zondag 21 oktober 2018

Paranoia Agent: het schizofrene medialandschap


Ik ben meer een film- dan een serieman maar ik moet aanvaarden dat een deel van de beste anime de vorm aanneemt van de televisieserie. En niet zonder reden. Wanneer de makers de vrijheid van animatie echt accepteren geeft de langere speelduur de mogelijkheid om echt los te gaan.



In 2004 werd Satoshi Kons 妄想代理人 (Paranoia Agent) uitgezonden, een jaar na zijn fenomenale film Tokyo Godfathers en twee jaar later gevolgd door zijn meest bekende film Paprika. Kon presenteert in dertien episoden een verhaal dat inderdaad compleet gebruik maakt van de vrijheid van anime: de realiteit van Tokio wordt vloeibaar, een psychisch decor. Het grote thema van Kon, de schizofrenie van het medialandschap keert terug in een duister verhaal over een serie gewelddadige aanvallen op straat door een tiener op rolschaatsen die een gebogen honkbalknuppel hanteert. Hij krijgt de bijnaam Shōnen Batto en wordt een legende/mediahype. Tegelijkertijd wordt vrij snel duidelijk dat de slachtoffers verlangen om door Shōnen Batto te worden aangevallen. Ze voelen zich om diverse redenen in de maatschappelijk in de hoek gedreven, ze zijn dakloos, leven een dubbelleven, moeten koste wat het kost populair op school zijn en willen bevrijd worden van hun angsten, paranoia en onzekerheid. In een lange beginscène laat Kon op prachtige wijze de oplopende druk zien van een hoogtechnologische maatschappij. In dat landschap kunnen trauma’s zich op nieuwe manieren manifesteren.

 

De gebroken psyche was al eerder door Kon gethematiseerd in zijn パーフェクトブル (Perfect Blue) en 千年女優 (Millennium Actress) en krijgt ook hier een centrale rol toebedeeld. In die zin werkte hij daadwerkelijk verder aan de ideeën van Philip K Dick, met een typisch Japanse invulling waarbij hij schakelt tussen genres en connecties maakt met bekende motieven (de superheld, kawai en de destructie van de metropool). Zelfs de productie van anime wordt tijdens een aflevering onderdeel van het verhaal.



Dit alles verteld op Japanse wijze, dat wil zeggen, zonder afgetekend goed en kwaad, pessimistisch maar met kleine verschijningen van magie en een aantal fascinerende digitale interfaces. Want ondanks de vooruitziende blik op technologie, de altijd aanwezige schoonheid, neonmelancholie, gedetailleerde soundtracks en schattigheid is dat uiteindelijk wat anime zo bijzonder maakt: het vertelt op nieuwe manieren verhalen die ertoe doen.

Volgende serie aan de beurt, dan toch eindelijk: 新世紀エヴァンゲリオン (Neon Genesis Evangelion).

zondag 30 september 2018

Een aanzet tot discussie over artificiële intelligentie?

Ik heb vaak genoeg zitten klagen over Nieuwsuur met zijn combinatie van populisme en doorgeefjournalistiek maar het lijkt er de laatste tijd op of er iets is aan het veranderden is. Eerst een korte serie items over cannabis die leek te breken met het gebruikelijke frame, nu gevolgd door een serie over een veel belangrijker onderwerp: artificiële intelligentie.



Wat me bevalt is dat de hoofdthema’s van A.I. op een serieuze manier kort worden samengevat voor een breed publiek. De VPRO beweegt zich al jaren graag op dit terrein maar verliest zich op een of andere manier te vaak op zijsporen met teveel aandacht voor kunstprojecten die afleiden van praktische vragen. Hopelijk blijft het niet bij deze aanzetten.



Toevallig kijk ik op het moment de tweede serie van Ghost in the Shell: Stand Alone Complex die soms op duizelingwekkende wijze al deze thema’s behandeld. Lange tijd was ik sceptisch over de serie, verwachtte ik dat de animatie en het verhaal van mindere kwaliteit zouden zijn dan de film uit 1995. Maar toen ik een paar jaar geleden de sprong waagde met het eerste seizoen (2002-2003) werd ik verrast door zowel de animatie als de complexiteit van het narratief. 2nd GIG (2004-2005) gaat hier gewoon verder mee. Er is een overkoepelend verhaal dat wordt afgewisseld met episodes over individuele leden van het Sector 9 team waarbij afgemeten gebruik wordt gemaakt van filmische en filosofische verwijzingen. Een groot deel van een aflevering kan zomaar worden gevuld door een filosofische discussie tussen de Tachikoma, intelligente tanks met superschattige stemmen, die altijd nieuwsgierig zijn naar de status van hun eigen bewustzijn (en in de eerste serie dan ook op een moment Deleuze & Guattari lezen.)



