zondag 7 maart 2021

De sublieme clichés van Cyberpunk 2077

How I loathe to become accustomed to this grave, 

To be what I once was - that is all I crave. 

Bolesław Leśmian, “Why so many candles…” 



Onlangs keek ik de Italiaanse western Il Grande Silenzio (1968) en de climax van die film maakte me enorm bewust van de rol die clichés spelen en hoe wij als kijker zijn geconditioneerd om er door te worden gerustgesteld. Regisseur Sergio Corbucci koos ervoor om radicaal te breken met narratieve zekerheden en deed mij als kijker even ontzettend verlangen naar het “goede einde”. Terwijl ik mij langzaam liet onderdompelen in de game Cyberpunk 2077 moest ik weer denken aan de rol van clichés. Want de wereld van Night City is in bijna elk detail opgebouwd uit bekende elementen. Je kunt ze afvinken: rebelse hackers, controlestaat, geprivatiseerde politie, multiculturele stad met veel Aziatische invloeden, zaibatsu die de dienst uitmaken en onderling oorlog voeren, ruige buitenstaanders die hun mannetje staan op technisch gebied, de mens-machine compleet geaccepteerd, de directe verbinding van hersens met digitale data, het is allemaal herkenbaar en uitgewerkt in de korte periode tussen Blade Runner (1982) en de Sprawl-trilogie (1984 – 1988) van William Gibson. Wat maakt Cyberpunk 2077, een spel dat na verschijning vanwege de hype en een aantal bizarre bugs razendsnel werd afgekraakt en geridiculiseerd, dan toch tot een heerlijke ervaring? Zoiets als het sublieme cliché?


Cyberpunk 2077 behoort in de kern tot het genre van de adventure. Het spel staat in de traditie van The Hobbit (1982), Police Quest (1987) en Blade Runner (1997) waarbij je een verhaallijn dient te volgen en op bepaalde momenten keuzes dient te maken. De innovatie van Blade Runner bestond uit de verschillende manieren waarop je het spel kon uitspelen en soms mens, soms machine bleek te zijn. Bijna 25 jaar en tig delen van Grand Theft Auto later zijn de mogelijkheden enorm toegenomen. Cyberpunk 2077 is een open wereld, een gigantische metropool, inclusief woestijnachtige omgeving, waar je vrijelijk doorheen kunt bewegen, los van de verhaallijn die je tot actie beweegt. Wanneer je de sprong waagt, vormt dit al snel een tweede wereld in je leven, een virtuele wereld, ergens tussen realiteit en droom, waar je overdag naar smacht. Zelfs wanneer je de verhaallijn volgt schenkt Cyberpunk 2077 de speler een grotere vrijheid dan voorheen. Dat begint al bij aanvang wanneer je de keuze krijgt tussen drie kasten die grotendeels je persoonlijkheid vormen. Mijn personage V. begon als ‘corpo’ in een zaibatsu en tijdens gesprekken kan ze daardoor regelmatig terugvallen op een dwingende manier van spreken. Ik vermoed dat het grote verhaal aan een aantal gebeurtenissen is gehangen waar elke speler uiteindelijk aan moet geloven, maar de hoeveelheid keuzes in gesprekken en ook de manier waarop je je ontwikkelt aan de hand van klussen om te overleven, vormen een eigen verhaal. Vergeleken met een vriend die het spel heeft uitgespeeld, zijn we volstrekt anders uitgekomen, mijn verhaal met een intense maar tragische liefdesaffaire veel melancholischer dan het van hem en zelfs met gebruik van specifieke gedichten van onder andere Yeats, Szymborska en Leśmian. In die zin is Cyberpunk 2077 een grote stap richting het ultieme spel, de virtuele wereld van complete vrijheid, de definitieve onderdompeling. 


Wat de narratieve clichés naar een tweede plan duwt is de textuur van de wereld, het leven-in-de-wereld. Grafisch is de game helemaal in orde en kan mijn acht jaar oude laptop met Ubuntu het via Google Stadia makkelijk bijbenen, een buitengewone technische prestatie. De grens tussen digitaal en wat je perceptie gladstrijkt wordt effectief geslecht. Personages gebruiken verschillende gezichtsuitdrukkingen die tijdens gesprekken moeiteloos veranderen en de wereld is gevuld, met mensen en objecten. Interieurs zijn met zorg ontworpen, men heeft duidelijk nagedacht over architectuur, er is een klimaat en vooral licht. De stad wordt plotseling omhult door mist of gelig woestijnzand, de straten zijn bij zonsopgang verlaten en ‘s nachts spookt het. Visueel is Cyberpunk 2077 prachtig maar het klinkt nog beter. Het is gemaakt om te spelen met een koptelefoon waarbij de ruimtelijkheid volledig tot zijn recht komt. Op straat klinken stemmen in verschillende talen (Spaans, Japans en Russisch zijn het populairst), zowel binnen als buiten is geluid, van gebrom en druppels tot schermen met bizarre reclames en nieuwsuitzendingen, waaronder een item over het vluchtelingenprobleem in Scandinavië omdat Nederland is overstroomt. Geluid heeft ook de juiste impact, wanneer je de club Totentanz binnenloopt hoor je van ver de doffe beat die steeds duidelijker wordt naarmate je dichter bij de dansvloer komt. En dan is er de muziek. Niet alleen de ambientdrone die je bijna niet bewust waarneemt maar ook wat klinkt uit de autoradio’s, een overweldigende selectie op verschillende stations met dreigende electro (grotendeels te danken aan Nina Kraviz, die ergens in het spel nog een kliniek heeft), jazz (Miles, Coltrane, Mingus), techno, Aziatische pop, moderne rock en hiphop (Run the Jewels werkt hier geweldig.) Kortom, de wereld leeft. 


