zien heeft Robinson er weer wat zijn eigen draai aan gegeven. Zoveel boeken, zo weinig tijd.

vrijdag 24 februari 2017

Introductie Kritische massa

Het is ongeveer een jaar geleden dat Kritische massa werd uitgegeven. De laatste tijd zie ik links langskomen naar artikelen over het al dan niet overlijden van rockmuziek of het gebrek aan goede popkritiek. En ik moet toegeven dat ik moeilijk een interessante kritiek of recensie kan herinneren die recentelijk is verschenen, buiten een meesterlijke microrecensie van de laatste Metallica door Klaas Knooihuizen en de unieke associatieve essays van Ian Penman voor London Review of Books (maar opvallend, altijd met als startpunt een boek, nooit de muziek zelf.) Aangezien het 20 jaar geleden is dat Biosphere Substrata uitgaf, was ik nieuwsgierig wat men er sindsdien zoal over had geschreven, waarbij ik eerlijk gezegd veel moois had verwacht voor een album dat rijp is aan betekenis. Dat viel zwaar tegen, zozeer dat ik spijt kreeg dat ik het niet heb meegenomen in Kritische massa. Als je de klassieken niet kent, hoef je ook weinig inzicht te verwachten van muziek die nu verschijnt. Hoe dan ook ik denk dat onderstaande nog steeds geldig is.


An age that has no criticism is either an age in which art is immobile, hieratic, and confined to the reproduction of formal types, or an age that possesses no art at all.
Oscar Wilde – The Critic as Artist

