donderdag 7 maart 2019

25 jaar geleden: Selected Ambient Works Vol. 2



25 jaar Selected Ambient Works Vol.II. Wat een mooi excuus is. Voor wat eigenlijk? Wat zegt 25 jaar? Ik was op 7 maart 1994, de dag dat het dubbelalbum in de winkels lag, nog 22 jaar, wat ik nu belachelijk jong vind. In 1994 was 25 jaar geleden 1969, wat veel verder weg leek dan 1994 nu (zeg maar zoiets als het debuutalbum van MC5 was antiek, een legende uit een andere wereld.) Ik was al wel online maar in monochroom zonder www, nog jaren verwijderd van Napster. Hoe dan ook, over de muziek heb ik het wel vaker gehad, waar ik meer aan wil terugdenken is een manier van schrijven over muziek.

Destijds heb ik hem niet gelezen maar onlangs kreeg ik de recensie van Tony Herrington in The Wire onder ogen waarin hij naast Selected Ambient Works Vol.II, Lifeforms van Future Sound of London (dat pas twee maanden later zou uitkomen) en de compilatie Usability Now bespreekt. Een buitengewone recensie die het voor elkaar krijgt om geen enkele tracktitel te noemen (toch al lastig in het geval van Aphex Twin) en zelfs geen individuele track analyseert. Herrington gaat voor ideeën, het Grote Plaatje, de mogelijke implicaties van de muziek. Met twee lange zinnen lanceert hij zijn tekst door in een keer omschrijving en mogelijke invloeden te presenteren:

At various points Selected Ambient Works II and Lifeforms (are you ready for this?) sound like a radio dial jammed between two frequencies, the chattering of a floppy disk in your hard drive, the woosh of air from a sliding door, the background hum from discernible from collapsing stars, or a dense forest or an extractor fan, a TV heard from the next room, the calls of unknown aquatic life, faulty plumbing, galaxies colliding. Or, if you prefer, musique concrète, Jon Hassell’s psychotropic Fourth World soundtracks, the pointillist sound worlds of wilfully avant garde ventures as AMM or MEV, a John Carpter soundtrack, Acid House, early industrial culture recodings by Throbbing Gristle and Boyd ‘Non’ Ryce. 

Vervolgens pakt hij door:

The most ambitious (not neccesarily the most succesful) of current Techno initiatives (…) function like huge gravitational attractors, randomly sucking up the signals, pulses and data trails that describe and network far distant cultures, communities, individuals. What you hear in the arching stretch of records like Selected Ambient Works II and Lifeforms is the sound of this tangential detritus spewing for from computer jacks – crunched, processed, filtered into a music that comments implicitly, unknowningly, without comment, on the bewildering turbulence of the contemporarily human condition. 

Of te wel, techno is de muziek van het nu. Iets wat tegenwoordig redelijk logisch lijkt maar destijds klonk als sciencefiction. SF binnen handbereik! Want het was inderdaad of de toekomst in het heden leek te vloeien, spannend en meestal positief van aard. Dat wat nu lastiger is voor te stellen. De toekomst is inmiddels grotendeels uitgetekend als catastrofe, of...in een mildere variant, trage stagnatie. Muziek kan tegenwoordig redelijk goed het catastrofale scenario verklanken en is vrijwel niet in staat om complexe of fantasierijke toekomstscenario's te verkennen. Je zou kunnen stellen dat muziek eigenlijk prima overweg kan met het heden, onbestemd, wachtend op een Grote Sprong Voorwaarts/Neerwaarts terwijl de dagelijkse realiteit op subtiele wijze vreemder wordt, niet zozeer op direct visuele wijze maar wel degelijk in de manier waarop technologie de psyche en sociale relaties verandert. 1994 voelde beter aan, zachtaardiger, vrolijker, overzichtelijker en opener. 2019 voelt gehaast, geïrriteerd, alsof mogelijkheden afnemen en de implosie van fascisme lonkt.

De manier van schrijven over muziek is in deze periode ook getransformeerd. Geen wonder, The Wire bestaat nog steeds maar hoe we met muziek omgaan, hoe muziek wordt verhandeld is grotendeels veranderd. Soms ten goede, want vrijwel alle muziek is, of je het nu streamt, downloadt of tweede hands aanschaft, binnen handbereik. Maar wat betekent die muziek? Het werk van Mark Fisher wordt tegenwoordig zelfs in de Financial Times besproken al is ondertussen het netwerk waarin hij opereerde, de blogosphere, vrijwel verdwenen. Er vindt geen werkelijke circulatie van ideeën meer plaats. Internet heeft niet per definitie het schrijven van Herrington onmogelijk gemaakt maar de focus, een soort discipline afgedwongen door de beperking van ruimte op papier, is niet meer. De goede recensie die je op stijlvolle wijze enthousiasmeert of in ongeveer 1000 woorden aan het denken zet, die je meerdere malen herleest zodat je hem jaren later nog kunt citeren, is steeds moeilijker te vinden, alsof men er ook niet meer de energie in wil steken, omdat er waarschijnlijk niet of nauwelijks voor wordt betaald maar ook omdat de kans groot is dat vrijwel niemand het zal lezen voordat de tekst wegzakt in het sediment van Google.

Eigenlijk zou dit een enorme vrijheid moeten schenken om dan maar te schrijven waar je zin in hebt, op de manier waar je altijd naar verlangde, zonder te blijven hangen in conventies die er allang niet meer toe doen. Ik heb gemerkt dat de beperking van Twitter soms verrassend goed kan werken en je met een enkele, juist gereconstrueerde zin zoiets als een geconcentreerde recensie kunt afleveren. Soms zijn zelfs woorden niet meer nodig en kun je met een goed gekozen gif zelfs aansluiting vinden bij een bepaald soort online idiolect. Al zijn het uiteindelijk vormen die beperkt worden door de grap, het moet geconcentreerd en amusant zijn, om daarna te worden vergeten.

De speculatieve poëzie van Herrington was zeker niet de norm in 1994. Ik heb eerder al eens aangekaart hoe Kodwo Eshun in hetzelfde tijdschrift singles recenseerde en die vrijheid werd mogelijk gemaakt door hoofdredacteur Mark Sinker in een periode die twee jaar duurde waarna Herrington hem opvolgde (en ten tijde van deze recensie ongestoord in dezelfde stijl door kon gaan.) Het gaat uiteindelijk toch om een soort samenwerking tussen iemand die een opening voor nieuwe ideeën en vormen mogelijk maakt (door middel van een machtspositie of, zoals in de beeldende kunst, geld) en de schrijver die zich op zijn beurt laat inspireren door innovatieve muziek (Selected Ambient Works Vol. II dwingt gewoonweg nieuwe ideeën af). Die dynamiek is steeds lastiger te recreëren. Of leven we in een digitale kosmos dat bruist van geschreven leven en kunnen we het op Medium niet vinden omdat het aanbod overdadig is? Ik heb lang gedacht dat kwaliteit “vanzelf” een weg naar me vond als je jezelf maar enigszins strategisch positioneerde in de informatiestromen. Die stromen zijn echter zo in volume toegenomen dat je zelf weer actief op zoek moet gaan. Een ouderwetse zwerftocht die geen garantie op ontdekkingen geeft en waar algoritmen duistere afleidingen op je pad werpen of zelfs suggereren dat je zoektocht nutteloos is.