De makers maken compleet gebruik van de vrijheid van animatie om een buitengewoon gedetailleerde wereld te creëren. Elke aflevering is gevuld met uitgedachte stadslandschappen, geloofwaardige technologieën en cybernetische informatie die in de realiteit ingrijpt. Betere sciencefiction is er de afgelopen 20 jaar niet gemaakt. Het is dan ook een vreemde gewaarwording om 2nd GIG met een flinke vertraging te kijken omdat een aantal hedendaagse thema’s-de vluchtelingencrisis, (cyber)terrorisme, de neergang van American Empire (letterlijk zo genoemd)-een centrale rol spelen (gelukkig heeft WOIV nog niet echt plaatsgevonden.) De eerste serie over de Laughing Man, heeft trouwens eenzelfde effect met allerlei vooruitziende ideeën over meme’s (een stand alone complex is een soort megameme), activisme en het bespelen van (social)media.



De originele Ghost in the Shell film is inmiddels een onderwerp voor filosofische, sociologische en ethische analyse en discussie maar zo op het eerste gezicht is Stand Alone Complex vergeten, zijn er geen uitgebreide recaps of hoogdravende essays over geschreven. Wat jammer is omdat het uiteindelijk de ideeën van de film, wat onbevredigend als losstaande entiteit, verder uitwerkt. De serie is  minder bekend, maar 52 afleveringen met een grote informatiedichtheid vergen ook serieuze exegese. Een mooi “hopeloos” project voor de toekomst. Tot die tijd is het noodzakelijk dat het complete Ghost in the Shell universum de mainstream bereikt, of dat nu bij publieke omroep is of Netflix (waar alleen eenzaam de tweede film verkrijgbaar is.)

vrijdag 21 september 2018

Aphex Twin - Collapse: vruchtbare puinhoop

Dat de effectieve reclamecampagne met het 3D Aphex Twin-logo uiteindelijk bedoeld was om een E.P. met vier tracks (vijf op cd) onder aandacht te brengen, heeft menigeen verbaasd. Nu kondigt een E.P. maar al te vaak een album aan maar nu ik Collapse eindelijk heb gehoord, ben ik ervan overtuigd dat het als een eigen entiteit moet worden beschouwd. De muziek op Collapse kon niet anders dan een E.P. vormen, de muziek is zo rijk -aan detail, wendingen en ritmiek- dat je als luisteraar na vijf nummers verzadigd bent. Ik denk niet dat ik de aandacht zou kunnen vasthouden bij een album gevuld met dit soort tracks.


Wat Richard James hier presenteert is zonder twijfel indrukwekkend vanuit technisch perspectief. Hier is een grootmeester aan het werk die zijn apparaten compleet beheerst. Ritmes verspringen, stemmingen schuren tegen elkaar, wonderschone melodieën verschijnen en verdwijnen om niet meer terug te keren. Aphex Twin hoeft duidelijk niet meer rekening te houden met de dansvloer. Dat betekent dat de 4/4 maat bijna afwezig is en herhaling er ook niet meer toe doet. Techno is nu een avontuur vol wendingen en verrassingen, de tracks op Collapse voelen als korte megamixen waarin meerdere ideeën vechten om aandacht. Op Syro speelde Apex Twin al een aantal keer met deze vorm maar nu heeft het een definitieve uiting gevonden. Collapse is in die zin de ineenstorting van conventies. De muziek voelt als een psychedelische maalstroom waarin basdreunen, breaks en samples verschijnen om vervolgens weer uit het gehoor te verdwijnen. Soms lijkt Aphex Twin naar zijn eigen oeuvre te verwijzen en voordat je het kunt verifiëren is het moment voorbij (de moedwillige implosie van oeuvre en persoonlijke geschiedenis? Vernietiging en hergeboorte?)