Aan het begin van haar boek Glittering Images (2012) stelt kunsthistorica Camille Paglia dat het moderne leven een zee van beelden is die ons, dankzij overal aanwezige communicatietechnologie, dreigt te overspoelen. Leren om op kalme wijze beelden te duiden, is volgens haar van essentieel belang omdat dat wapent tegen continue afleiding, het grondt de identiteit. Hetzelfde geldt voor muziek. De twintigste eeuw vormde een lang crescendo dat werd gevormd door verschillende technologieën die stemmen, muziek en het geluid van bewegende (machine)delen versterkten en verspreiden. Dankzij popcultuur, film en reclame is muziek permanent aanwezig. Met de opkomst van internet is de intensiteit alleen maar toegenomen. De effecten van deze digitale intensivering beginnen de laatste jaren duidelijke sporen achter te laten in zowel de productie als consumptie van muziek. Een cruciale verschuiving heeft plaatsgevonden van muziek die wordt verspreid door fysieke dragers (vinyl, cassette, cd) naar pure digitale informatie in de vorm van mp3’s en streaming. Deze verschuiving heeft niet alleen gezorgd voor een grotere toegankelijkheid van muziek, het resulteert ook in kwalitatief minderwaardige audio. Daarnaast zijn de inkomsten van artiesten onder druk komen te staan. Als antwoord op deze veranderingen heeft de muziekindustrie zijn verdienmodellen aangepast waardoor het optreden een belangrijkere inkomstenbron is geworden, wat zich vertaalt in hogere entreeprijzen en een wildgroei aan festivals. Op een bepaalde manier vormt dit een onverwachte terugkeer naar de situatie van de jaren veertig van de vorige eeuw waar het optreden voor de muzikant centraal stond. Een positieve interpretatie zou vervolgens concluderen dat hiermee de authentieke muzikant terugkeert ten koste van de artificiële studioproducer en zijn playbackende poppen. Alleen zijn optredens nu veel technologischer en vaak tot in de kleinste details voorgeprogrammeerd. Het verschil met een studio-opname wordt steeds kleiner. Een schadelijker effect is het gebrek aan vernieuwing dat de digitalisering heeft veroorzaakt. Platenmaatschappijen hebben het afgelopen decennium minder geïnvesteerd in nieuwe artiesten en proberen extra inkomsten te genereren met cycli van heruitgaven uit het archief. De geschiedenis oefent een wurgende greep uit op jonge artiesten die geen kans krijgen om rustig een eigen stijl te ontwikkelen.
Tegelijkertijd is het schrijven over muziek veranderd. De eerste jaren van het internet (de tijd van muziekspelers als Winamp en Realplayer) leidden tot innovatieve manieren om over muziek te schrijven die vaak de afstand tussen muzikant, criticus en luisteraar verkleinden. Men startte blogs die vergeten platen en genres deden herleven of ontwikkelde experimentele stijlen die niet door een beperking van het aantal pagina’s of de conventies van het interview werden tegengehouden. Tijdschriften werden opgericht die de nieuwe mogelijkheden van internet verkenden en bijvoorbeeld audio op directe wijze combineerden met tekst en beeld. Die periode van enthousiasme ligt inmiddels achter ons. Een van de redenen voor de teruggang is dat na de eerste verkenning geen brede professionalisering heeft plaatsgevonden. Tekst is overal maar kreeg online nooit de juiste economische waarde toebedeeld. Veel van de vroege initiatieven hebben zich daardoor niet verder weten te ontwikkelen. Om toch inkomsten te genereren is een chaotische tekst ontstaan. Iedereen herkent het wel: de tekst met een clickbait-titel, waar na enkele alinea’s een reclamebanner volgt (die vaak suggereert dat het einde van het artikel al is bereikt) waarna een ingebedde Spotify-playlist of YouTube-video de aandacht definitief verstrooit. Het is een manier van schrijven die aan de lezer geen ruimte laat voor het verzinken in een gedachte, een manier van schrijven die een flikkerende leeservaring oplevert. Die geen respect heeft voor de schrijver en de lezer, van wie men blijkbaar verwacht dat deze een aandachtspanne van een amoebe bezit.
In eerste instantie waren de teksten waaruit Kritische massa is samengesteld, bedoeld als een alternatief voor dit onrustige online lezen: puur tekst zonder onderbrekingen. Wie de muziek wil luisteren, opent Spotify zelf wel in een ander tabblad. In boekvorm kennen we deze onrustige tekst niet, al pik je steeds vaker de klacht op dat de rust niet kan worden gevonden om zoveel te lezen als men ooit deed. Maar er was een tweede reden waarom deze reeks is geschreven: onvrede over de huidige staat van de popkritiek. Kritiek is hier niet bedoeld als synoniem van negativisme, maar als een positieve methode waarmee men op systematische wijze een werk analyseert, een vervolmaking van het kunstwerk door het leggen van connecties met andere kunstwerken en teksten. In dit proces maakt de criticus, met gebruik van eigen inzichten en een persoonlijke stijl, zoiets als een nieuw kunstwerk. Omdat het niet pure fictie is en toch zeer persoonlijk, vormt het traditioneel een werk met een onzekere status. Tegelijkertijd is kritiek gevulgariseerd tot de negatieve recensie, de zoektocht naar fouten. Het is mijn overtuiging dat het schrijven over popmuziek een vorm van kritiek kan zijn waarin het samenspel van muziek en tekst intrigerende ideeën en connecties produceert over allerlei aspecten van het moderne leven. Deze vorm van kritiek is in Nederland vrijwel afwezig. Schrijven over muziek is een soort alternatieve vorm van financiële journalistiek geworden met buitenproportionele aandacht voor de zakenkant van de muziekindustrie die volstrekt oninteressant is voor de buitenstaander en muziekliefhebber. De bovengenoemde verschuiving van inkomsten betekent ook dat er meer dan ooit aandacht wordt besteed aan nieuws rond de legaliteit en inkomsten van streaming naast de programmering van festivals. Onderwerpen die niets wezenlijks toevoegen aan muziek. Wanneer over oude albums wordt geschreven, is dat primair vanuit een commercieel oogpunt: de zoveelste special edition heruitgave of jubileum.
Kritische massa is geschreven tegen het idee van “de aanleiding”, urgentie in marketingtaal. De meeste albums die hier worden geanalyseerd, zijn binnen een half uur voor de platenkast geselecteerd omdat ik de behoefte voelde om er over te schrijven, niet omdat ze exact tien of twintig jaar geleden zijn verschenen. Vaak zijn het onderbelichte platen binnen een oeuvre, albums of artiesten die in het algemeen meer aandacht verdienen of genres waarvoor nog geen bevredigende kritische taal is gevonden. In eerder werk heb ik geopperd dat om de popmuziek en muziekkritiek weer in beweging te krijgen een (tijdelijk) embargo op schrijven over de canon moet worden overwogen. Maar waar legt men dan de grens? Het jaar 1977 heeft mij altijd een van de beste begrenzingen geleken. Punk als Jaar Nul. Ondanks dit streven heb ik het in de onderstaande selectie niet heel streng toegepast, al zijn de twee albums uit 1976 geenszins rockklasiekers. Jezelf ontdoen van een deel van de popgeschiedenis werkt verfrissend. Een gewicht valt van de schouders, er ontstaat zoiets als een persoonlijke, lichtvoetige geschiedenis. Wat niets afdoet aan de waarde van popmuziek uit de jaren vijftig en zestig. In deze periode werden de archetypen van de pop en rock gecreëerd: Elvis de oervader, The Beatles als goedlachse saters, Dylan als profeet, Hendrix als elektrische alchemist, The Doors als dionysische priesters, Brian Wilson als Messias van zon en melodie. De definitieve tekst die dit idee verbeeldt, is het boek Rock Dreams (1974) van Guy Peellaert en Nik Cohn. Na de jaren zestig volgt een periode van verstrooiing en worsteling met de archetypen die grotendeels nog steeds aan de gang is. De periode voor 1977 is ondertussen zo uitgebreid gedocumenteerd door middel van verschillende specialistische tijdschriften waar op de voorkant een kleine selectie canonieke muzikanten rouleert, rockumentary’s, de Top 2000 en nieuwe artiesten die vaak zonder gêne de archetypen kopiëren, dat er geen enkele eer meer aan valt te behalen. Wat overblijft, is een herhaling van zetten.
Kritische massa is vanzelfsprekend geschreven voor de liefhebbers van de individuele platen of artiesten, maar ook voor een jonge generatie schrijvers als bewijs dat het anders kan. De rol van voorproever is voorbij. Tegenwoordig kan iedereen zelf heel efficiënt uitmaken welke muziek bevalt. Algoritmes en sociale netwerken zorgen ervoor dat je muziek direct krijgt toegespeeld waarvan de kans groot is dat deze daadwerkelijk in de smaak zal vallen. Welke rol speelt de criticus dan nog? Op welke autoriteit kan deze zich nog beroepen? De criticus zal iemand zijn die rust en betekenis brengt in de wild kolkende oceaan van geluid, iemand die stromen kan lezen en bewegingen duiden. Bovendien vindt hij/zij het belangrijk om dit te delen zodat iedereen over deze kennis beschikt. De criticus leert dieper en verder luisteren. Van centraal belang hierbij is interpretatie: het lezen, verwerken en verbinden van muziek op verschillende niveaus. De interpretatie is persoonlijk en grenzeloos. De vijfentwintig kritieken die volgen zijn maar vijfentwintig mogelijke interpretaties die op allerlei manieren kunnen worden uitgewerkt. Een aantal conventionele begrenzingen moet men daarbij negeren. De bedoelingen van de artiest zijn interessant maar hoeven geen leidraad te vormen, ze bezitten geen definitieve autoriteit. Muziek kan op allerlei manieren worden verbonden en gemijnd voor betekenis. Over-interpretatie is geen zonde: de connectie die juist voelt, is juist. Met de komst van het digitale domein dreigt muziek objectloos te worden, wat een verlies inhoudt voor de criticus. Muziek is de afgelopen eeuw vrijwel nooit alleen muziek geweest. Het is ook een object dat wordt gepresenteerd in een hoes die de sfeer stuurt en associaties aandraagt voor de muziek. Artiesten doen vaak, al dan niet bewust, kritisch voorwerk. Het enige wat wij hoeven te doen is luisteren en de muziek in ons leven weven.