maandag 25 februari 2019

Mark Hollis (1955 – 2019)

Mark Hollis, voormalig zanger van Talk Talk, is op 64-jarige leeftijd overleden. Ik voel een ongemakkelijke afstandelijkheid bij dit nieuws. Waarschijnlijk omdat de persoon Hollis tijdens zijn leven een bepaalde afstand cultiveerde. Door verlegenheid? Wantrouwen? Ik heb zo mijn vermoedens en het maakte me nooit veel uit. Ik hou wel van dat soort artiesten. En Hollis creëerde natuurlijk de ultieme afstand door radicaal te stoppen met muziek maken (enkele nederige uitzonderingen daargelaten) en dit vol te houden. In die zin was Hollis al jaren dood. Zoals hij nu gewoon nog leeft, een van de drijfveren om te creëren is immers om voorbij je fysieke bestaan sporen achter te laten van schoonheid, ideeën, emoties en klanken.

Vanzelfsprekend moest ik meteen denken aan de betekenis van Talk Talk en Hollis om vrijwel direct te concluderen dat alles wat ik ongeveer wilde zeggen in het volgende stuk staat over The Colour of Spring (uit Kritische Massa). Vreemd, het is die verwijzing naar Zhuang Zi in de titel waar ik echt droevig van word.

   
Een vlinder droomt dat hij mens is
Talk Talk – The Colour of Spring (1986)

Ergens eind 1985 trad Talk Talk op in Countdown, het popprogramma op de Nederlandse televisie waar iedereen naar keek en dat daardoor eigenhandig hits kon maken. Dat Talk Talk daar tussen de grote kanonnen van de jaren tachtigpop mocht verschijnen was geen toeval. Veronica had de singles van hun vorige album It’s My Life omarmd en in 1984 speelde de band samen met Level 42 en Sade op de Veronica Rocknight in Ahoy. In de Countdown-studio brengt de band de nieuwe single ‘Life’s What You Make It’ die door Veronica ook weer genereus tot Alarmschijf is verkozen (wat neerkomt op een gegarandeerde top 40-notering.) Het lied is vanaf de eerst keer dat het refrein wordt ingezet lastig te vergeten. Maar er is meer aan de hand dan alleen de muziek. Zanger Mark Hollis bespeelt voorovergebogen en met nerveuze motoriek de piano. Hij draagt een ronde zonnebril. Zijn lange haar valt regelmatig over het gezicht. De hele band heeft zichzelf een zeker hippieachtige imago aangemeten dat volstrekt nergens mee is te vergelijken in het midden van de jaren tachtig dat Ray-Bans, 501’s en witte T-shirts als uniform heeft uitgekozen. Elke introverte tiener zal direct een connectie hebben gevoeld.

De single was een vooruitgeschoven stuk van het album The Colour of Spring dat tegenwoordig gezien wordt als een transitieplaat tussen Talk Talk als popband en experimenteel collectief. Door die positie in het oeuvre vormt het vaak een onderschat album dat te weinig wordt geïnterpreteerd als een afgebakende entiteit. Dat laatste is soms lastig omdat Talk Talk altijd in beweging was. Hun vijf albums verschillen steeds van elkaar en het is niet onredelijk om daar een metamorfose in te horen, een zoektocht naar een bepaald geluid dat wanneer het daadwerkelijk wordt bereikt ook af is. De band stopt daarna met bestaan. Op elk album zijn al kleine hints te vinden van een volgende stap. ‘Tomorrow Started’ op It’s My Life (1984) kondigt het open geluid van The Colour of Spring aan, zoals ‘Chameleon Day’ hier doet voor de ingetogen sfeer van opvolger Spirit of Eden (1988). Talk Talk is als in een cocon gewikkeld, die langzaam openbreekt, de eerste vleugels zichtbaar waarmee het naar ongekende hoogtes zal reiken. Transitie of niet, met The Colour of Spring voldeed de band blijkbaar aan een collectieve behoefte want het zou in Nederland de nummer 1 positie in de albumlijsten behalen.

Het bewijst dat kwaliteit commerciële potentie bezit (of stelde de popliefhebber destijds hogere eisen?) Blijkbaar vertrouwde hun platenmaatschappij EMI dat deze combinatie met Talk Talk mogelijk was. Talk Talk was een typische exponent van een gedachte die platenmaatschappijen gedurende een lange periode uitdroegen: de muzikant waar in geïnvesteerd wordt, die talent heeft getoond en een grote mate van vrijheid krijgt om een artistiek statement te maken. Deze kweekvijverconstructie kon voor beide partijen voordelig uitpakken. De muzikant ontving genoeg budget om een gedroomd geluid tot in details vast te leggen. De platenmaatschappij kreeg er prestige voor terug en de mogelijkheid om andere muzikanten te verleiden met het succesverhaal van artistieke vrijheid. Tijdens de productie van The Colour of Spring werkt de relatie optimaal. Waarschijnlijk was het niet eens een extreem dure plaat om te maken, hij werd snel opgenomen en blijkt commercieel succesvol. Maar de constructie is niet zonder gevaar, zeker wanneer het perfectionisme van de artiest zich ontpopt en de groeiende studiobudgetten accountants onrustige nachten bezorgen. In het ergste geval flopt het album daarna, zoals The Associates op desastreuze wijze overkwam met Perhaps (1985). De vruchtbare relatie tussen EMI en Talk Talk zou ook snel bekoelen en uiteindelijk leiden tot een breuk. Weinig bands zijn daarna tegen hun wil zo uitgemolken met compilaties, remixalbums, rariteitenverzamelaars en livealbums terwijl ze muzikaal allang een andere richting waren ingeslagen.

Zoals is te verwachten van een plaat op een groot label in de jaren tachtig klinkt The Colour of Spring subliem. ‘Happiness is Easy’ is welhaast kinesthetisch, je kunt de spaarzame percussie en bas bijna zien, zo helder zijn ze gepositioneerd. De productie is afgestemd op een band die geen zin heeft om te drammen en veel meer geïnteresseerd is in geluidskleur, details en openingen. De synthesizers en drumcomputers zijn uit de studio verbannen om plaats te maken voor het orgel van Steve Winwood of de Mellotron en Variophone van producer/bandlid Tim Freese-Greene. Met deze componenten wordt een redelijk uniek geluid gevormd dat net als de lokken van Hollis niet in de tijdgeest past. Het roept associaties op als aards, ademend, bruin, muffig…een kamer met veel hout, laag zonlicht dat door ramen minuscule stofdeeltjes oplicht. Een veilig geluid waarin je als luisteraar haast kan schuilen.