Het spel maakt het cyberpunkgenre tastbaar zoals nooit tevoren. En de timing is helemaal niet zo slecht als snobs doen geloven. Binnen de avant-garde van sciencefiction woedt al lange tijd de discussie of cyberpunk zijn retrofase is ingegaan en als verzameling van futuristische thema’s en motieven weinig meer te bieden heeft. Tegelijkertijd is cyberpunk steeds meer mainstream geworden waardoor veel onderdelen, vaak de meest oppervlakkige, eenvoudig zijn in te zetten in series en jeugdboeken. Cyberpunk is naturalistische fictie geworden. Het genre kwam op aan het begin van het neoliberalisme, de eerste contouren van dit gedrocht op speculatieve wijze uitvergroot. Neuromancer is onmiskenbaar een roman over de Reagan-jaren. Eigenlijk is 2021 een prima moment voor een tussentijdse samenvatting want neoliberalisme dendert gewoon door, ongetwijfeld in gemuteerde vormen maar we gaan er niet aan ontsnappen. Daarom zitten we ook vast aan cyberpunk. We pluggen ons brein misschien niet direct in een computer, maar dat is een detail. We zijn allang een innige relatie met onze informatiemachines aangegaan. De uitdijende stad, een terugdringende overheid behalve als het om controlemechanismen gaat, een melting pot, met een onderklasse en daarboven een vrij verkeer van abstract kapitaal, een informatiewereld die in het dagelijkse leven is verweven en steeds krachtiger wordt terwijl klimaatverandering langzaam maar zeker toeslaat. Gibson is onze Zola geworden. Cyberpunk 2077 vormt een aantrekkelijke hybride van adventure en shooter, gelinkt aan het entertainmentcomplex, met een aftiteling die een Hollywoodblockbuster doet verbleken maar ook met literaire pretenties die op de juiste, achteloze, manier worden gepresenteerd. De vraag is nu, willen we hier daadwerkelijk in leven of nog vechten voor een betere, saaiere wereld?

dinsdag 23 februari 2021

Daft Punk en het plezier van geluid


Eigenlijk reageerde ik in eerste instantie nonchalant op het nieuws dat de wegen van Daft Punk scheiden. Hoogstwaarschijnlijk betekent het dat ik onderbewust al mijn vermoedens had. Nooit afgemaakte gedachten over hoe nu verder na Random Access Memories, een plaat die niet te herhalen is, in zichzelf al een grandioos afscheid van een tijdperk, het Analoge Tijdperk, dat toen al achter ons lag. Hoe dan verder? Destijds vond ik dat Daft Punk zijn prog-kant moest uitwerken. Welcome to the machine, et cetera. En dat leek volgens tot nieuwsberichten gepromoveerde geruchten ook te gaan gebeuren met een soundtrack voor de aanstaande film van horrormaestro Dario Argento. Niemand die het blijkbaar echt heeft gecontroleerd.






Ik vermoed dat ze zijn uitgekeken op het project en je kunt inderdaad beter met een afgemeten discografie stoppen. Bangalter maakt al jaren interessante soundtracks waarop hij soms ouderwets van beukenstein gaat en Homem Christo is een verfijnde producer dus er is geen reden om te stoppen met muziek maken. En eerlijk gezegd was ik bang dat een volgend album een volstrekt Amerikaanse gelegenheid zou worden met gastbijdragen van Kanye en andersoortig autotune-paupers. Wat ik zo in de sportschool meekreeg heeft The Weeknd goed opgelet tijdens hun samenwerking en was het duo daarna niet meer nodig om de simulacrumpop ‘Blinding Lights’ te maken.