donderdag 16 februari 2017

American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History


So what is to be done? Is there a cure for the American psychosis? In the absence of an all-powerful alien civilization that comes from outer space to impose rationality on the American populace, I think not. In fact, if Nietzsche is correct that collective insanity is the rule rather than the exception, it seems best to admit that Americans are suffering from an incurable condition, right along with the rest of the human species. Like Athens, the world's first democracy, the United States is not immune to takeovers by tyrants and oligarchs, and in Trump we may have managed to get both for the price of one.
Uit het erudiete essay 'American Psychosis: Trumpism and the Nightmare of History' van W.J.T. Mitchell in Los Angeles Review of Books (geweldig tijdschrift en bijhorende website.) De historici van de toekomst gaan genieten van deze periode.

Hoe dan ook, het presidentschap van Trump is eigenlijk al ten einde. Hij is mentaal te onrustig, paranoïde, geobsedeerd met imago en zal nooit de balans vinden om vier jaar een land te leiden. Hij is binnen een maand geraakt door associaties in gelekte informatie die hem zullen blijven achtervolgen. De Amerikaanse overheid zal om hem heen proberen te functioneren, terwijl steeds meer gelekte informatie, vanuit diezelfde overheid en daar buiten, hem zal beschadigen. Er is waarschijnlijk een overdaad aan belastend materiaal in handen van allerlei instanties dat ongestraft naar journalisten wordt gelekt, die gewaarschuwd door de opgefokte controlestaat met eenvoudige encryptie hun bronnen beschermen en steeds meedogenlozer zullen worden.

Ik dacht eerder dat zijn partijgenoten hem op een gegeven moment gaan laten vallen maar niemand heeft baat bij een impeachment (een afgang voor de Republikeinen waardoor ze weggevaagd worden bij congresverkiezingen en ondenkbaar voor Trump die nooit een fout zal toegeven.) Het meest waarschijnlijke scenario is dat hij voorzichtig zal worden gemasseerd om vanwege gezondheidsredenen op te stappen. Ik durf wel te stellen: dit jaar nog. Maar zoals Mitchell in het bovenstaande essay concludeert is dat nog niet eens het begin van een serieuze oplossing voor de huidige waanzin.