In de interviews ten tijde van The Colour of Spring blijkt duidelijk dat Hollis moeite heeft met het spelen van de popster. Hij heeft geen zin in ironie en grootspraak waar veel journalisten naar smachten. In een zeldzaam constructief gesprek met Rachael Demadeo geeft Hollis duidelijk aan door wie hij op dat moment wordt beïnvloed: oude soul en gospelmuziek (“vanwege de bezieling en de desinteresse in techniek.”), jazz uit de periode 1955-1965 (Coltrane, Pharoah Sanders, Roland Kirk en Miles Davis) en de impressionistische muziek van Debussy, Satie en Delius (“vanwege hun visuele kwaliteit.”) Later in het gesprek relateert hij de repeterende pianomelodie in ‘Life’s What You Make It’ aan het gebruik van herhaling door Can op Tago Mago. Kortom, muziek-muziek waarin sfeer en emotie een centrale plek krijgen toebedeeld in plaats van ego en imago. Grote mensenmuziek ook.

Desondanks heeft Hollis, net dertig jaar oud geworden, met The Colour of Spring—onbewust?—een cruciale tienerplaat gemaakt. De tiener in popmuziek is na de jaren vijftig vaak onderschat. De puberteit vormt immers een levensperiode die zich kenmerkt door isolatie, drama en onbegrip, wat ons later meestal met gêne vervult. Waar smaak nog moet worden ontwikkeld. Maar juist die ontwikkeling, dat verkennen, is fascinerend. Zeker wanneer je ervan uitgaat dat er verschillende soorten tieners bestaan in het spectrum tussen hysterische teenybopper en zwijgzame metalhead. De zoektocht van Hollis naar geluid en woorden loopt parallel met de worsteling van de tiener met zijn identiteit. Het tekstvel van het album is uitgeschreven in een lastig te ontcijferen handschrift. Open voor interpretatie, is de hint. Op deze manier worden tekstflarden kant en klare slogans voor de adolescent: “yesterday’s favourite”, “the charade goes on”, “I don’t believe in you”, “living in another world to you”, het gaat maar door. Een verrassend effectieve combinatie met de wereldwijze muziek—serieus, open, smaakvol—die juist belichaamt waar de tiener naar verlangt: een belofte van volwassenheid. De vlinder droomt dat hij mens is.

Het is niet ondenkbaar dat Hollis zich dit naderhand heeft gerealiseerd en vervolgens zijn teksten nog abstracter maakte. Elke relatie met pop werd daarmee uitgewist. Waarschijnlijk het laatste televisieoptreden van Talk Talk vond twee jaar later plaats, weer in Countdown. Je zou het als een radicaal televisiemoment kunnen beschouwen, maar de nieuwe single ‘I Believe in You’ is zo kalm dat er geen breuk voelbaar is. Meer desinteresse, het is muziek die voor het publiek net zo goed van een andere planeet kan komen. De faam van de laatste twee albums van Talk Talk is sindsdien enorm gegroeid (nadat ze bij verschijning vooral als raadselachtig terzijde werden geschoven.) Bijna lijkt er sprake te zijn van twee bands waarop iedereen zijn voorkeuren kan projecteren. Maar wie destijds tiener was zal wanneer hij het album weer eens opzet The Colour of Spring opeens anders begrijpen. Vreemd genoeg roept het niet de gebruikelijke nostalgische ervaring op, maar een kans om jezelf aan de andere kant van de tijd te horen. De mens droomt dat hij weer vlinder is.

zaterdag 19 januari 2019

Top 10 albums 2020 – 2029

Op een van de spaarzame gelegenheden dat ik uitging en mij zowaar overgaf aan een nachtje nostalgie naar de gloriedagen van rave stopte een vriendelijke figuur mij een envelopje toe dat een lichtgeel poeder bleek te bevatten. “Het nieuwste. Heeft nog niet eens een naam. Onbeschrijfelijke trip. Ik kan het je echt niet uitleggen, je moet het gewoon hebben meegemaakt.” Zijn glinsterende ogen waren overtuigend, de uitleg over de herkomst in Russische laboratoria veel minder. Aangezien ik geen zin had om rond 3:00 ‘s nachts in comateuze staat met mijn gezicht op een vloer van opgedroogd bier te worden gevonden, stopte ik het kleinood voorzichtig weg en begaf me vervolgens richting de stroboscopen waar de eerste Mentasm-akkoorden van de avond galmden.

Terwijl ik mijn winterjas enkele weken later leegde, vond ik het envelopje terug. Al snel deed zich een goede gelegenheid voor, een avond waar ik en de kat alleen thuis waren. Enigszins nerveus plaatste ik een theelepel poeder in een glazen pijp, even die twijfel op de hoge duikplank, en dan toch de brander erop en een flinke hijs. De laatste gewone gedachte die ik me herinner is de verbazing dat het synthetische goedje best lekker smaakte. Wat zich vervolgens openbaarde was zo complex dat het onmogelijk in woorden is te vangen. Mijn armzalige poging om die herinneringen te organiseren is als volgt.

Ik denk dat ik een uur lang met mijn ogen gesloten op de bank heb gelegen. Alles ontvouwde zich visueel in mijn geest, volkomen realistisch. De toekomst opende zich als een multidimensionaal web waar ik, vraag me niet hoe, verschillende momenten tegelijkertijd kon meemaken. Achteraf was ik uitgeput omdat ik fragmenten van ontelbare levens had geleefd en niet alleen van mijzelf, maar ook van talloze onbekenden. En nee, ik heb mijn eigen dood niet meegemaakt. Hoe verder je in de toekomst beweegt des te meer ruis ontstaat, een soort feedback tussen de tijdlijnen die verdere verkenning tegenwerkt. Bovendien, ben je vagelijk bewust van een soort taboe om dit moment onder ogen te zien.

Hoe dan ook, op een gegeven moment begaf ik mij langs een tijdlijn waarbij ik overduidelijk wist dat ik in 2040 was beland, precies voor de deuren van een platenzaak. In een soort routine liep ik meteen naar binnen. Omdat ik inmiddels door had dat de tijd plastisch was en redelijk controle kreeg over de trip kon ik rustig door de paden lopen en me verbazen over de titels die ik tegenkwam op allerlei geluidsdragers. Hoe ik het precies voor elkaar kreeg weet ik ook niet meer, maar in wat leek op een kennisinjectie werden mijn keuzes direct in mijn bewustzijn kenbaar, alsof ik de muziek al jaren had beluisterd.

Over de missie naar de manen van Jupiter, innige liefdesrelaties en buitengewone mogelijkheden van een leven in een wereld die gegeseld wordt door een chaotisch klimaat zal ik elders dieper op ingaan, al verdwijnen bij elke aantekening die ik maak steeds meer details van dit wonderbaarlijke visioen. Tot overmaat van ramp heeft mijn kat de rest van het poeder opgelikt en is daarna gewoon gaan slapen. In ieder geval zijn de muzikale herinneringen mij grotendeels bijgebleven. Dit zijn in de meeste vertakkingen van de toekomst, volgens mij, de tien beste albums van het komende decennium.