Dan doemen onvermijdelijk de volgende woorden op: het einde van een tijdperk. En dat is voorbij de reflex ook gewoon waar. Het tijdperk was echter al een tijd geleden geëindigd. De cultuur waar Daft Punk door werd gevormd, jaren ‘90 house, de rave, bestaat in zijn authentieke verschijning allang niet meer. Dit heeft Daft Punk zelf ook gerealiseerd, waarschijnlijk al in de aanloop naar Discovery (2001) waarna ze house-als-disco in andere vormen presenteerde: anime, conceptuele kunst, extravagante concertervaring, soundtrack en bestseller uit verloren tijden. Voorwaar, een fascinerende reeks. Nu rest de museumificatie van house, de concertzaal met zitstoelen, het tweede leven van de gamelicentie en de elegieën van Burial. De Daft Punkers hebben hun pensioen al geregeld en hoeven hun gehoor niet op te offeren in het nostalgiecircuit. Alleen Aphex Twin rest nog als een onberekenbare figuur, die met het verstrijken der jaren steeds meer op een legende zal lijken, de terugkeer van de koning.

Maar die melancholische bespiegelingen doen geen recht aan de muziek van Daft Punk. Want Daft Punk ging vooral over plezier. Plezier in geluid, in eerste instantie de extase van de loop—de glorieuze spiraal van ‘Around the World’, de machinale dreun van ‘Alive’, dat riedeltje in Armand van Heldens remix van ‘Da Funk’—het moment op de dansvloer dat eeuwig mag duren. Daarna met Discovery het bouwen van een fantasiewereld met geluid, vol verrassingen, inventiviteit, valse herinneringen, ongegeneerd romantisch, dan weer melancholisch. Een waar chef d'oeuvre. Alleen The Avalanches zijn in staat gebleken om deze ambitie te volgen waar dansmuziek droomt. Dat plezier komt in deze vorm, met zijn specifieke verwijzingen, met een complete anime in jaren zeventig-stijl, niet meer terug voor iemand van mijn leeftijd die dezelfde cultuur als Daft Punk in een veel overzichtelijkere mediaconstellatie heeft meegemaakt. Het archief wacht, de onvermijdelijke onderdompeling in de lege geneugten van het entertainmentcomplex en dan uit het niets een glimlach als ik me herinner hoe de herkeningsmelodie van ‘Music Souds Better With You’ opdoemt om plotseling te fuseren met de bas van ‘Together’ terwijl de robotpakken rood oplichten. One More Time.

zaterdag 23 januari 2021

The Ministry of the Future | Vuile handen voor een groene toekomst

 

Aangezien klimaatverandering de mensheid de komende decennia (eeuwen?) zal bezighouden is het geen overbodige luxe om de fantasie aan te spreken. Het onbekende tastbaar maken, dat is een prachtige klus voor de sciencefictionschrijver. Weinig schrijvers zijn zo doortastend in het doordenken van toekomstscenario’s als Kim Stanley Robinson. De kolonisatie van Mars, een alternatieve wereldgeschiedenis zonder Europeanen, de praktijk van ruimtereizen op lange afstanden en het leven in een metropool wanneer de zeespiegel is gestegen, Robinson beschrijft dit alles in zijn boeken op overtuigde wijze. Dat deze kenner van progressieve politiek (hij studeerde onder Frederic Jameson, aan wie het boek is opgedragen) zich zou richten op klimaatverandering was eigenlijk onvermijdelijk, want klimaatverandering verbindt vrijwel alle grote politieke vragen die er tegenwoordig toe doen: bestaat er een alternatief voor kapitalisme? Wat te doen met vluchtelingen? Met welke erfenis kun je volgende generaties opzadelen? En hoe richt je een rechtvaardige globalistische samenleving in? Het ambitieuze The Ministry of the Future probeert hier in 563 bladzijden antwoorden op te vinden.

Literair gezien is het boek helaas geen hoogvlieger. De eerste 100 pagina’s lezen als een manuscript dat nog moet worden bijgeschaafd, met veel korte zinnen en houterige dialogen, alsof Robinson ongeduldig naar de didactische kern van zijn boek verlangde en snel de setting moest neerzetten. Pas tegen het einde gunt hij zijn hoofdpersoon een lang afscheid dat niet meer wordt gedreven door de ideeën. In die zin is het een hele ouderwetse SF-roman waar de ideeën de literaire vorm overheersen, een balans die sciencefictionschrijvers de afgelopen 50 jaar met moeite hebben proberen te veranderen, misschien niet altijd even enthousiast ontvangen door lezers van het genre, al heeft het op de lange termijn zijn vruchten afgeworpen waardoor sciencefiction ook interessant werd voor meer conventionele auteurs. Als je er een positieve draai aan wilt geven is The Ministry of the Future een soort fictieve non-fictie, een hybride die wetenschappelijke en technologische onderwerpen toegankelijk maakt met behulp van narratief. Fantasie is nodig om scenario’s te bedenken die realistisch aanvoelen en laten zien welke gevolgen bepaalde beslissingen kunnen hebben. Het overkoepelende narratief wordt dan ook aangevuld met kleine hoofdstukken die de vorm hebben van memo’s, transcripties en vermakelijke subjectieve omschrijvingen door bijvoorbeeld chemische processen.