zondag 5 februari 2017

Stresstest 2017



Ik moet toegeven dat het presidentschap van Trump een echt een nieuw fenomeen is. Reagan lijkt bij nader inzien bijna competent, Nixon een professional. Hij produceert bijna moeiteloos een vreemde chaos waar je eigenlijk afstand van moet nemen om helder te kunnen blijven functioneren. De ene dag word je overmand door een ongekend onbehagen dat sinds het begin van de jaren tachtig niet meer is gevoeld en de volgende dag is de incompetentie zo lachwekkend dat je er van overtuigd raakt dat het nooit lang kan duren voordat hij instort. Hopelijk is het ook snel afgelopen want zoals gebruikelijk is het isolationisme weer een loze belofte gebleken en zitten de yanquis al bij een aantal landen opzichtig te zuigen. Ik vermoed steeds steker dat de chaos een soort strategie is van het ware team achter Trump dat een heel naar plan langzaam wil implementeren terwijl iedereen zich druk maakt over duffe tweets en uitgesproken leugens van zijn spreekbuizen (de nu al legendarische Bowling Green “massacre”, “clean” coal.) Ik gok dat de Republikeinse Partij vlug pakt wat er te pakken is aan wetgeving over wapens, deregulering voor banken, de Supreme Court benoeming en dan Trump laat vallen omdat zijn fascistoïde neigingen de basis van het Amerikaanse systeem ondermijnen. Een positieve interpretatie beschouwt dit alles als een stresstest van het systeem waar men uiteindelijk verder op kan bouwen (al zal de tweedeling nooit meer verdwijnen.)

Een continue Trump shitshow kan in ieder geval Europa goed uitkomen omdat ultrarechtse politici iets te enthousiast zijn geweest over de verkiezing van Trump en een deel van hun potentiële kiezers aan het twijfelen zou moeten brengen (een deel, want er zijn genoeg Europeanen die Trump wel zien zitten.) Het baart me ook enigszins zorgen dat men, in ons klein-Amerika, zich soms meer druk lijkt te maken over de dagelijkse nonsens aan de overkant van de oceaan dan het voorkomen van een verkiezingswinst door een veroordeelde xenofoob. En zo niet dan proberen televisiezenders er al een tijd een soort Amerikaans verkiezingscircus van te maken, met natuurlijk nul inhoud, voorgekookte oneliners, een reductie van deelnemende partijen en dat allemaal met krukkige mannetjespolitci waaronder een premier die eigenlijk het liefst wenst dat hij naast May het andere handje van Trump mag vasthouden.

Nu zijn de Nederlandse Tweede Kamerverkiezingen vooral belangrijk voor de sfeer in Nederland, een premier W. maakt het vooral ongezelliger. Belangrijker is vanzelfsprekend dat Frankrijk houdt. Een president Le Pen is het einde van de E.U. en dat leek tot voor kort een onmogelijke uitkomst totdat gedoodverfde winnaar Fillon op voorspelbare wijze corrupt bleek te zijn. Zou op zich geen verlies zijn want een fundamentalistische neoliberaal, maar of de andere kandidaten hem kunnen overvleugelen is nog maar de vraag (Hamon is zelfs bijna zoiets als een visionair maar kan nooit de vloek van Hollande in korte tijd opheffen.) Je ontkomt niet aan het gevoel dat we komende maanden als koorddansers moeten manoeuvreren. En het gemene is dat een enkele goed getimede terroristische aanslag elke hoop op een positieve afloop teniet zal doen. De doodsklap voor Clinton kwam door de streek van F.B.I. -baas Comey en ik ben niet zozeer bang voor IS, dat op zijn gat ligt en bezig is met overleven, maar voor een veiligheidsdienst die strategisch op het juiste moment de andere kant opkijkt of even geen informatie doorspeelt. Wanneer je met dat soort scenario's rekening moet houden lijkt democratie in de stijl van de 20ste eeuw zijn terminale fase in te gaan. Only the paranoid survive.

zondag 15 januari 2017

K-punk (1968 - 2017)

Even uit de losse pols. Mark Fisher is te jong overleden, al moet ik eerlijk bekennen dat het nieuws mij uiteindelijk niet echt verraste. Zijn schrijven was, ondanks de intensiteit en energie, vrijwel altijd omgeven van een bepaalde zwaarmoedigheid. Niet zozeer pessimisme als existentiële onzekerheid. Ik las zijn K-punk blog vrijwel vanaf het begin en dat was zeker de eerste jaren een spannende bezigheid. Wanneer K-punk over muziek schreef, zeker wanneer hij artiesten als eerste analyseerde (Junior Boys, Burial) was hij een soort heksenketel van ideeën, slimme observaties en kleine grapjes (Springsteen omschrijven als Reich 'n roll.) Dit stuk over Joy Division was bijvoorbeeld buitengewoon goed (ook de enige keer dat ik contact met hem had, omdat hij nieuwsgierig was waarom ik zo enthousiast was.)