Ritmisch voelt Collapse als een bevrijding. James introduceerde op Richard D. James Album (1996) jungle-ritmes die hij nooit echt onder controle leek te hebben, een soort obsessie die hij hardnekkig bleef volhouden zelfs toen jungle over zijn hoogtepunt was. Pas met ‘s950tx16wasr10" (earth portal mix)’ op Syro leek hij de klassieke jungle-sound eindelijk te hebben gevangen. Die techniek van beat-manipulatie wordt op Collapse ingezet voorbij de conventies van jungle en drill ‘n bass om een genreloos web te vormen van electro-stotters, breaks, handclapsalvo's en korte 4/4 aanzetten alsof hij Stockhausens persoonlijk advies in 1995 ter harte heeft genomen "...he would look for changing tempi and changing rhythms, and he would not allow to repeat any rhythm if it varied to some extent and if it did not have a direction in its sequence of variations."

Maar wat betekent Collapse in 2018? Er is vrijwel geen DJ die een track als ‘T69 Collapse’ met zijn driedelige opzet en voor lachgas geoptimaliseerde break zal draaien. Dit is techno zonder functie, auteurtechno, waar James zeker sinds drukQs aan werkt. Het heeft iets van een individuele zoektocht naar nieuwe mogelijkheden en modellen, een spel met complexiteit dat geen doel heeft voorbij zijn eigen creatie. Vreemd genoeg luister ik het vol ontzag, onder de indruk van de slimmigheden en knipogen, vermoeid door de mateloosheid, laat het me koud terwijl tegelijkertijd minuscule explosies van schoonheid me onderdompelen in het vertrouwde analoge bubbelbad.

zaterdag 14 juli 2018

Peak Nineties: Tortoise Remixed



Binnen iets van 5 jaar gaat de cd-revival beginnen. Er komt een run op vintage jaren ‘80 cd-spelers en natuurlijk de schijfjes zelf, inclusief oneidige discussies welke de beste klinken. Kortom, pro-tip: sla het cassetteverhaal over en laat het slinkende en te dure tweedehands vinyl liggen (alles van die eindige verzameling is wel weer ongeveer herverdeeld). Nu is de tijd om in de goudmijn te delven van afgedankte cd’s. Voor 3 a 5 euro vind je prachtige albums die, als je een beetje oplet, foutloos klinken. Wat met name goed uitkomt wanneer je naar de hyperkinetische jaren ‘90 terugkeert om gaten te vullen in je collectie, platen die je vergat te kopen omdat er al zoveel interessants werd uitgebracht of die gewoonweg moeilijk waren te vinden (online platen kopen was nog geen optie.)

Zoals Tortoise Remixed uit 1996. Een achteloos twittergesprek deed me weer teruggrijpen naar de muziek van de postrockformatie en opeens herinnerde ik me dat ze hun werk hadden laten remixen door Markus Popp van Oval. Ooit ergens als mp3 gevonden maar nooit echt de moeite gedaan om de Music For Work Groups EP te zoeken. Die twee remixes staan gelukkig ook op de remix compilatie Tortoise Remixed die voor een supervriendelijke prijs via Discogs in Japanse cd-editie verkrijgbaar was.

Tortoise presenteert zich hier als de ultieme hipsters, niet in de latere zin, maar in de originele betekenis van het woord: witte jazz-liefhebbers uit de jaren ‘50 die wisten wat cool was, een levensstijl opbouwden uit de juiste kennis van muziek, taal, kleding, boeken en seks. De leden van Tortoise waren misschien verweven in de muzikale scene van Chicago, ze wisten dat ze voor de echte cool een omgekeerde beweging over de Atlantische Oceaan moesten maken om iedereen een stap voor te zijn. Want in Europa gebeurde het. Tortoise Remixed is hele precieze tentoonstelling van de muzikale pijlers van de jaren negentig: techno, jungle, triphop en glitch. Het enige wat eigenlijk nog mist is een Stereolab-cover (niet toevallig genoemd, want een groep waarvan John McEntire een aantal albums zou produceren.) Het is samen met Macro Dub Infections Vol.1 een van de beste samenvattingen van de jaren negentig.