The Ministry of the Future begint met de beschrijving van een dodelijke hittegolf in India. Deze ramp zet alles in beweging. Terwijl India op radicale wijze probeert een herhaling te voorkomen en geen zin heeft om op de rest van de wereld te wachten, richten de Verenigde Naties in 2025 een organisatie op die zich inzet voor de rechten van toekomstige generaties. Vanuit Zurich probeert het “ministerie” onder leiding van de Ierse Mary Murphy op allerlei manieren de stijging van de mondiale temperatuur en daarbij horende zeespiegel tegen te gaan. Een oplossing wordt gezocht in het vastzetten van de schuivende ijsplateaus in Antarctica terwijl Murphy met haar team vanuit het kalme Zwitserland probeert om de wereldeconomie te hervormen.

De omschrijvingen van de negatieve gevolgen van klimaatverandering zijn inlevend en deprimerend. Als waarschuwing werkt The Ministry of the Future vrij effectief. Robinson presenteert een groot aantal oplossingen die in theorie mogelijk zouden moeten zijn, al is het bijvoorbeeld moeilijk te geloven dat financiële instellingen, zelfs als het water iedereen aan de mond staat, hiermee zullen instemmen zoals ze hier uiteindelijk overstag gaan. Om de veranderingen te laten plaatsvinden en aan te tonen dat een andere toekomst mogelijk is, moeten bepaalde personages beslissingen nemen die ik ze in het echte leven lastig zie maken. Wat tijdens het lezen regelmatig tot de conclusie leidt dat de toekomst er zeer donker uitziet. Maar goed, het nut zit hem juist in het denken over oplossingen, het inspireren en dat is een lovenswaardig streven.

Wat The Ministry of the Future zonder twijfel een uniek karakter geeft, is de manier waarop het—zonder een duidelijke morele afwijzing van de auteur—een taboe-onderwerp bespreekbaar maakt, namelijk de rol van geweld in de bestrijding van klimaatverandering. Al vroeg wordt in India de ecoterroristische organisatie Children of Kali opgericht die koppige tegenstanders van verandering uit de weg ruimen. Wanneer de maatregelen van het ministerie in eerste instantie te weinig opleveren twijfelt Murphy over haar wettelijke slagkracht. Robinson laat knap in het midden of het ministerie een ondergrondse tak krijgt om op illegale wijze sabotage uit te voeren en mogelijk als doodseskader functioneert, zonder dat Murphy hier echt vanaf weet zodat ze geruchten altijd geloofwaardig kan ontkennen. Onvermijdelijk leidt dit tot tegenaanslagen op het ministerie. Het is uiteindelijk de uitvinding van de, niet eens zo vergezochte, pebble mob missile, een goedkope zwerm AI-drones, overal ter wereld ingezet om elkaar het leven zuur te maken, die eigenlijk de grote doorbraak forceert omdat het de militaire machtsverhoudingen compleet egaliseert (en bijvoorbeeld mogelijk maakt om elke tanker tot zinken te brengen.) 
 
Wellicht is dat Robinsons meest realistische boodschap, dat ondanks de overdaad aan goede bedoelingen en utopische bespiegelingen, klimaatverandering niet kan worden tegengehouden zonder vuile handen te maken. Het is duidelijk dat kapitalisme uit zichzelf geen betere toekomst kan bewerkstelligen. Fossiele brandstoffen hebben de motor van kapitalisme in beweging gezet en houden deze in een monsterlijk militair-industrieel complex draaiende. Om het tot de laatste druppel olie en brok steenkool te laten uitrazen is onmogelijk. Robinson maakt ons duidelijk dat verleiding met mooie ideeën over schone energie, groene steden, biologische productie en individuele goede werken waarschijnlijk tekort zullen schieten. Een nieuwe vorm van vals bewustzijn met desastreuze gevolgen voor iedereen.

dinsdag 29 december 2020

Het neoliberale virus


“Why don't we just wait here for a little while, see what happens?”

Lang heb ik covid-19 hier genegeerd. Ik wilde de hot takes laten verdampen en heb tot nu toe alleen voor Metropolis M een bescheiden artikel over de rol van het virus in sciencefiction geschreven. Al is hierin al veel verwerkt van wat ik kwijt wilde: vertrouw op jezelf, zoek naar onverwachte positieve veranderingen en houd het klein. De tekst is achteraf gezien het product van fietstochten door het centrum van Amsterdam, plotseling verlaten, zowel futuristisch als de stad van mijn kindertijd, verdwenen betekenissen opeens weer zichtbaar, de magie van film bijna tastbaar. Er was in die eerste paar maanden van onzekerheid een moment van hoop, met zowaar semi-mainstream analyses over een alternatieve samenleving voorbij kapitalisme in zijn spectaculaire fase. En de verleiding was vanzelfsprekend groot om hier vol enthousiasme aan mee te doen.