Maar het was duidelijk dat Fisher een persoonlijke schaduwzijde had, die op ongemakkelijke wijze -dit was voor social media- zichtbaar werd in zijn teksten, fases waarin hij als bezeten door een religieus visioen aan een nieuwe ethiek bouwde die onmogelijk te volgen was (al helemaal in de praktijk.) Na verloop van tijd keerde de luciditeit terug en kon hij plotseling weer enthousiasmeren over een nieuw album of een bijtende kritiek over de geestdodende bureaucratie van het Thatcher-Blair continuüm schrijven. Ik denk dat hij lange tijd, een van de leidende schrijvers was in wat we de blogosphere noemde. Hij was zonder twijfel geen allemansvriend, maar zelfs als je het niet met hem eens was, kon K-punk inspireren, dwong hij je om je eigen argumenten scherper te verwoorden.

Zijn overlijden voelt als een afsluiting van een tijdperk, niet alleen van de vruchtbare blogperiode, maar ook van de theoretische jaren negentig. Fisher was immers onderdeel van het Cybernetic Culture Research Unit aan Warwick University dat in een korte periode de bakens wist uit te zetten over allerlei implicaties van de digitale cultuur. Sadie Plant is missing in action, Kodwo Eshun actief in de kunstwereld, Nick Land is overgestapt naar de dark side en Mark Fisher is niet meer.

Een persoonlijk portret geschreven door Simon Reynolds is hier te vinden. David Stubbs schreef een mooi in memoriam.


maandag 9 januari 2017

Zygmunt Bauman (1925 - 2017)


De Poolse socioloog Zygmunt Bauman is op 91-jarige leeftijd overleden. Halverwege mijn studie raadde een van mijn professoren aan om Intimations of Postmodernity aan, een boek dat grote invloed zou hebben op mijn denkbeelden. Bauman was geen droge systeembouwer maar een speelse theoreticus die open stond voor veel denkers en deze in goed leesbare essays wist in te zetten om postmoderniteit vanuit verschillende invalshoeken te verklaren. En de meeste van die analyses zijn nog steeds actueel. Met Bauman verliezen we een echte intellectueel, tot op het laatst nieuwsgierig, een kalme denker tussen het gebazel van opiniemakers en geflipte ideologen.

Veel van Baumans ideeën besprak ik ooit in een overzichtsartikel voor Metropolis M uit 2006. Braaf gearchiveerd, dus dit is op een paar aanpassingen en vertaalde citaten na de versie die gepubliceerd is (met, zoals altijd, prachtige illustraties):

Vloeibaar samenleven in duistere tijden: de sociologie van Zygmunt Bauman

Een constante afweging tussen vrijheid en zekerheid. Dat is volgens de socioloog Zygmunt Bauman (geboren 1925, te Poznan) een van de belangrijkste kenmerken van het leven in de moderniteit van de 21ste eeuw. Bestaat dat dan nog, moderniteit? Menig socioloog heeft getracht een alternatieve benaming te geven voor die nieuwe sociale constellatie: tweede moderniteit, hypermoderniteit, late moderniteit, hoge moderniteit of zoals Bauman het in zijn zogenaamde liquid trilogie van toegankelijke maatschappijduiding noemt: vloeibare moderniteit. Met die drie boeken, Liquid Modernity (2000), Liquid Love (2003) en Liquid Life (2005) is Bauman bij een breder publiek zichtbaar geworden. Na het overlijden van Pierre Bourdieu, met Anthony Giddens verdacht als theoretische lakei van het project Tony Blair en Jean Baudrillard op zoek naar een vervolmaking van zijn nihilistische pensée radicale is Bauman de socioloog geworden die een brug slaat tussen de academische sociologie en het publiek debat. Zijn belangrijkste bijdragen aan het vak sociologie zijn afgerond, hij lijkt andere lezers te zoeken waarvoor zijn stijl en presentatie (korte, veelzijdige maar informatierijke boeken die door hun prachtige vormgeving niet misstaan op menig koffietafel) zich perfect lenen. Bauman heeft als geen ander de gave om zijn theoretische eruditie te vertalen naar de vragen die ons allen bezighouden, weet alledaagse dingen als kantoorparken, SUVs, internetdating, de GSM, de relatie kind-werk helder te duiden binnen grotere maatsschappelijke verbanden en trends. Hij weet op treffende wijze het existentiële onbehagen van de 21ste eeuw kenbaar te maken en heeft daar geen terrorisme voor nodig.