Het is wel een samenvatting met een bepaalde insteek, namelijk die van een speelse en opgewekte elektronische muziek, die ook heel goed past bij het basismateriaal van Tortoise. Hier geen subbas-bombardementen van Peshay, desolate Plastikman-bliepjes of Panasonic betonmolens, iedereen houdt het lichtvoetig, waarbij de twee zonnig experimentele remixes van Popp nog steeds klinken als een toekomst die moet plaatsvinden. Buitengewone muziek. In zekere zin vormt dit echt de piek waar de wilde dansvloerexperimenten van de voorgaande jaren op slimme wijze worden verfijnd maar ook ontdaan worden van hun duistere energie. Je weet tegenwoordig dat veel van deze eerste aanzetten zullen vervallen tot clichés van het “jazzy” geluid, drum ‘n bass light, ironische triphop, glitch pour le glitch. Een definitieve versplintering en verwatering van de Big Bang van rave. Hoe dan ook, een mooi moment om weer terug te halen, en je en passant af te vragen hoe het anders had kunnen lopen.

maandag 21 mei 2018

De 6e van GAS: de Kosmische Symfonie



Onlangs werd Stephen Malkmus (Pavement, The Jicks) naar een lijstje van favoriete platen gevraagd en slimme dude die hij is, kwam hij met onverwachte keuzes aanzetten waaronder de minimale house van Polar Intertia waarover hij opmerkt:
I like a huge tune too. I’ve heard some modern trance songs that hit the 90s’ really hard and I didn’t like it when it first came out, but now it reminds me of being on tour in Europe and England when dance music was taking off and ecstasy and stuff. It seems almost kind of sweet to me; it doesn’t make me think of dying from being dehydrated. It wasn’t my life, I didn’t think there was a dance revolution happening at the time, but there was obviously, if we’re looking at the economics of DJ culture.
Ik vind het sympathiek dat een indie-Amerikaan op bezoek in Europa dat opviel en fascinerend vond, maar te onhandig of zelfbewust was om, zoals Panda Bear later wel zou doen, een sprong te wagen in dat nieuwe geluid. Maar waar het mij weer op wees is dat die intens creatieve periode is afgesloten.

Waarmee geenszins een einde is gekomen aan de ontwikkeling van techno. We bevinden ons al sinds het begin van de eeuw in een, hoe vervelend dat ook mag klinken, volwassen periode van dansmuziek, een hogere techno zo je wilt, van verfijning en verdieping in plaats van breuken en─waarom niet─jouissance. In deze fase kan nog steeds een buitengewone muziek verschijnen: de heidense onderdompeling in ritme van James Holden, de cybernetische Ring-cyclus van Autechre’s NTS Sessions en sinds vorig jaar weer: GAS.

Na Narkopop is er een jaar later alweer een nieuw album van Wolfgang Voigt met de prachtige titel Rausch, dat op meerde manieren is te vertalen als opwinding en extase (met een mogelijke associatie naar Rauschen: ruisen, van de bosbeekje en wind maar ook van het bewustzijn in een versnelde extase.) Je maakt je als luisteraar op voor een verheffende trip van een uur, waarbij de ritmeloze introductie met hints naar Pink Floyd op lijkt aan te sturen. Natuurlijk presenteert Rausch weer een wandeling of rit door het woud, maar wanneer de drums opkomen neemt de muziek direct een duistere wending.

De beat klinkt zompig, de stappen zijn zwaar. Dit is een psychedelisch woud waaruit als in talloze mythologieën een reusachtige boom richting de hemel reikt. Maar het tijdperk van goden is voorbij en deze boom vertakt richting de kosmos, waar duisternis heerst, afgewisseld door wonderlijke chemische processen, sterren die geboren worden, ontelbare werelden die opkomen en weer verdwijnen, een eeuwig proces van wording.

Muzikaal heeft Voigt zijn bronmateriaal voor deze kosmische reis aangepast, minder Wagner en Mahler met daarvoor in de plaats, naar alle waarschijnlijkheid, Schönberg en Ligeti. Halverwege valt de beat weg en laat Voigt je eenzaam door de ruimte zweven en welhaast oplossen in het niets waarin alleen nog een machinale brom als van een ruimteschip klinkt, iets wat na een vriendelijkere opleving vol zachte snaren nog eens in deel 6 wordt herhaald. Het stuk lijkt uit te doven maar zet nog een keer aan om op gemene wijze plotseling echt te eindigen.  