Ik vond enige terughoudenheid op zijn plaats om vrolijk over lijken te speculeren hoe een betere samenleving eruit moet zien, maar ik vermoed dat ik al snel aanvoelde dat covid-19 de sluier van het neoliberalisme rukte en zijn kille machinaties compleet zichtbaar heeft gemaakt. Nergens meer dan in Nederland waar een soort talibaan het neoliberalisme tot het bittere eind in stand zal houden en veranderingen gaat tegenwerken. Calvinisme heeft de Nederlandse volksaard gevormd, zelfs katholieken, fascisten, atheïsten, punkers en vooral socialisten ontkomen hier niet aan (...en ja, ik ben zelf natuurlijk een hybride-Calvinist.) Er zijn periodes geweest—de jaren ‘20, de jaren ‘64-’74 en de jaren ‘90 van de vorige eeuw—waarin Nederlanders zich leken te ontworstelen aan dit juk, om door grote gebeurtenissen te worden teruggeworpen. Waar we veel te laat zijn achtergekomen is dat de, zeg maar meer aardse, Calvinistische deugden van continue spaarzaamheid, een ambivalente hang naar matigheid en morele superioriteit perfect aansluiten op de economische mythe van het neoliberalisme.

Het coronabeleid is vanaf de eerste televisiespeech van Rutte gestuurd vanuit de neoliberale gedachte, waarin extra collectieve kosten zoveel mogelijk moeten worden vermeden. Dit met hulp van een polder Lysenko die zijn adviezen richtte op een gecontroleerd verspreiden van het virus, wat ook mooi past in de Calvinistische grondhouding en daar uitvloeiende kijk op zorg (een beetje lijden is niet erg, de natuur zijn gang laten gaan en neem maar een paracetamol tegen de pijn.) Geen strenge lockdowns, geen vervelende controles op Schiphol, geen investering in beschermingsmateriaal. Hopen op natuurlijke immuniteit (die al snel van tijdelijke aard bleek te zijn), we kunnen tegen een stootje en meer impliciet vanuit de overheid maar via de omweg van sympathiserende opiniemakers: wie te oud is heeft een mooi leven gehad en moet niet zeuren, chronisch zieken zijn eigenlijk ook maar een vervelende kostenpost voor de maatschappij en zo komt de B.V. Nederland redelijk ongehavend door deze crisis. In die zin was corona geen golf maar een tij, eb om precies te zijn, en wat zichtbaar werd is niet fraai, een maatschappij waar zonder blikken of blozen wordt gesproken over wie het recht heeft om te leven en mag sterven ter meerdere glorie van de economie.

Er is in de Nederlandse politiek geen gedachte besteedt aan een mogelijke systemische verandering, ook niet door de overgrote meerderheid van de oppositie. Voor de zittende partijen overigens zonder enige consequenties. In tegendeel, dankzij een pers die, enkele uitzonderingen daargelaten (namelijk Pieter Klein, Jan Kleinnijenhuis, Jop de Vrieze en Milena Holdert), als herauten van de macht opereren, is er geen serieuze tegenmacht meer, enkel een entertainment-opinie-doorgeefluik dat de gevestigde orde op fanatieke wijze beschermd. Covid-19 is de laatste slag geweest waarmee de burger is geïndividualiseerd, teruggeworpen op eigen keuzes waarbij niet gerekend hoeft te worden op solidariteit en ressentiment zorgvuldig wordt gecultiveerd. They win by making you think you’re alone.

Doordat een alternatief geen kans krijgt om zich te manifesteren dreigt de parlementaire politiek zich definitief te vervreemden van de burger. Ik begon het jaar met speculaties over het komende decennium aan de hand van drie thema’s. Politiek gezien is een trage overgang naar een pseudo-fascisme in 2020 dichterbij gekomen en ik zie op het moment geen enkele serieuze tegenbeweging die dit kan pareren. De economische klappen veroorzaakt door covid-19 zullen zonder twijfel worden opgevangen met langdurige bezuinigingen en een hernieuwd offensief om met de continue inzet van xenofobie de aandacht hiervan af te leiden. De grote winnaar is daarnaast het entertainmentcomplex dat ondanks gesloten bioscopen en concertzalen online moeiteloos kon doorgroeien terwijl de culturele sector klap na klap moest incasseren. Na bosbranden groeien nieuwe bloemen, maar de vraag is hoe levensvatbaar ze zullen zijn, hoe elke artiest, instelling, theater ook zal worden gedwongen om als individuele entiteit te overleven. Het zou me niets verbazen dat wanneer we over een aantal jaar terugkijken 2020 het kantelpunt bleek te zijn in de gamificatie van de cultuur, een versnelling richting de virtuele cocon.