Uiteindelijk hoeft het niet te verwonderen dat een van de scherpste denkers over de aard van de moderniteit een eeuwige buitenstaander is, die als jonge man bijkans werd verpletterd door wat hij later zou omschrijven als de twee meest succesvolle uitingen van diezelfde moderniteit. Het ene, het Sovjet communisme was uiteindelijk ontvankelijker voor een joodse inwoner van de Poolse stad Poznan dan het andere, het oprukkende fascisme. Hij werd in 1968 tijdens een hernieuwde golf van antisemitisme Polen uitgejaagd, kon niet aarden in het hypernationalisme van Israël en leeft sindsdien in Engeland als sociologieprofessor aan de universiteit van Leeds. Maakt die status van buitenstaander Bauman tot de ultieme socioloog? Sociologen worden vaak gekenmerkt door een gevoel van onbehagen over het behoren toe, bezitten een sceptische houding ten opzichte van groepsprocessen.
           Bauman zal nooit een systeembouwer zijn. Het vangen van de sociale realiteit in een overkoepelend idee benauwt hem. Dat bevat zoals hij heeft bewezen in Modernity and the Holocaust (1989) een gevaar met een historisch precedent. Moderniteit wordt hier gepresenteerd als een universeel project van rationalisering en bureaucratisering dat zich tot taak stelde om verschil tussen mensen te doen opheffen. Helaas veroorzaakte het ook een morele erosie die samen met een technologische cultuur de vernietigingskampen mogelijk maakte. Ondanks kritiek op die interpretatie is het sindsdien onmogelijk om probleemloos over moderniteit te spreken, maakt het Verlichtingsfundamentalisten per definitie verdacht.
            In diezelfde periode signaleert Bauman een cruciale verandering in de rol van de intellectueel. Moderniteit was bovenal een perceptie van de wereld, een culturele ideologie die pretendeerde universele antwoorden te kunnen formuleren over waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid. De intellectueel als drager van die waarden is over de jaren zijn macht kwijtgeraakt. De wereld wil zich niet vormen naar zijn modellen. De moderne staat kreeg meer behoefte aan een gedegradeerde intellectueel, experts om het sociale systeem draaiende te houden met technieken als surveillance, medicalisering en psychiatrisering. Het alternatief voor de intellectueel is een rol als interpretator. Nu moderniteit verdacht is, altijd in staat om weer tot massavernietiging over te gaan, de rol van de intellectueel als vazal van de moderne natiestaat lijkt uitgespeeld, is het tijd voor Bauman om de logische stap te maken en de interpretatieve intellectueel, en daarmee zichzelf, te plaatsen in een nieuw tijdperk van postmoderniteit.

Die stap blijkt bijzonder succesvol. Bauman is de socioloog van de jaren negentig. Er ligt een verzameling poststructuralistische theorie te wachten om “vertaald” te worden naar een sociologie die moeite heeft met het ontsnappen aan de eigen wortels in de moderniteit.. Die vertalende rol neemt Bauman glansrijk op zich in boeken als Intimations of Postmodernity (1992) en Life in Fragments (1995). Bauman heeft het moderne sociologische canon in de vingers maar onder invloed van schaduwsociologen als Jean Baudrillard, Michel Foucault of Roland Barthes praktiseert hij steeds meer een literaire sociologie. Zijn boeken worden verzamelingen van essays met verschillende thema’s die vaak, maar niet verplicht, op subtiele wijze met elkaar verbonden worden.
       Eén concept neemt al snel een centrale positie in: consumptie. Met name non-marxistische sociologen hebben altijd een zekere afkeer gekend van economisch reductionisme. Juist voor hen kan consumptie een interessant concept zijn omdat het door de economische wetenschap, waar het moet plaatsvinden als logische uitkomst van het productieproces, het maakt niet uit hoe, lange tijd is veronachtzaamd. Bauman voelt aan dat die hoe vraag juist een steeds belangrijkere rol speelt. In het interview aan het einde van Intimations of Postmodernity omschrijft hij het helder:

Consumerism stands for production, distribution, desiring, obtaining and using, of symbolic goods. Symbolic goods: that is very important. Consumption is not just a matter of satisfying material greed, of filling your stomach. It is a question of manipulating symbols for all sorts of purposes. On the level of the life-world, it is for the purpose of constructing identity, constructing the self, and constructing relations with others. On the level of society, it is in order to sustain the continuing existence of institutions, of groups, of structures and things like that. 