Rausch is in alles gewoon weer GAS, en wat mij betreft volgen er de komende jaren nog zes delen. Voigt weet telkens weer een andere uitkomst uit zijn gouden formule te toveren. Rausch is, denk ik, zijn meest duistere werk tot nu toe, wat door sommige luisteraars wordt gezien als een commentaar op de hedendaagse politieke gifdumping in het toch wel ambivalente symbool dat het Duitse woud is. Het is muzikaal in ieder geval zijn meest subtiele werk. De verschuivingen zijn door de opzet als een doorlopend muziekstuk nog subtieler en kunnen bij een iets te nonchalante luisterbeurt makkelijk aan de aandacht ontsnappen, wat Rausch misschien iets minder praktisch maakt als ambient, maar een eigen plek geeft binnen deze wonderbaarlijke reeks.

zaterdag 24 maart 2018

De toekomst van Amsterdam



Met de langverwachte overwinning van GroenLinks bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen breekt een cruciale periode aan voor de hoofdstad. Nu we de diepe 21ste eeuw inglijden moet Amsterdam serieus worden omgevormd tot een moderne stad. De gemeente Amsterdam zal de rest van de eeuw uitgroeien tot een miljoenenstad die richting het westen wordt uitgebreid, in oostelijke richting uiteindelijk ‘t Gooi en in het noorden Purmerend zal assimileren Kortom, een conglomeraat met verschillende kernen.

Dat is nog een vergezicht. Daarentegen zullen de komende jaren in de huidige stad een aantal drastische maatregelen moeten worden genomen waar de lokale politiek al decennia om heen draait. In de binnenstad botsen drie grote groepen: automobilisten, toeristen en fietsers (scooterrijders vormen een geval apart.) Een van deze drie is duidelijk teveel en moet verdwijnen. De reflex is dan om de makkelijkste groep te slachtofferen: de fietsers (hier en daar, in altijd behulpzame media, al voorzichtig zwart gemaakt.) Onmogelijk, want fietsers bestaan voor het grootste gedeelte uit inwoners van de stad zelf (al zijn er ongetwijfeld politici en projectontwikkelaars die eigenlijk liever een stad zien zonder inwoners.) Toeristen worden op hun beurt graag door bewoners gedemoniseerd en de toeristenindustrie heeft onmiskenbaar voor een aantal problemen gezorgd maar is economisch te belangrijk om terug te draaien. Het logische doelwit is dus de auto die teveel ruimte inneemt, gevaarlijk is en vooral vervuilend. Bovendien loopt het tijdperk van de fossiele brandstof ten einde en hoe eerder men zich aan die situatie aanpast hoe groter de voorsprong op andere steden en gebieden die in achterhaalde technologieën blijven volharden.


De binnenstad van Amsterdam is natuurlijk altijd ongeschikt geweest voor de hoeveelheid autoverkeer die is opgekomen sinds de jaren ‘60. In een vlaag van optimisme wilde men destijds dan maar de stad ombouwen tot een autostad. Door dat idee is met de Nieuwmarktrellen van 1975 definitief een streep getrokken en het blijft teleurstellend dat een superlinks stadsbestuur (met CPN!) toen niet heeft kunnen inzien dat de binnenstad autovrij moest worden (ironisch genoeg was de oorzaak van de rellen een gecombineerde aanleg van autoweg en metrolijn waarvoor de wijk gesloopt zou worden.) Sindsdien is langzaam begonnen met het terugdringen van de auto, maar volgens goede Amsterdamse traditie in stappen vol compromissen en uitzonderingen waardoor de kern van het probleem niet verdween en chaotische verkeersstromen zijn ontstaan. Het autoverkeer neemt niet af en daarmee lijkt de verbetering van de luchtkwaliteit, ondanks betere roetfilters en de groeiende populariteit van hybride en elektrische auto's te worden geneutraliseerd door de opkomst van de scooter (en de aanmerende cruiseschepen).

Nu GroenLinks een sturende rol gaat spelen, moet het zijn coalitiegenoten dwingen om de auto in fases terug te dringen. Bepaalde buurten en straten moeten snel autovrij gemaakt worden, ik denk hier in eerste instantie aan de meest absurde locaties zoals de complete Nieuwmarktbuurt, de Negen Straatjes, Nes en Haarlemmerdijk. De parkeergarage bij de Bijenkorf moet op den duur gesloopt worden, alleen al omdat dit een blijvend excuus is om onnodig auto’s tot het hart van de stad te laten doordringen. En over een bepaalde periode zal dit gebied worden uitgebreid via de grachten totdat het gebied dat loopt tot de Sarphatistraat – Weteringschans – Marnixstraat autovrij is. Hybride taxi’s zullen mogen blijven rijden door een select aantal straten en hiermee kan meteen een einde worden gemaakt aan de (nachtelijke) overlast van Über. Vanzelfsprekend hoort hier een verbeterd en (veel) goedkoper openbaar vervoer bij. Zonder autoverkeer zullen trams efficiënter opereren. Bestaande metrolijnen kunnen doorgetrokken en gesplitst worden om buurten beter bereikbaar te maken.