Aphex Twin – Selected Ambient Works 93 – 99 en Selected Ambient Works Vol. 3
En daar was hij dan opeens. Het derde deel van Selected Ambient Works, waar de fans van Richard D. James zo lang op hadden gehoopt. Dertig jaar naar Vol.2 bijna achteloos aangekondigd waarna het dubbelalbum een week later verkrijgbaar was. De anti-hype kreeg zelfs geen kans om zich te mobiliseren. Wie de hoes opende werd getrakteerd op een typische Aphex Twin verrassing, een kaartje met de mededeling End 2024: Selected Ambient Works 93 – 99. Dubbele extase.

Vol.3 wordt gekarakteriseerd door een nieuwe emotionele basis, niet meer de verwondering van de kindertijd, psychedelica en onschuld van de ravedagen maar een blik op naderende schaduwen, een gevoel van acceptatie, een welhaast zenachtige balans zonder de sardonische grappen uit het verleden. De meest consistent conventioneel mooie Aphex Twin release in vier decennia als artiest met als hoogtepunt de ambient acid van het negende titelloze nummer.

Het in november verschenen Selected Ambient Works 93 – 99 verzamelt 42 tracks uit de gouden jaren negentig. Een aantal waren onderdeel van de Soundcloud dump van 2015 en zijn nu compleet gemasterd in volle pracht te beluisteren. Hier is de wildere Aphex Twin van weleer te horen met brommende miniaturen, eerste aanzetten tot pianostukken en gewoonweg druggy experimenten. Beide releases zijn onmisbaar, voor elke avontuurlijke muziekliefhebber, maar vooral voor de ravegeneratie die zich opmaakt voor een andere periode van het leven, bewegend tussen herinnering en de gestage daling van serotonine-niveau’s. Blijft steevast de vraag over of dit de definitieve statements zijn van Aphex Twin, iets waar hij in zijn vaste interviewrondes niets van liet merken. In een gesprek vertelde hij vrolijk over weer een nieuwe ontdekking van een vergeten schoenendoos met MiniDiscs. Er is altijd weer een nieuw verlangen voor de fan. Er is nooit genoeg Aphex Twin.

Addictions – Empty House 
Er is niet echt een band geweest die de sfeer van de eerste twintig jaar van de 21ste eeuw heeft belichaamd zoals P.I.L. dat deed voor het eind van de jaren zeventig. Een muziek die politieke verhoudingen, angsten, onbewust onbehagen en zelfs de kleuren en het weer van een periode weet te vangen. Ik noem Public Image niet voor niets: want Addictions is een viertal dat soms op vier verschillende drugs, verschillende nummers tegelijk lijkt te spelen, gedreven door een karakteristiek basgeluid, hier niet de speelse dub van Jah Wobble maar een onmogelijk lage en fysieke verschuiving van lucht, blokken van synthetisch geluid die de luisteraar dient te voelen, gecombineerd met een conventionele basgitaar en drummer. Addictions maakte op ouderwetse wijze naam, met een lange reeks optredens, waar een snel groeiende schare fans de subbas en het charisma van zangeres Donna S ondergaan, een drietal E.P.’s, gevolgd door het debuutalbum Empty House. Hier was eindelijk weer een Britse band die intelligentie en innovatie combineerde met een soort natuurlijk recht om in de schijnwerpers te staan. Een band die ook de sfeer invoelbaar maakt van een Verenigd Koninkrijk dat jarenlang op de rand van chaos leeft dankzij een continue dreiging van rellen, aanslagen en schijnbaar onomkeerbare armoede: “You got what you wished for!”

Weird Silence – Weird Silence Sessions 
De goede verstaander begon eind jaren ‘10 de eerste signalen op te vangen dat de clubcultuur, die sinds het begin van disco het leidende paradigma vormde van innovatie binnen de popmuziek, ten einde liep, dat de combinatie van club, muziek, dansen en drugs vernieuwing tegenhield. Een besef dat creatieve geesten zou moeten fascineren en uitdagen. Was een nieuw concept van de club (het feest, het festival) nodig? Of zelfs een compleet nieuw muzikaal genre voorbij de club? Het Schotse trio Weird Silence ging op zoek naar een nieuw Jaar Nul. Ze lieten zich inspireren door de futuristische ambitie van jungle, maar stonden tegelijkertijd een zelfbewust loslaten van de modellen van de jaren negentig voor. “Een noodzakelijk loslaten, hoe pijnlijk het ook is,” zoals een van de Weird Silence leden het verwoordde. Dit proces resulteerde in een vrije muziek waar genrevorming lastig grip op krijgt. Weird Silence probeert constant in beweging te blijven. Platen lijken ondergeschikt aan optredens en vooral bedoeld als basismateriaal voor hun Weird Silence Sessions waar muziek onaangekondigd op onverwachte plekken wordt afgespeeld, bijvoorbeeld in een verlaten fabriek, of uit een auto die urenlang door de stad rijdt. Andere sessies heffen op geduldige wijze de barrière op tussen muzikant en publiek, een ontspannen samen-zijn dat onvoorspelbaar verloopt (“de verloren belofte van house” volgens een ander lid.) Weird Silence Sessions vormt een eerste document van het project, een fascinerend verzameling geluidswerelden, verpakt in een bijzonder pakket met poster, boek, unieke polaroids en videomateriaal. Op een bepaalde manier een melancholische, zelfbewuste media-ervaring omdat je er als luisteraar waarschijnlijk niet bij was en tegelijkertijd opwindend omdat het de fantasie prikkelt over toekomstige sessies. Die je misschien zelf wilt organiseren.

Anonymus – Projection 
De popplaat van het decennium, onvermijdelijk eigenlijk aangezien Anonymus het mediafenomeen was dat de tweede helft van de jaren ‘20 compleet in zijn grip hield. Want wie was deze zangeres die onverwacht een lange reeks nummer 1 hits afleverde? Die tijdens spaarzame optredens, zoals de Grammy Awards 2028 waar ze een recordaantal prijzen won, steevast achter een scherm zong? Na al die jaren is haar identiteit nog steeds onbekend, wat de pers en sommige fans tot razernij drijft. De eerste groep vervelend maar grotendeels ongevaarlijk, de laatste groep regelmatig verantwoordelijk voor doodsbedreigingen aan het adres van de platenmaatschappij en producers. Haar hitsingles, gezongen in accentloos Engels, Frans, Spaans en Japans, waren slimme constructies opgebouwd rond melodieën die zich vastgrepen in je bewustzijn, die voor genoeg conventionele aandacht zorgden. Maar de verborgen identiteit maakte van haar een compleet nieuwe popster waar de luisteraar alles op kon projecteren. Is ze mooi? Of juist totaal niet? Zijn het meerdere zangeressen? Is het wel vrouw? Is er eigenlijk geen zangeres en is Anonymus het product van een kwantumcomputer, de persoon achter het scherm niet meer dan een willekeurig lichaam? Geen wonder dat men in sommige kringen al een tijd spreekt van het Laatste Popidool.

