maandag 17 augustus 2020

Schatgraven naar ambient

 


Er liggen maar acht jaar tussen Hiroshi Yoshimura’s Green (1986) en Global Comunications 76 14 (1994), twee ambientklassiekers die onlangs opnieuw werden uitgebracht (Green enorm populair op YouTube maar lange tijd onverkrijgbaar, 76 14 als onderdeel van een prachtige box). Wat je hoort is niet zozeer het verschil tussen West en Oost als wel de verandering die acid house bracht. Green behoort tot de periode van de klassieke ambient in de traditie van Brian Eno, kalmerend, nog lichte echo’s van progrock die langzaam wegebben om een nieuw soort muziek te vormen. Yoshimura schrijft in de oorspronkelijke hoestekst dat hij het prettig vindt als mensen aandachtig naar de muziek luisteren maar geeft ook toe dat hij vaak in slaap viel tijdens het maken van de plaat, toch een van de kenmerken van de betere ambient. Een derde manier van luisteren zou het kleuren van de ruimte zijn. Bij de titels plaatste Yoshimura niet alleen een schattige schets van een slapende figuur met kat maar ook associatieve woorden als garden, river, empty, rain, earth, environment en nature. Dit is muziek die je bewust maakt van de ruimte, in de muziek zelf maar ook hoe het de kamer op specifieke wijze vult. De verstilde Yamaha DX7-klanken groeien als muzikale bladeren uit je speakers, creëren een technologisch bos voor de geest dat je beschermt tegen de druk van het stadsleven. Eenvoud, leegte, natuur en levende technologie, dit is onmiskenbaar Japanse muziek, eerst nog nerveus als een achtervolgingsscène in een ecologische anime, daarna steeds droomachtiger, de loomheid van een zinderende zomerdag in Tokio. Het enige wat nog mist is een koor van cicaden. Lange tijd is deze stijl verborgen gebleven voor Westerse luisteraars, enkele kenners daargelaten, maar misschien is het beter dat de muziek een tijdlang heeft kunnen rusten, komt het pas echt tot zijn recht in de diepe 21ste eeuw, de Aziatisch eeuw, en als richtingwijzer naar een nieuwe esthetiek voor een andere groene wereld.

 


In tegenstelling tot Green is 76 14, hoe je het went of keert, het resultaat van een drugscultuur. Het is, enkele beats daargelaten, zonder twijfel ambient, ideale muziek om de oververhitte raver tot rust te laten komen in de chillout of de thuistripper engelachtig mee te laten zuchten richting de onthulling van kosmische geheimen. Zo groot was de overdaad aan vooruitstrevende muziek met een kalmerende insteek in 1994 (Selected Ambient Works Vol II, Lifeforms en Artificial Intelligence II waren al uitgebracht) dat je soms platen als 76 14 voor later moest laten liggen, waarna de volgende golf prachtige releases je afleidde. Dat heeft uiteindelijk gunstig uitgepakt. DJ’s als Donato Dozzy hebben in de jaren 2000 – 2010 deze muziek in leven gehouden, met name de mnml sggs 39 mix met een centrale rol voor ‘14 31’ bewees dat de rol van ambient en kalme techno nog lang niet was uitgespeeld, misschien wel een nieuwe functie kon krijgen voorbij de chillout als een balsem voor de vermoeide netwerkgeesten. En in 2020 klinkt 76 14 (samen met het remixalbum Blood Music: Pentamerous Metamorphosis voor shoegazers Chapterhouse dat er aan vooraf ging en een verzameling remixes en rariteiten) alsof het vorige decennium nog steeds de jaren 90 was. Wat uiteindelijk het resultaat is van de kracht van de muziek zelf. In de buitengewoon interessante hoestekst van de box leggen Middleton en Pritchard onder andere uit dat ze expliciet tijdloze muziek wilden maken die zoveel mogelijk was bevrijd van vooraf opgelegde associaties. Vandaar ook de tijdsduur in plaats van titels. Voor mij is er geen direct gevoel van nostalgie als ik naar Global Communication luister. Dat ik de plaat met Spotify wel eens beluisterde doet me allereerst beseffen hoe weinig het met streaming tot zijn recht komt maar ook hoe “onverankerd” je luistert, geen associaties opbouwt alsof je de muziek naar beluistering vrijwel meteen vergeet. Een indirecte nostalgie wordt wellicht veroorzaakt wanneer Middleton en Pritchard vertellen over de totstandkoming van hun meesterwerk, de eerste samenwerking met Chapterhouse waarvan ze complete vrijheid kregen om hun tweede album te remixen, de steenrijke baas van indielabel Dedicated die ze vervolgens tekent en hun gang laat gaan en de levensstijl van uitgaan, nieuwe platen luisteren en zorgeloos muziekmaken waar 76 14 is ingebed. Gewoon twee pretentieloze, intelligente figuren, gespecialiseerd in korte projecten. Er is geen tweede Global Communication album, zoals er geen tweede Jedi Knights en Reload album is of tweede Chameleon 12” na de sublieme ‘Links’ op Good Looking. Altijd in beweging, nooit teleurstellend.