Dat betekent natuurlijk niet dat toerisme ongemoeid mag blijven. Airbnb zal nog strakker moeten worden ingeperkt en anders verdwijnen. De bouw van hotels moet gestopt worden. De voorzichtige ingreep op de winkelverhuur zal strakker moeten worden waardoor een serieuze terugdringing van toeristische onzinwinkels kan plaatsvinden. One-offs, kleine initiatieven, mysterieuze winkels die men per ongeluk ontdekt, moeten weer een kans krijgen. Alles hoeft niet plat en uitgekauwd te zijn. De Amsterdammer wil ook weer zijn stad herontdekken.

Dit zijn voor de meeste Amsterdammers geen controversiële onderwerpen, je had als kiezer meer dan genoeg keuze uit partijen die het op grote lijnen met elkaar eens zijn over dit soort onderwerpen. Hotels, ondergrondse garages, nieuwe kantoorruimte zijn overbodig in een stad die smacht naar betaalbare woningen. De rest: onderwijs en vergroening kunnen bij een uitgekiende coalitie zonder veel moeite daarna tot speerpunten worden gemaakt. Op deze manier ontstaat een stevige basis voor een extreem leefbare stad die de grotere uitdagingen van de 21ste eeuw –klimaatverandering, vergrijzing en vergaande digitalisering in al zijn vormen- met redelijk gemak aankan. Het is dat of een stinkend pretpark.

maandag 26 februari 2018

Mute: Weimar 2.0 binnen handbereik



Het grote probleem van de hedendaagse sciencefiction is nog steeds de dystopie. Het cliché, dat heel traag in het genre is geslopen en een verstikkende invloed is gebleken. De paranoia, de controlestaat, milieuvervuiling en hackers voelen inmiddels als een nieuw soort naturalisme. Dus hebben we nieuwe werelden nodig, dat wat sciencefiction altijd heeft gepresenteerd. Wat Mute, de nieuwe film van Duncan Jones, interessant maakt is dat het op subtiele wijze een uitweg biedt.

Daarvoor keert Jones terug naar het vasteland van Europa, wat direct een positie biedt tussen de twee grote polen van Amerikaans fascistoïde cyberpunk ter verering van de blanke man en Japans techno-animisme. Net als zijn vader vindt hij in Berlijn een ander soort stad, een nieuw futurisme. Dit Berlijn uit de toekomst voelt goed, bevindt zich in hetzelfde tijdspoor als de originele Blade Runner maar heeft zijn eigen sfeer.

 

Het is een omgeving die zich leent voor verhalen op straatniveau. Er is een hint van een internationaal conflict waar Amerikanen zich natuurlijk weer tegen aan hebben bemoeid maar dat lijkt op een afstand plaats te vinden. Verder is er geen politie te bekennen, spelen politici, hackers noch multinationals een rol in het verhaal. En is geen schietwapen te bekennen. De stad ziet er cyberpunk uit, maar alle clichés van het genre zijn afwezig. Dit Berlijn is een geloofwaardige toekomst, een mix van nieuw en oud (zoals er met credits en papiergeld kan worden betaald), licht decadent, vrij en leefbaar.

Hier ligt het belang en het potentieel van Mute dat verder moet worden uitgewerkt. Wat deze wereld nodig heeft, is een nieuw narratief dat breekt met de conventies van de film noir en wraakfilm. Jones lukt dat nog niet maar het hoeft geen onmogelijke taak te zijn als men durft te breken met de duffe conventies van het Amerikaanse scriptschrijven, “het goede verhaal”. Er is nog een stap nodig en die ligt ten oosten van Berlijn in de zoekende traagheid en vervreemding van Tarkovski en Żuławski. Weimar 2.0 bereikt men via films als Possession, Welt Am Draht, Stalker.