First Contact – Deep Frontiers
Een tijdlang leek dromen over het eerste contact met buitenaards leven iets uit het verleden. Een cliché uit vintage sciencefiction waar het jaar 2001 nog ver in de toekomst lag. En het moet gezegd dat de clickbait-artikelen van gedegenereerde wetenschapstijdschriften over mogelijke buitenaardse civilisaties die telkens weer een onspectaculaire, levenloze verklaring bleken te hebben, elk enthousiasme degradeerde tot een online ritueel, meer basismateriaal voor flauwe meme’s dan een mooie, maar naïeve hoop. Dat beeld is dit decennium flink aan het kantelen geraakt nu op meerdere manieren signalen zijn ontvangen die duiden op het bestaan van buitenaards leven. Met als hoogtepunt natuurlijk het nieuws dat Voyager II een bizarre terugkeer maakte in ons zonnestelsel. Die terugkeer is op zich al sensationeel. Dat de sonde radiosignalen bleek door te geven die niet konden worden herleid tot een menselijke bron zorgde voor ongekende opwinding die alleen nog de meest fundamentalistische sceptici en gelovigen proberen te ontkrachten. Het duurt nog jaren voordat Voyager de aarde bereikt, tot dan krijgt een andere bron van signalen buiten het zonnestelsel specifieke aandacht omdat veel wetenschappers vermoeden dat het een zogenaamde router is die de mensheid in contact brengt met andere civilisaties.

Alles bij elkaar inspiratie genoeg voor kunstenaars om de blik weer richting de sterren te richten. Elektronische muziek was altijd de meest kosmische, geen wonder dus dat uit het post-techno landschap de eerste serieuze pogingen werden ondernomen om een muzikaal antwoord te formuleren over de nieuwe realiteit die ons wacht. Deep Frontiers is techno-voorbij-techno, dansvloer functionaliteit is achterwege gelaten en wat overblijft is een muziek die beweegt tussen een verlangen naar de grootste dromen van weleer (de in de muziek verwerkte radiosignalen van Voyager krijgen hier iets zwaarmoedigs) en zich probeert voor te stellen welke muziek de opening naar nieuwe levensvormen ons gaat brengen. In die zin is Deep Frontiers het ultieme techno album, de verwezenlijking van een collectief project en het startsein van de zwarte diaspora van Detroit.

Lana del Rey – Dead Ocean Songs 
Net voor haar veertigste verjaardag leverde oudgediende (de tijd vliegt) Lana del Rey haar achtste album af waarin ze de tijdsgeest perfect aanvoelt. De basis is nog steeds downtempo, muzikaal minimaler dan ooit, vaak niet meer dan hints van een akoestische gitaar of ambient elektronica. Maar de verloren liefdes lijken geen mannen meer maar een compleet landschap. Dead Ocean Songs is een ode aan een Californië dat definitief is verloren, een spookachtige wereld van zwarte bossen, stinkende mist en lege stranden. Een duistere variant van solarpunk. Prachtige hoes ook met een op het eerste gezicht klassieke foto van nachtelijk Los Angeles waar complete wijken in het duister zijn gehuld.

Diverse Artiesten – Raum 
Het undergroundlabel van het decennium werd in 2021 opgericht in Mannheim als CD-only label. Heel voorspelbaar maakte de compact disc een soort comeback op het moment dat in de Anglo-Saksische markt (en dus meteen gevolgd door Nederland) de cd werd uitgefaseerd. Vanzelfsprekend ontstond er vrijwel direct een run op vintage cd-spelers uit de jaren ‘80. Tweedehands winkels gespecialiseerd in cd’s verschenen in het straatbeeld met de daarbij behorende eindeloze discussie welke generatie cd’s het beste klinken. In dit klimaat kon Raum uitgroeien tot het cultlabel. Met een reeks betaalbare, maar in eerste instantie moeilijk verkrijgbare, releases droegen alle artiesten het puristische DDD-geluid uit. Een ECM voor de 21ste eeuw gericht op post-house electronica die in steeds verschillende ruimtes werd opgenomen om “muziek te laten ademen”. CD-5 een opname van Mann & Burgin aan de rand van de Bodensee waar de Alpen beginnen te glooien wordt over het algemeen als het hoogtepunt gezien van de eerste reeks releases waarvan tien tracks werden verzameld op Raum. Waaronder ook een eenmalige terugkeer van Oval die nog eenmaal hun karakteristieke remix skills van weleer laten horen op ‘Zeit/Raum’. Een muziek met een ongekende diepte.

Fumi Sasaki – 四季 
De drug die dit alles mogelijk maakte kende nog een vreemd effect, namelijk de gewaarwording dat je andere mensen tegenkwam die via het poeder toegang tot het netwerk van tijdlijnen hadden verkregen. Een maakte een blijvende indruk omdat ze naarstig tussen verleden en toekomst bewoog. Later herkende ik haar als de 19-jarige zangeres Fumi Sasaki. Ik heb wel eens overwogen om contact met haar op te nemen en te verifiëren of ze daadwerkelijk dezelfde ervaring heeft gehad, maar ik ben bang dat ik als een online maniak zal klinken. Hoe dan ook, zij zal in 2027 een buitengewone plaat maken met de vertaalde titel Vier seizoenen. Sasaki plaatst zichzelf zelfbewust in de lijn van de grote Japanse dichters uit de middeleeuwen waarvan ze een aantal gedichten op de eerste helft van het album adapteert, begeleid op traditionele instrumenten en natuuropnamen. Op de tweede helft presenteert ze haar eigen teksten in samenwerking met Sachiko M, oudgediende van de Japanse elektronische avant-garde. Het resulteert in een achttal liedjes voor stem en spookachtige machines. Het voorbijgaan van de seizoenen krijgt in de diepe 21ste eeuw een nieuwe uiting van mono no aware. Zal de omgeving van de tempels in Kyoto nog wel rood kleuren in de herfst? Zal de top van Fuji ooit nog wit zijn? “Bloesems in laag licht / Jonge liefde overmand.”

Diverse Artiesten – Heliolatry Vol.1
Solarpunk ontstond in de jaren ‘10 als noodzakelijk subgenre binnen de sciencefiction. Ondanks de -punk in de naam en de interesse in cultuur bleef het lang beperkt tot een literaire en politiek-filosofische stroming. In 2022 was er dan toch de muzikale doorbraak dankzij de dubbele compilatie Heliolatry Vol.1 (in sommige tijdlijnen volgt een tweede deel, in andere niet.) Solarpunk was niet zonder invloed op moderne muziek maar het effect was in eerste instantie te merken in de infrastructuur van bijvoorbeeld groene festivals. Een artistiek statement was noodzakelijk om de cultuur van solarpunk in het collectieve bewustzijn te plaatsen. En de initiatiefnemer binnen Virgin EMI pakte het ambitieus aan door een 14-tal hedendaagse artiesten uit te nodigen voor hun interpretatie van solarpunk (diverse namen als GAS vs Fennesz, Niño de Elche, Ultramarine, Robyn en nieuwelingen als Malakbel, Theo Jackson en Underwater Light.) Op het tweede deel werd een intrigerende inventarisatie presenteert van proto-solarpunk uit de popgeschiedenis in de vorm van remixes en covers van Sun Ra, A.R. Kane, Tim Buckley, Hiroshi Yoshimura, Junior Murvin, Beach Boys, met als klapper de door Paul McCartney opgedoken alternatieve versie van ‘Sun King’. Een routekaart voor de rest van de eeuw.