De bovenstaande tekening van corona als een golf met daarachter recessie en klimaatverandering als nog grotere golven verscheen al vroeg in de pandemie en is daarna talloze keren gedeeld en gemodificeerd (onder andere met een vierde golf Biodiversity collapse.) Terecht, omdat het op heldere wijze laat zien wat ons te wachten staat en tegelijkertijd duidelijk maakt hoe desastreus de generale repetitie is geweest. Er is op politiek niveau weinig tot geen internationale samenwerking geweest en West-Europese landen hebben structureel geweigerd om werkende strategieën over te nemen van Aziatische landen. Als dit bij een snel bewegende pandemie niet gebeurt, gaat dit voor een trage ramp als klimaatverandering ook niet veranderen, totdat het veel te laat is. Natuurlijk bestaan er nog steeds veel positieve klimaatprojecten op verschillende niveaus, maar er is geen synergie, een cultuur die de vaak individuele inspanningen bindt en richting geeft. Er is een flauwe hoop dat de Amerikanen hun can-do-mentaliteit terugvinden onder een vriendelijke Uncle Joe. De scherpste kantjes van het Trumpisme zullen verdwijnen, het akkoord van Parijs wordt weer geaccepteerd, de geldstromen richting neofascistische partijen in Europa grotendeels opdrogen, maar wie realistisch is zal moeten rekenen op een zachtere versie van het neoliberalisme, ook omdat een alternatief als een Green Deal op allerlei manier gaat worden tegengewerkt.

Wanneer de zaken zo vastzitten en voorspelbaar lijken, wordt vreemd genoeg de kans groter dat een factor x verschijnt. Dat wat we niet zien aankomen. Covid-19 is dit tot op zekere hoogte, al was het in kringen van virologen allang aangekondigd. Maar de gedachte dat iets een grotere impact zal moeten hebben dan een mondiaal virus is intimiderend. Zelfs als het iets positief is, en hier word ik weer sciencefictionschrijver, zal het onze levens onherkenbaar veranderen. Tot dan is het overleven, alleen.

maandag 21 december 2020

The Avalanches - We Will Always Love You: Poëtica van de ruimte

Als ik een cultuurpessimist was zou ik iets stellen als: vroeger verschenen albums als een plotse gift, nu volgen we het complete proces via Instagram. Al snel na de Wildflower-tournee maakte The Avalanches duidelijk dat ze vol goede moed in de studio waren gedoken voor een derde album. En inderdaad was het mogelijk om via Instagram de productie in bijna al zijn facetten te volgen, het resultaat te zien van uitstapjes naar Tokio om mogelijk samplemateriaal te kopen en teasers te horen van wat uiteindelijk We Will Always Love You zou worden. Een opulent album, zelfs voor Avalanches begrippen. Een speelduur van meer dan 70 minuten. Talloze gastbijdragen, 25 nummers, supergedetailleerd en met een sfeer die steeds beweegt tussen melancholie en euforie. Lastig te plaatsen en door zijn ambivalentie in eerste instantie misschien minder makkelijk op te zetten dan de voorgangers, een positieve plaat maar ergens ook zwaar door de grote gebaren over verloren liefdes.

Wat al snel opvalt is dat de klassieke opbouw, die van de reis, is behouden. Er is een weifelend begin waarna alles op stoom komt, hier met een vrijwel onherkenbare Perry Farrell op de gediscoficeerde heliolatrie “Oh the Sunn!”. Daarna is het hit na hit met als zorgvuldig geplaatste piek ‘Running Red Lines’, nu al de klassieke popsong, om vervolgens de ruimte te pakken en stijlvol uit te doven. Een plaat van de 21ste eeuw—een Grote Plaat zonder twijfel, alleen al de opbouw en versnelling van ‘Wherever You Go’ is buiten categorie—die allerlei bruggen slaat tussen de muzikale innovaties van de jaren ´90 en, naar ik vermoed, excentrieke jaren ‘70 albums van vergeten artiesten die in de nasleep van psychedelica de relatie tussen individu en kosmos verkenden.

Vooraf maakte ik me enigszins zorgen over het aantal gastzangers, totdat ik mijn eigen stuk over Wildflower terug las waarin werd opgemerkt: “Gastzangers, vooraf een problematisch concept, worden moeiteloos in de geluidswereld geplaatst als lange “zelfverzonnen” samples en leiden nooit af (op zich een prestatie van formaat.)” En dit geldt ook weer voor We Will Always Love You, het is de grote “truc” van The Avalanches: samples natuurlijk laten klinken, zangers laten klinken als samples. Met zijn spookachtige echofluister is Tricky hier een meester in, ook Mick Jones doet eigenlijk niet meer dan een refrein meezingen, maar precies met de juiste vrolijke intonatie en variatie. Aan de andere kant wordt het toch redelijk bekende ‘Eye in the Sky’ van Alan Parsons Project prominent ingezet zonder dat ik het de eerste luisterbeurten als zodanig herkende. Sampledelia van de hoogste orde.