zaterdag 25 juli 2020

Tijd voor een Open Universiteit

Ik ben nooit in De School geweest. Mijn jonge collega’s gaan er graag naar toe en ik vind dat ze hun plek moeten hebben zonder een “vroeger was het allemaal beter” zeur in de buurt. Allemaal onpretentieuze figuren overigens die gewoon van feesten en goede dansmuziek houden, als Amsterdammers altijd wat te klagen hebben maar over het algemeen wel tevreden lijken te zijn over de club. Ik heb dus geen enkele emotionele investering in De School, los van een algemene interesse in de staat van muziek en het Amsterdamse clubleven. Maar sinds kort rommelt het rond De School. Ik hoef het niet samen te vatten, dit artikel van 3Voor12 legt het piekfijn uit.

Persoonlijk denk ik dat de leiding dit het beste had kunnen negeren en de storm laten overwaaien. Er komt altijd, meestal binnen een paar dagen, een nieuwe hype om je boos over te maken. Nu de club toch gesloten is, had men in stilte aan een voorzichtige heroriëntatie kunnen werken met een residency voor DJ Stingray. Maar los van strategie, mis ik in de analyses het benoemen van een dieper probleem.

De School is grotendeels een kopie van de beroemde Berlijnse club Berghain, wat bij mij in eerste instantie irritatie oproept. Kunnen Nederlandse hipsters weer niet zelf iets verzinnen? Maar als je even rustig in- en uitademt komt de gedachte op: nou en? Succesvolle clubs zijn altijd gekopieerd, niemand vindt het wiel opnieuw uit en echte innovaties zijn schaars, zeker onder de genadeloze dictatuur van het neoliberaal-entertainment-complex. Is De School elitair? Waarschijnlijk wel, maar dat iets bestaat, een creatieve ruimte, waar niets was, is al een prestatie op zich. Het vormt een hele specifieke sociale constructie met bepaalde regels, verwachtingen en omgangsvormen. En die moet matchen met jouw, hier ga ik hardcore sociologie, habitus. Eigenlijk is het enige deurbeleid dat een ware aristocratie nodig heeft iemand met een teller zodat je weet wanneer het te vol raakt.

De School is duidelijk niet de vijand. Het is een exponent van een hyperreële, 21ste eeuwse clubervaring waar ik geen feeling mee heb, maar dat heb ik ook niet met talloze festivals die een bepaalde lifestyle met heel veel bier en biologisch eten verkopen. En daar ligt al een tijd een van de problemen. House is wat mij betreft in de basis een egalitaire muziek, die de relatie tussen artiest en publiek deconstrueert en de collectieve ervaring belangrijker acht dan financieel gewin. Open voor iedereen, minimale security, openlijk drugsgebruik mocht je daar behoefte aan hebben, een plek om te kunnen verdwijnen uit de dagelijkse sleur, ontsnappen aan de druk van het panopticon en het continu ophouden van maskers. Het moet in principe voor iedereen toegankelijk zijn zoals een van de canonieke teksten, ‘My House’ van Chuck Roberts, vastlegde: “You may be black, you may be white; you may be Jew or Gentile. It don't make difference in our House.” Clubs die hier tegen zondigen zijn de moeite gewoon niet waard, nooit geweest ook. De logische conclusie is dan om te stellen dat je zelf een beter feest moet organiseren, dat wat Multigroove begin jaren ‘90 daadwerkelijk deed als antwoord op het snobisme van de Roxy. Maar dat waren andere tijden.