Hoe zijn ideeën ook verder zullen evolueren, dit zal tot op de dag van vandaag de kern van zijn analyse blijven. Postmoderniteit is voor Bauman een nieuwe sociale toestand die duidelijk verschillende kenmerken bezit in vergelijking met de moderniteit. Het mist in ieder geval het beeld van de geschiedenis als een beweging met een richting en deze richtingloosheid wordt aangevuld met eigenschappen die voor het moderne denken onwenselijke onzekerheid symboliseren: geïnstitutionaliseerd pluralisme, verscheidenheid, toeval en ambivalentie.
         Zoals eerder gesteld heeft dat op verschillende analytische niveaus belangrijke gevolgen, waarvan die van het individu en zijn of haar directe omgeving volgens Bauman de meest positieve mogelijkheden in zich draagt. De leefomgeving wordt een onvoorspelbaar, complex systeem waarin de afhankelijkheid tussen individuen laag blijft. Er is een hoge graad van autonomie om zelf de zin en de doelen van het leven te stellen wat resulteert in een “existentiële modaliteit” die zich laat karakteriseren door termen als onbepaaldheid, onbeslistheid, spontaniteit, ontworteling. Dit soort termen zijn typerend voor Bauman, die steevast weigert om op directe wijze te moraliseren. Woorden die beginnen met on- zijn vanuit een modern perspectief geladen met negatieve betekenissen en Bauman verwoordt hiermee subtiel zijn zorgen over maatschappelijke tendensen die vervolgens toch worden gerelateerd aan een context van mogelijkheden. Zo ontstaat iets als een overweldigende taak van vrijheid. Die vrijheid raast door het individu heen. Identiteit wordt een constructie, een levensproject zonder doel, een constante beweging van opbouw en afbraak. De enige continuïteit van dit proces is te vinden in de drager van identiteit: het lichaam (mooi omschreven als opnemer van indrukken en producent van publiek “leesbare” zelfdefinities.)
         Een onvoorzichtige lezing van Bauman zou tot de conclusie kunnen leiden dat we hier met een neo-liberalistische Goed Nieuws show te maken hebben. Toch is hij vanaf de basis niet blind voor de problemen die het primaat van consumentisme kan veroorzaken. De toegang tot tekens voor zelfconstructie verschillen immers per individu en zijn voor het grootste deel afhankelijk van een zekere financiële armslag. In Liquid Life is die problematiek van falende consumenten opeens veel grimmiger verwoord. Met vooruitziende blik schrijft hij over de potentiële slachtoffers van de door de inmiddels beruchte Franse minister van Binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy ingestelde ‘uitwijzingsquota’:

They are truly and fully useless – redundant, supernumerary leftovers of a society reconstituting itself as a society of consumers; they have nothing to offer, either now or in the foreseeable future, to the consumer-orientated economy; they won’t add to the pool of consumer wonders, they won’t lead ‘the country out of depression’, reaching for credit cards they don’t have and emptying saving accounts they don’t possess – and so the ‘community’ would be so much better off were they to disappear… 

Het is een citaat dat representatief is voor de pessimistischere toon in Baumans recente werk. Plotseling is daarin de term postmodern verdwenen zonder dat er een echte aanleiding voor is aan te wijzen, de continuïteit met Baumans werk uit de jaren negentig is daarvoor veel te groot. Vloeibare moderniteit is eigenlijk niets meer dan een synoniem voor postmoderniteit. Waarom die manoeuvre? Een aspect zal distinctiedrang zijn, er is onnoemlijk veel geschreven over postmodernisme terwijl er nog relatief weinig eer aan te behalen is, het is een geaccepteerd fenomeen dat vervolgens positief maar over het algemeen negatief gewaardeerd kan worden. De discussies over postmodernisme zijn altijd doordrongen geweest van de vraag: “en hoe nu verder?” Vloeibare moderniteit is een manier om voorbij de slopersmentaliteit van postmodernisme te denken.

Wat is een vloeibaar leven? Het is een leven in een maatschappij waar vrijwel alles in beweging is en weigert consistent te worden (in de zin van de structuren die de oude versie van moderniteit pretendeerde neer te zetten.) In Liquid Love omschrijft Bauman hoe die beweging niet alleen ons denken over liefde en seksualiteit veranderd maar menselijke relaties in het algemeen (de omgang met je buren, vreemdelingen.) In het verlengde van het vrije leven door middel van consumptiekeuzes zoekt men steeds vaker uitstel van vastigheid op het gebied van liefdesrelaties. Opties moeten open gehouden worden, er heerst een angst voor definitieve binding (er is waarschijnlijk altijd een betere relatie te vinden, bovendien is een relatie die niet werkt een mogelijke blokkade voor verdere zelfontplooiing.) Men spreekt volgens Bauman eigenlijk liever over netwerken in plaats van partners. In een netwerk van “virtuele relaties” is het makkelijker om tijdelijke connecties te maken en pauzes te nemen. Het is een heldere manier van met elkaar omgaan, waar het afbreken van relaties zonder veel drama en emotionele investering plaatsvindt.
         Vloeibaar leven is een consumerend leven. Ondanks zijn weigering om harde oordelen te vellen lijkt de mens in Liquid Love verdacht veel op een vampier die zijn liefdes consumeert en vervolgens achterlaat. Maar er sluipen problemen binnen. De herschepping van het individu door consumptie, voorheen toegejuicht als model voor sociale reproductie, nu geduid als een modernistisch project op individueel niveau, is een privilege. Het is duidelijk dat een levenspeil zoals de rijkste Westerse landen voorstaan onmogelijk op planetaire schaal is te implementeren. Er is sprake van een fundamentele ongelijkheid die een nieuw soort klassen produceert waaronder een mondiale elite van zelfreflexieve consumenten, zogenaamde culturele hybriden.
          Hybride cultuur is extraterritoriaal, het schenkt een vrijheid om in beweging te zijn op mondiaal niveau, een gedistribueerd niemandsland waarin je nimmer echt thuishoort. Wie binnen is, hoe tijdelijk van aard dat lidmaatschap ook mag zijn, leeft in een prachtige wereld zonder geloofwaardige hiërarchie, waar autoriteiten geen enkele grip op het gebied van cultuur en ideeën kunnen krijgen, waar identiteit permanent onbepaald is. Hybride cultuur is extracultureel, eclectisch, onbevooroordeeld en voelt als echte vrijheid. Het is duidelijk dat deze klasse haar tegenhanger kent in al diegenen die beweging wordt ontzegd, die gevangen zitten in een opgelegde identiteit (fundamentalisme is hier niet meer dan een keuze om die opgelegde identiteit te waarborgen in het zicht van een globaliserende ideologie van vrije markt en individualisme.) Hier speelt Baumans nieuwe favoriete, negatieve metafoor en realistische zorg een belangrijke rol: afval. Afval is het product dat de vloeibare consumptiemaatschappij in overvloed schept en steeds moeilijker kwijtraakt, afval is waartoe je wordt gereduceerd als mislukt consument.