 

Wat maakt We Will Always Love You dan toch anders dan de twee illustere voorgangers? Het is denk ik hun meest Daft Punkachtige plaat, 'Born to Lose' had niet misstaan op Discovery en de efficiënte extase van 'Music Makes Me High' zou bijvoorbeeld een verloren Roule-release kunnen zijn. De "alles wat ik op de radio vind, past in mijn loops" sfeer doet me dan weer denken aan het FM-anarchisme van de vroege Moodymann. Maar uiteindelijk, omdat ze sterke artiesten zijn, is het onmiskenbaar The Avalanches, niemand kan een sample-loop laten opkomen zoals zij. En het is de plaat waar de "Pacifische sound" van The Avalanches nog duidelijker wordt ingezet. Je hoort een bepaalde oceanische ruimtelijkheid waarin geluiden wegsterven. De Polynesische cadans waarmee ze 'Gold Sky' lanceren, de reverb op een piano, stemmen op het mythische kerstfeest-op-het-strand passen allemaal in deze associatieve ruimte. Intieme immensiteit als popmuziek.

Radiosignalen als eeuwig leven. De dans als medicijn. Pacific State. Het oude einde van de wereld, waar water overgaat in overleden sterrenlicht.

woensdag 9 december 2020

Kruder & Dorfmeister - 1995: een zorgeloze toekomst


Als van een ster die al lichtjaren eerder is uitgedoofd werd er in Augustus voor het eerst in lange tijd een levensteken ontvangen van Kruder & Dorfmeister, het Weense triphop duo dat de jaren negentig in stijl afsloot. Een nieuwe single ‘Johnson’ met stemmige videoclip trok even de aandacht en verdween vrijwel direct van de aandachtsradar. En dan is er toch opeens een compleet album, met het vertrouwde G-Stone symbool en al. In de albumtekst wordt het verhaal uit de doeken gedaan over album dat in 1995 ongeveer gereed was en waarvan een tiental testpersingen werden uitgedeeld aan vrienden en bekenden (ik wil graag geloven dat een daarvan Helmut Lang was, hier op de hoes bedankt, zodat we misschien ooit ontdekken dat de muziek is gebruikt tijdens een van zijn modeshows.) Om vervolgens te worden vergeten nadat de roem toesloeg. De DAT-tape werd decennia later in een doos van de studio teruggevonden waarna de herenigde Kruder & Dorfmeister met hervonden energie begonnen aan een restauratieproces wat uiteindelijk resulteerde in 1995.

 


Is het verhaal waar of een tot in detail uitgewerkt concept, inclusief Polaroid en in ere gehouden testlabel? Het maakt weinig uit, allebei hebben hun charme. Beide heren waren notoire stoners dus in combinatie met het ritme van het DJ-leven is enige vergeetachtigheid voor te stellen. Maar een heel album aan muziek vergeten? Zeker wanneer een paar jaar later op het hoogtepunt van hun populariteit wordt uitgekeken naar een echt debuutalbum. Het blijft een vreemd verhaal. Toch heb ik een voorkeur voor de legende van de verloren DAT. Het biedt namelijk de mogelijkheid voor een uniek (luister)experiment.

Want wat betekent een nieuwe K&D in 2020 als puur nieuwe muziek? Weinig tot niets. Kruder & Dorfmeister werden gelinkt aan de kortstondige lounge-hype, ik heb geen idee wie van de Weense scene nog muziek maakt, Mo' Wax is inactief en de sociale component, met zijn stemmen en gelach, die zo essentieel was voor de muziek (de bar, coffeeshop, Kaffeehaus) is momenteel stil. Maar de waarde, los van de prettige muziek, is meer voor de doordenkers. Heeft muziek een aura? Is dat verbonden met de tijd waarin het gemaakt is? Kun je dat horen? Kun je inbedding in een cultuur horen? Is het anders dan een plaat uit 1995 in de tweedehandsbakken ontdekken die je toevallig nooit had gehoord?