Want het ware probleem is de neoliberale stad, gericht op het maximaliseren de geldstromen van toerisme en de consumptie-ervaring, het wegdrukken van mensen met een laag inkomen, gevolgd door die met een middeninkomen. Het wordt steeds lastiger om alternatieve clubs te beginnen en de neoliberale stad duldt geen onbestemde gebouwen waar zulke feesten kunnen plaatsvinden want ongebruikte ruimtes zijn economisch een doodzonde. De politie zal altijd de hoogste prioriteit geven aan het stoppen van feesten in dit soort overgebleven ruimtes. De School is voorlopig een plek gegund in deze constellatie maar laat er geen twijfel over bestaan: het Amsterdamse stadsbestuur functioneert primair in dienst van projectontwikkelaars en zal wanneer het de kans krijgt De School laten plaatwalsen voor een hotel of een ander high-end project om fout geld in te pompen. Kortom, kies je vijanden en doelwitten zorgvuldig, straks ben je nostalgisch naar je schooltijd

woensdag 29 april 2020

Het Eckte Eckte Amsterdam



Vanuit het raam kon ik het zien liggen. De stroken ondergelopen land die overgingen in de duinen, de smalle stranden en daar in zee onmiskenbaar de wereldberoemde rizoom van grachten. Terwijl het vliegtuig een laatste bocht maakte, probeerde ik een gebouw te herkennen, misschien het Rijksmuseum waar ik zo naar verlangde. Na de landing opende ik mijn gids maar weer om het langdradige taxiën te vergeten
Amsterdam II is de perfecte bestemming. Voor het eerst in jaren zult u zich als toerist weer welkom voelen. Hier bent u geen indringer, zult u geen boze blikken meer krijgen, dit is de stad gemaakt voor uw ultieme Amsterdam-ervaring. Kosten nog moeite zijn gespaard om na de pandemieën van de jaren twintig te zorgen voor een veilig toerisme, een unieke ervaring die u nooit zult vergeten. Optimaal shareable en zonder schuldgevoel…
Het begin was er in ieder geval naar. De aankomsthal was efficiënt ingericht voor bezoekers van Amsterdam II. Na de paspoortcontrole lag mijn koffer al te wachten waarna ik de richtingaanwijzing naar de metro volgde. Niet dat er een alternatief voor handen was. Iedereen weet dat je Amsterdam II maar op een manier kunt bereiken. Het door Koolhaas ontworpen metrostation was open en licht, sereen, ook al wachtten er steeds honderden reizigers op een van de metro’s die stipt om de twee minuten arriveerden. Altijd met het juiste aantal beschikbare zitplaatsen omdat de A.I. de stroom passagiers continu monitorde en de wagons waar nodig aanpaste. Verzekerd van een zitplaats stapte iedereen op een geciviliseerde manier in, plaatste de bagage in de daarvoor ontworpen compartimenten en nam vervolgens plaats. Over tien minuten zouden we op Amsterdam Centraal arriveren. Eenmaal in de tunnel las ik verder.
In Amsterdam II vindt u het authentieke Amsterdamgevoel dat verloren leek te zijn gegaan. Alles is hier op schaal nagebouwd met oog voor alle historische details. Grachten, musea, gebouwen en natuurlijk roemruchte coffeeshops zijn niet van origineel te onderscheiden. En er is meer dan het beroemde centrum. Ook wijken als de Indische Buurt, de Rivierenbuurt en de Baarsjes bieden een alternatief met verborgen juweeltjes en inspirerende momenten om met iedereen te delen. Dat echte gevoel van Amsterdamse vrijheid, al eeuwenlang uniek in de wereld.
Amsterdam Centraal, daar waar de stad nu eindigt. Ik moest niet vergeten om een van deze dagen de noordkant van het station te bezoeken die in oude staat was nagebouwd en waar men in de weekends met auto’s kon worden opgepikt om mee te liften naar acidfeesten in loodsen. Maar eerst eens mijn ‘pegels’ ophalen bij de toeristeninformatie. Volgens de gids kreeg elke bezoeker honderd pegels, ouderwets papiergeld waarmee je illegale transacties kon naspelen. Ik laadde meteen mijn gids op met Amsterdam Games, een soort virtuele tours waarmee je interactief avonturen kon beleven, V.R. compatibel. Eenmaal buiten volgde ik de nieuwelingen richting het Damrak. Ondanks de voorbereiding en de expliciete waarschuwingen van de reisgids was de confrontatie met auto’s choquerend. Geen wonder dat het stadsleven vroeger zo ongezond was, mensen werden gewoon vergiftigd en psychisch geterroriseerd. Het scheen dat personeel sommige auto’s nog gebruikte om zich te verplaatsen maar ze waren zelfrijdend en vormden daarom geen enkel gevaar voor de voetganger, een klein compromis ten kostte van volledige authenticiteit. Bovendien merkte ik meteen op dat er genoeg ander gevaar loerde in de vorm van fietsers. Een jonge vrouw in kort rokje, een detail dat me in een flits afleidde, passeerde me rakelings.
“Uitkijken, lul!”
Schitterend.