Augustus Pablo – King Tubby’s Meet Rockers Uptown (Mix It Yourself edition)
Heiligschennis! Vanzelfsprekend. En toch kon ik dit keer de verleiding niet weerstaan (ook omdat mijn oude vertrouwde vinyl-exemplaar wel erg krakerig wordt na al die jaren trouwe dienst.) King Tubby’s Meet Rockers Uptown is het beste dubalbum aller tijden, hoeven we niet meer over te discussiëren. Interessant is wel dat vintage jaren zeventig dub in de tweede helft van de jaren ‘20 weer een comeback maakte die waarschijnlijk is te danken aan de grootschalige legalisatie van cannabis in delen van de wereld (Nederland lijkt in 2032 als een van de laatste Europese landen dan eindelijk overstag te gaan.) Om de vijftigste verjaardag (!) van de plaat de vieren werd een buitengewone virtuele versie samengesteld. De mixer van King Tubby is allang een museumstuk geworden maar werd tot in de details digitaal nagebouwd. Reggae-historici verzamelde het bronmateriaal met veel zorg en dan is het aan de luisteraar zelf om zijn eigen versies te mixen (lezen van de uitgebreide gebruiksaanwijzing is noodzakelijk.) Enig doorzettingsvermogen blijkt nodig om de kunst van het live dubben in de vingers te krijgen, wat soms tot wonderbaarlijke ontdekkingen kan leiden en uiteindelijk zorgt voor een diepere kennis en waardering van dubreggae. Een intrigerend experiment, aangevuld met bijgeleverde remasters, onder andere in nieuwe ruimtelijke mix zoals deze zou hebben geklonken in de studio van King Tubby. Al die mogelijkheden en keuzes, maar zijn mix zal altijd onovertroffen blijven.

zaterdag 15 december 2018

Favoriete albums van 2018

Onder liefhebbers van de popduiding viel een thema op in de aanloop naar het jaarlijstjesseizoen: de overdaad, zeg maar het slaafse volgen, van de Anglosphere als het er echt toe doet, of te wel wanneer de “prijzen” worden uitgedeeld. Ik heb daar zelf totaal niet bij stil gestaan, om de simpele reden dat ik toch nog steeds vanuit een elektronisch perspectief luister waar taal meestal een ondergeschikte rol speelt en dus artiesten buiten de Anglosphere de afgelopen 30 jaar een gelijkwaardige of, in het geval van Duitsland, een leidende rol spelen. Zo kom ik bij mijn favoriete tien albums van 2018 tot de volgende denominaties: Duitsland 3x, (binnenkort niet meer zo) Verenigd Koninkrijk 2x, Spanje 1x, Verenigde Staten 1x, Zweden 1x, IJsland 1x, Noorwegen 1x. Een keurig kosmopolitisch geheel, wat altijd een van de vrijheden is geweest waar elektronische muziek/dansmuziek voor staat.

Verder draait de 21ste eeuw lekker verder, nog steeds geen revolutie in zicht, de atomisering van genres gaat door waarbij maar enkele artiesten echt nog geloofwaardige verbindingen maken. De futuristen van de jaren ‘90 hebben op middelbare leeftijd hun habitat gevonden in dit ongrijpbare tijdperk en blijven sterk werk afleveren. En zullen dit de komende tien a vijftien jaar wel blijven doen, de visioenen van de jaren ‘90, als abstracte elektronische klanken en daarbij horende beelden zijn nog lang niet verzadigd. Daarvoor hebben we meer groene steden, meer virtual reality, meer ruimtereizen en een uiteindelijke first contact nodig. Best wel mooie dingen om naar uit te kijken.



Rosalía – El Mal Querer
Onlangs werd in het Spaanse parlement een noodwet aangenomen die alle Spanjaarden dwingt om El Mal Querer tot Album van het Jaar uit te roepen. Bij deze dus. Maar het is dan ook de meest revolutionaire flamencoplaat sinds Cameróns La Leyenda del Tiempo (1979). Rooms-Kitscholieke beelden (zie Rosalía op de hoes als sensuele Maria met een ster als coño) x liefdesverhaal x conceptalbum en dat alles lekker kort en bondig met een speelduur van net een half uur (die veel langer aanvoelt). Een spannende interpretatie van flamenco met enkele smaakvolle citaten (Arthur Russell!!!) in een photekachtige geluidswereld vol stuiterende kogelhulzen, zwiepende messen, kungfu-samples en subbassen. Het gevaar van een botte hybride ligt dan op de loer maar flamenco blijft de baas die alle invloeden opzuigt en eigen maakt. Ik kan wel huilen van zoveel liefde voor muziek. Mijn favoriete moment is dat onvergetelijke gitaarloopje in ‘Que no salga la luna’ wat door een filter gaat en lijkt te verdwijnen om na verloop van tijd terug te keren en zo blijft golven. ¡Olé! Het enige wat nu nog mist is een 22 minuten lange Ricardo Villalobos remix van ‘Di mi nombre’.

Autechre – NTS Sessions
Een buitengewoon statement. Vier radio-sessies, acht cd’s. Soms gaat het down the rabbit hole in laat-Ae "wie liet die vrachtenwagen met losliggende metalen pijpen om 4 uur 's ochtends door de straat rijden"-stijl, maar dat hoort erbij. Bovendien werkt het mooi als contrast met de meer “conventionele” tracks die Autechre hier presenteert, de hypnotischerende electro-bangers van sessie 1, de ambient-stukken van sessie 4. die dreinende tracks tussenin. Een monument voor IDM en tegelijkertijd een bewijs dat de innovaties van de jaren negentig nog lang niet zijn uitgeput.  

GAS – Rausch
“Wie Goethe die Farben als eines der Abenteuer des Lichtes betrachtet, könnten wir den Rausch als einen Siegeszug der Pflanze durch die Psyche ansehen.”

 Ernst Jünger  

The Orb – No Sounds are Out of Bounds
De plaat die ik deze memorabele zomer het meest draaide. Nu zet ik The Orb al decennia makkelijk op, daarvoor zijn het immers ambientmeesters. Zelfs de twee wat belegen jaren ‘90 liedjes aan het begin van het album ben ik enigszins gaan waarderen. Hoe dan ook, een sterke plaat met een mooie opbouw en veel Orbachtige knipogen en vondsten die je alweer bent vergeten wanneer het volgende nummer begint (dat is die anti-verzadiging). Wat je niet vergeet is ‘Ununited States’ het meest sublieme nummer van 2018. Heel mooi opgenomen album trouwens, elke volumeniveau geeft weer andere details prijs.  

Cypress Hill – Elephants on Acid
Nog meer veteranen die in 2018 weigerde op de automatische piloot verder te gaan. DJ Muggs liet de sampler vrijwel ongemoeid op deze hallucinante West Coast – Noord-Afrika hybride en speelde of zelf de muziek in of ging met Egyptische straatmuzikanten aan de slag. Het resultaat is een zompige, psychedelische hiphop die echt klinkt als muziek van nu.  