Kan kunst hier een rol van betekenis spelen? Dit is een favoriete manoeuvre van pessimistische sociale commentatoren. Bij Bauman lijkt daar in eerste instantie weinig ruimte voor. In het essay over cultuur in Liquid Life analyseert hij de relatie tussen de van oorsprong gerelateerde termen cultuur en management en hoe beide narratieven op gespannen voet leven omdat zij hetzelfde doel nastreven: het veranderen van menselijk gedrag. Het hoeft niet te verbazen dat de, door de artiest verachte, manager als agent van de markt, in plaats van de natiestaat, nieuwe criteria heeft ontwikkeld die zich laten leiden door consumptie (en de daarbij horende snelheid en circulatie die slecht werken in de culturele praktijk.) Met voorspelbare gevolgen: culturele producten dienen zichzelf te legitimeren in termen van marktwaarde. Beroemdheid, merk en het evenement zijn beter geschikt om de korte aandachtsspanne van de consument te bereiken. Vloeibare moderniteit is een cultuur van discontinuïteit en vergeetachtigheid. Die woorden zijn nog niet uitgesproken of Bauman gaat op zoek naar representatieve artiesten van de vloeibare moderniteit. Jacques Villeglé affiches lacéréés, de gelaagde collages van Manolo Valdes waarvan niet duidelijk is of ze nog afgemaakt moeten worden of al uit elkaar vallen en Hermann Braun-Vega’s schilderijen van onmogelijke ontmoetingen, reproduceren het vloeibaar moderne:
It is expressed over and over again – in the tendency to reduce the lifespan of products of the arts to a performance, a happening, at the most to the duration of a ‘from-to’ exhibition; in the preference for frail and friable, eminently degradable and perishable materials among the stuffs of which art objects are made; in the earth works unlikely to be visited by many or to survive for long given the caprices of the inclement climate; all in all – in incorporating the imminence of decay and disappearance into the material presence of artistic creation.
Is herkenning genoeg? Natuurlijk niet maar Bauman is ook sluw genoeg om in te zien dat aan een uitgestippeld sociaal programma weinig eer valt te behalen. In navolging van een andere favoriet kunstwerk, Gediminas Urbonas vier arctische containers waarvan één, in plaats van kunstobjecten, leegte bevat waarop de bezoeker betekenissen kan projecteren, zoekt Bauman voorzichtig naar hoop in “duistere tijden”. Een centrale rol is in ieder geval gereserveerd voor de geërodeerde publieke ruimte als plek van dialoog, waar diversiteit (de motor van culturele verandering) opbloeit. En dat zou een nieuw soort publieke ruimte op planetair niveau moeten zijn, voor een politiek en verantwoordelijkheid op dezelfde schaal, aangezien de problemen zich ook op dat niveau afspelen. Formidabele hordes dienen zich in ieder geval aan, gezien de steeds groeiende complexiteit van de wereld, de angst die de publieke ruimte steeds meer overheerst en de onmiskenbare nadruk op korte termijn denken. Bauman hoopt op een oplossing die we ons nu nog niet kunnen voorstellen al kan je jezelf afvragen of in ons bewustzijn niet een fatale verstrengeling heeft plaatsgevonden, waarin we de wereld kunnen overzien maar nooit tot actie zullen overgaan totdat problemen de directe levenssfeer binnendringen.