1995 biedt op het eerste gehoor weinig verrassingen. Het is zonder enige twijfel een Kruder & Dorfmeister-plaat, met dat karakteristieke mengsel van hiphop-beats, dubecho´s en jazzy melodieën. Wat me vooral verbaast is dat het geen nostalgie oproept. Ergens had ik verwacht te worden getransporteerd naar 1995, of iets minder dramatisch, dat de muziek bepaalde associaties zou los wrikken uit mijn herinneringen. Er is dus geen mystiek moment, geen ingang tot een parallel universum. 1995 is op een andere manier vervreemdend, de muziek hoort nergens thuis, niet in het heden—het sociale opgeheven door de plaag, de popmedia vrijwel gedecimeerd en anders gedesinteresseerd—niet in 1995 en waar het thuis had moet horen, in 2000 als goed getimede opvolger van The K+D Sessions (1999), bevindt het zich al helemaal niet.

Een compleet losgezongen muziek, wat een vreemd lot. En toch draai ik de plaat al een week met veel gemak. Dat is niet veranderd, je kunt Kruder & Dorfmeister altijd opzetten, het stoort nooit, heeft een laag verzadigingspunt en kalmeert op stijlvolle wijze. Soms, wanneer de saxofoon wordt gehanteerd, is het te glad als een jaren '80 reclame en het beste blijven Kruder & Dorfmeister wanneer ze genarcotiseerd klinken zoals op het sensueel wazige ‘Morning’ en het lange ‘One Break’ dat loom begint en geduldig evolueert tot een opgewekte jungle-track die onmiskenbaar klinkt als 1995. Er heeft altijd een melancholische schaduw gehangen over de muziek van Kruder & Dorfmeister, de magische tweede kant van Sessions, de tweede helft van DJ-Kicks, Peace Orchestra als medicijn voor de ziel. De melancholie van de blower, zeker. Hier ook heel soms aanwezig, maar over het algemeen is dit een opgewekte plaat uit een onbezonnen tijd, voor de makers, maar ook 1995 in zijn algemeen. Dat is uiteindelijk wat je wel hoort, een zorgeloze toekomst.


zondag 18 oktober 2020

10 jaar op Tumblr

Deze maand is het tien jaar geleden dat ik met Tumblr begon, mijn eerste wat achteloze stappen in de wereld van social media (een term die volgens mij destijds nog niet bestond.) Sindsdien heb ik elke dag trouw iets gepost, automatisch van een wachtrij, wat me de beste manier leek om een bepaalde discipline te bewaren. Heeft het nut gehad die tien jaar op het arty, meer introverte sociale netwerk, dat nooit echt is doorgebroken en gelukkig vaak vergeten wordt?

Allereerst op direct praktisch niveau bood Tumblr, na het saboteren van de advertenties, een rustgevende ervaring. Na het bekijken van de afbeelding die ik meestal maanden eerder had geselecteerd, volgen 10-15 minuten scrollen door mijn timeline, half-oplettend totdat je misschien gegrepen wordt door een beeld. In tegenstelling tot andere social media die de projectie van het ego voorstaan, heeft Tumblr meer de vorm van een egoloze dagdroom gevuld met willekeurige foto’s, illustraties, kunstwerken of een verdwaalde gif. Geen verplichtingen, geen interacties behalve de goedkeurende hattip van de reblog of like, geen nut ook, binnen het kader van de opgevoerde verkoop-jezelf aandachtseconomie.

Wat niet betekent dat het plezier van de ontdekking, een esthetische herkenning, compleet nutteloos is. Er zijn kleine momenten van inspiratie die soms uitgroeien tot een echte fascinatie, bijvoorbeeld met Lee Miller of ukiyo-e. Menig screenshot heeft me aangezet om een onbekende film te kijken (er bestaat zoiets als de Tumblr-waardige film, zie het oeuvre van Éric Rohmer) en misschien heeft het zich op sluipende manier verankerd als een esthetische levensstijl. In die zin is je Tumblr, wanneer je deze zorgvuldig vult, een eerlijke blik in jezelf, niet zozeer je diepste wezen, als meer de ware lappendeken van verlangens, voorkeuren en herinneringen.


In bredere zin heeft het me bewust gemaakt hoe oneindig groot “het archief” is. Ik ben geboren in een beeldcultuur die maar bleef uitdijen met games, anime, reclames, MTV en uiteindelijk internet zelf. Een kosmos van beelden die je niet kunt bevatten. Zelfs de niche waar ik zelf met scans van The Face, i-D en L’Uomo Vogue het meest aan heb bijgedragen, die van jaren ‘90 stijl en mode, draaiend om de dubbelster Helmut Lang en Martin Margiela, blijft verrassingen aandragen. En fascineren. Wat maakt immers een foto, een gezicht, een jurk, een bepaald licht, een kleur, zo onmiskenbaar onderdeel van een tijdperk?

Waar eindigt het? Ik heb mezelf ooit vagelijk voorgenomen om te stoppen met Tumblr zodra mijn wachtlijst leeg is, maar ik ben in al die jaren niet onder 24 posts gekomen. Maar dat zou wel bij Tumblr passen, dat je er op een dag achterkomt dat er geen nieuwe post verschijnt op je eigen pagina.