Prins Thomas – The Movement of Everyday Life
Een ware trip. Joakin Haugland is al 25 jaar labelbaas van Smalltown Supersound waar hij zijn uiterst eclectische muzieksmaak kwijt kan. Tijd voor een terugblik en daar strikte hij zijn trouwste klant, stadsgenoot Prins Thomas, voor. De discohippie pakte het vervolgens groots aan met een mix van 3 uur en 39 minuten, wat neerkomt op drie goedgevulde cd’s. Met een canvas van die omvang kun je natuurlijk voor de subtiele opbouw gaan: eerst een dik uur knisperende ambient ‘n eksperiment, een geflipt popliedje hier en daar, om toe te werken naar de onvermijdelijke kosmische disco sterrenslag en uiteindelijke comedown. Een heel eigenzinnige post-rave evolutie in kaart gebracht.  

Varg - Nordic Flora Pt. 5: Crush
Al een aantal jaar vaste gast in mijn jaarlijkse favorieten, de excentrieke Zweedse technoproducer Varg die het model van Nordic Flora Series Pt. 3: Gore-Tex City verder uitwerkt in een mooie verzameling lover’s techno. Innovatieve electronica met poëtische monologen en een fijn gevoel voor humor (met name in de titels als Archive 2 "DM Excerpts Between @skaeliptom & @chloewise_”).  

Gus Gus – Lies are more Flexible
Gus Gus kun je altijd hetzelfde over opmerken: ondergewaardeerd, welhaast genegeerd en toch altijd weer om de zoveel jaar een album vol prachtig geëxalteerde/melancholische trancepop die echt niemand ze nadoet.  

Robag Wruhme- Wuzzelbud FF
Nu officieel de beste leerling van Aphex Twin. Maar nog steeds met zijn eigen signatuur. De dubbel E.P. Wuzzelbud FF kent weer een aantal tracks met de vertrouwde Wruhme-sound, wonderschone voortstuwende house waar hij als een jongleur met geluiden werpt. Dit keer afgewisseld met een aantal tracks die wel bedoeld moeten zijn als een hommage aan Selected Ambient Works 85-92.  

Ancient Methods – The Jericho Records
Allemaal goed en wel al die verfijnde electronica vol slimmigheden en melodieën, maar soms wil je gewoon beuken. En goed beuken is moeilijker dan je denkt. Het mag niet clean zijn, er moet een bepaalde onderstroom aanwezig die de pompende beats zin geeft. Ancient Methods kun je dit altijd toevertrouwen. Ik zou deze muziek, met zijn associaties van goedkope speed en militaristische focus, in een club nog lastig kunnen volhouden, mentaal en lichamelijk, maar dat doet niets af aan het vakmanschap. Om de Mad Maxachtige sound wat in te kleuren is er vagelijk voor een Bijbels thema gekozen wat wel past bij het donkere, agressieve geluid: De God van het Oude Testament als humorloze fascist.  

Ook goed in 2018:
Niño de Elche - Antología del cante flamenco heterodoxo
Biosphere - The Hilvarenbeek Recordings
Ectomorph – Stalker
Jon Hassell - Listening to Pictures
Broeder Dieleman – Komma
Robyn – Honey
Alva Noto – Unieqav
Mouse on Mars – Dimensional People
The Black Dog - The Daisy Wheel
V/A - Don’t You Mess With Cupid, 'Cause Cupid Ain’t Stupid.

zondag 4 november 2018

新世紀エヴァンゲリオン | Neon Genesis Evangelion: Mecha als psychoanalyse



Ik heb eind jaren negentig een aantal keren in de videotheek twijfelend met de videoband van een van de Neon Genesis Evangelion-films in mijn handen gestaan. De beschrijving van een futuristische wereld met gevechten tussen robots en “Engelen” klonk mij uiteindelijk wat teveel als videogame-estorica in de oren en zo was het 20 jaar later. Uiteindelijk was het, denk ik, de juist keuze want zonder de serie (1995-1996) eerst te zien had het toch weinig nut gehad.

Die 26 afleveringen heb ik er inmiddels doorheen gejaagd. Een wonderbaarlijke trip. De serie werd in eerste instantie op een tijdstip voor kinderen uitgezonden en ik moest vaak denken hoe het is geweest om als 10-jarige hier mee te worden geconfronteerd. Onder het mom van vechtrobots presenteert Hideaki Anno een meerlagig verhaal vol esoterische symboliek, existentialistische vragen, fantasierijke technologieën en ambitieuze psychologie.



Als ik het goed begrijp werd de serie langzaam een cult om uiteindelijk door te stromen naar de Japanse mainstream en het lijkt erop alsof de makers zich bewust waren van het nieuwe publiek en hierdoor steeds extremer werden. Zo rond aflevering 16 worden beelden op een welhaast surrealistische manier grimmig en zoals bijna traditie is in de anime breekt uiteindelijk een psychedelisch moment aan (episode 19-20) waar de realiteit kraakt. Dit alles in hoog tempo, vol wonderbaarlijke beelden die je bijna niet kunt bijhouden, maar ook met twee beroemde lange scènes, waarin schijnbaar niets gebeurd, die totaal uniek zijn voor anime (de eerste bij het treinstation bijna klassiek Europees, de tweede niets minder dan mecha Antonioni.)

Dan nog had Anno een laatste verrassing achter de hand. De serie eindigt op beruchte wijze niet met een groots gevecht tussen goed en kwaad waarin alles wordt uitgelegd maar duikt brutaal in de psyche van de hoofdpersonen om de subjectieve worsteling met vaderfiguren, moeders, trauma’s, verlangens, angst, zelfbeeld, anima en animus in een wervelstorm van beelden uit te werken. Dit einde zou niet door iedereen in dank worden afgenomen. En uiteindelijk werd in 1997 een film uitgebracht, The End of Evangelion, die een alternatief einde presenteert (meer conventioneel naar het schijnt, ik moet de film nog zien.)



Wat het allemaal betekent weet ik nog niet. Neon Genesis Evangelion nodigt haast vanzelfsprekend uit tot uitgebreide exegese. In eerste instantie zie ik het als een uiterst ambitieuze poging om het proces van volwassenwording op complexe wijze te verhalen. Maar dat is een enkele laag. Anno put de kijker welhaast uit met vragen over evolutie, religie in een technologische maatschappij, de status van de mens, de relatie bewustzijn/ziel/lichaam en de toekomst van de mensheid.

Blijft een persoonlijke observatie over, mijn ongemak ten aanzien van het mecha-genre, of specifieker het fascisme van mecha. De bemande vechtrobot kan er niet aan ontsnappen. Altijd bestuurd door een uitverkorene die onder het mom van bescherming tegen buitenstaanders (hier de schijnbaar uit de fantasie van Max Ernst ontsproten ‘Engelen’, buitenaardse robots met een ambivalente missie) agressie kanaliseert en grof geweld mag inzetten, zonder oog te hoeven hebben voor zijn omgeving (steden en natuur worden in de confrontaties niet gespaard) puur exitus acta probat. Ik denk dat dit aspect Hayao Miyazaki tegenstond toen hij op achteloze wijze het werk van zijn leerling bekritiseerde in een amusante ontmoeting. Anno is zeker niet kritiekloos, zijn mecha verworden overduidelijk tot iets monsterlijks, maar niet iedereen beschikt over die subtiliteit en zodra mecha een oversteek maakt naar het Westen resulteert dit onvermijdelijk in desastreuze films als Pacific Rim. Kortom, een van die Japanse ideeën die niet correct te vertalen is.

zondag 21 oktober 2018

Paranoia Agent: het schizofrene medialandschap


Ik ben meer een film- dan een serieman maar ik moet aanvaarden dat een deel van de beste anime de vorm aanneemt van de televisieserie. En niet zonder reden. Wanneer de makers de vrijheid van animatie echt accepteren geeft de langere speelduur de mogelijkheid om echt los te gaan.



In 2004 werd Satoshi Kons 妄想代理人 (Paranoia Agent) uitgezonden, een jaar na zijn fenomenale film Tokyo Godfathers en twee jaar later gevolgd door zijn meest bekende film Paprika. Kon presenteert in dertien episoden een verhaal dat inderdaad compleet gebruik maakt van de vrijheid van anime: de realiteit van Tokio wordt vloeibaar, een psychisch decor. Het grote thema van Kon, de schizofrenie van het medialandschap keert terug in een duister verhaal over een serie gewelddadige aanvallen op straat door een tiener op rolschaatsen die een gebogen honkbalknuppel hanteert. Hij krijgt de bijnaam Shōnen Batto en wordt een legende/mediahype. Tegelijkertijd wordt vrij snel duidelijk dat de slachtoffers verlangen om door Shōnen Batto te worden aangevallen. Ze voelen zich om diverse redenen maatschappelijk in de hoek gedreven, ze zijn dakloos, leven een dubbelleven, moeten koste wat het kost populair op school zijn en willen bevrijd worden van hun angsten, paranoia en onzekerheid. In een lange beginscène laat Kon op prachtige wijze de oplopende druk zien van een hoogtechnologische maatschappij. In dat landschap kunnen trauma’s zich op nieuwe manieren manifesteren.



De gebroken psyche was al eerder door Kon gethematiseerd in zijn パーフェクトブル (Perfect Blue) en 千年女優 (Millennium Actress) en krijgt ook hier een centrale rol toebedeeld. In die zin werkte hij daadwerkelijk verder aan de ideeën van Philip K Dick, met een typisch Japanse invulling waarbij hij schakelt tussen genres en connecties maakt met bekende motieven (de superheld, kawai en de destructie van de metropool). Zelfs de productie van anime wordt tijdens een aflevering onderdeel van het verhaal.



Dit alles verteld op Japanse wijze, dat wil zeggen, zonder afgetekend goed en kwaad, pessimistisch maar met kleine verschijningen van magie en een aantal fascinerende digitale interfaces. Want ondanks de vooruitziende blik op technologie, de altijd aanwezige schoonheid, neonmelancholie, gedetailleerde soundtracks en schattigheid is dat uiteindelijk wat anime zo bijzonder maakt: het vertelt op nieuwe manieren verhalen die ertoe doen.

Volgende serie aan de beurt, dan toch eindelijk: 新世紀エヴァンゲリオン (Neon Genesis Evangelion).

zondag 30 september 2018

Een aanzet tot discussie over artificiële intelligentie?

Ik heb vaak genoeg zitten klagen over Nieuwsuur met zijn combinatie van populisme en doorgeefjournalistiek maar het lijkt er de laatste tijd op of er iets is aan het veranderden is. Eerst een korte serie items over cannabis die leek te breken met het gebruikelijke frame, nu gevolgd door een serie over een veel belangrijker onderwerp: artificiële intelligentie.



Wat me bevalt is dat de hoofdthema’s van A.I. op een serieuze manier kort worden samengevat voor een breed publiek. De VPRO beweegt zich al jaren graag op dit terrein maar verliest zich op een of andere manier te vaak op zijsporen met teveel aandacht voor kunstprojecten die afleiden van praktische vragen. Hopelijk blijft het niet bij deze aanzetten.



Toevallig kijk ik op het moment de tweede serie van Ghost in the Shell: Stand Alone Complex die soms op duizelingwekkende wijze al deze thema’s behandeld. Lange tijd was ik sceptisch over de serie, verwachtte ik dat de animatie en het verhaal van mindere kwaliteit zouden zijn dan de film uit 1995. Maar toen ik een paar jaar geleden de sprong waagde met het eerste seizoen (2002-2003) werd ik verrast door zowel de animatie als de complexiteit van het narratief. 2nd GIG (2004-2005) gaat hier gewoon verder mee. Er is een overkoepelend verhaal dat wordt afgewisseld met episodes over individuele leden van het Sector 9 team waarbij afgemeten gebruik wordt gemaakt van filmische en filosofische verwijzingen. Een groot deel van een aflevering kan zomaar worden gevuld door een filosofische discussie tussen de Tachikoma, intelligente tanks met superschattige stemmen, die altijd nieuwsgierig zijn naar de status van hun eigen bewustzijn (en in de eerste serie dan ook op een moment Deleuze & Guattari lezen.)



De makers maken compleet gebruik van de vrijheid van animatie om een buitengewoon gedetailleerde wereld te creëren. Elke aflevering is gevuld met uitgedachte stadslandschappen, geloofwaardige technologieën en cybernetische informatie die in de realiteit ingrijpt. Betere sciencefiction is er de afgelopen 20 jaar niet gemaakt. Het is dan ook een vreemde gewaarwording om 2nd GIG met een flinke vertraging te kijken omdat een aantal hedendaagse thema’s-de vluchtelingencrisis, (cyber)terrorisme, de neergang van American Empire (letterlijk zo genoemd)-een centrale rol spelen (gelukkig heeft WOIV nog niet echt plaatsgevonden.) De eerste serie over de Laughing Man, heeft trouwens eenzelfde effect met allerlei vooruitziende ideeën over meme’s (een stand alone complex is een soort megameme), activisme en het bespelen van (social)media.



De originele Ghost in the Shell film is inmiddels een onderwerp voor filosofische, sociologische en ethische analyse en discussie maar zo op het eerste gezicht is Stand Alone Complex vergeten, zijn er geen uitgebreide recaps of hoogdravende essays over geschreven. Wat jammer is omdat het uiteindelijk de ideeën van de film, wat onbevredigend als losstaande entiteit, verder uitwerkt. De serie is  minder bekend, maar 52 afleveringen met een grote informatiedichtheid vergen ook serieuze exegese. Een mooi “hopeloos” project voor de toekomst. Tot die tijd is het noodzakelijk dat het complete Ghost in the Shell universum de mainstream bereikt, of dat nu bij publieke omroep is of Netflix (waar alleen eenzaam de tweede film verkrijgbaar is.)