Ik liep met stevige stappen de adrenaline uit mijn lichaam, al snel op mijn gemak gesteld door de kaaswinkels, rastashirts en echte FEBO. Zoveel keuze, maar ik had begrepen dat de bamischijf onmisbaar was. Inderdaad, de kruidige zoutigheid vormde een explosie van geluk, een tastbaar bewijs dat ik eindelijk in Amsterdam was. Hier zou ik dan eindelijk mijzelf kunnen zijn, weg van het virtuele kantoor en een leven in monotone hoogbouw. Ik stak de Warmoesstraat over richting de Zeedijk die er ouderwets onguur uitzag, vol louche figuren die in schaduwen rondhingen. Ze zouden toch niet echte heroïneverslaafden gebruiken? Interessant om later uit te zoeken met de pegels. Maar wat een heerlijk sfeertje. En die intense geuren, een bedwelmend mengsel van urine, Aziatische kruiden en gedroogd bier. De geur van het werkelijke leven. Aan het eind van de Zeedijk zag ik mijn hotel, De Waag.

Tevreden keek ik uit over de Nieuwmarkt. Eerst opfrissen en wat dan? Die haringkar? Of toch meteen naar de coffeeshop? Het carillon speelde een medley van ‘Dominator’, ‘French Kiss’ en ‘The Bells’, allemaal oude favorieten van mijn vader, terwijl de avond viel en de terrassen bijna uit zichzelf gevuld werden, alsof iedereen zijn rol vol overgave speelde. Na een paar snelle biertjes en halve White Widow-joint liet ik mij in een roes door de menigte meeslepen langs de grachten, ons collectief vergapend aan de uitdagende, soms verveelde, vrouwen achter de ramen. Zouden ze allemaal echt zijn en hier wonen? Er gingen al lange tijd geruchten de ronde dat een merendeel van Japanse makelij was. Wat mij betreft een briljante marketingcampagne, al die mannen die wel even gingen bewijzen dat ze het verschil konden merken. Een andere keer, ik was te ver heen en had geen zin in gênante taferelen. Nee, ik volgde het geroezemoes, dat vriendelijke mengsel van talen en gelach, soms een overgevende Engelsman omzeilend, soms een te grote auto die zich in vaste rondjes door de mensenmassa begaf. Op de Armbrug nam ik nog een laatste hijs van de joint. Dat had ik niet moeten doen. Waarom liep iedereen opeens op mij af? Mijn aderen leken vanuit mijn nek naar de uiteinden van mijn vingers te bevriezen. Wat deed iedereen hier eigenlijk? Al die gezichten waren maskers, versteend in verlangen. Wat lag er achter die maskers? Mensen? Machines? Wat deed ik hier eigenlijk? Ik hield mezelf voor de gek. Alles was nep. Je trapte er zo makkelijk in. Zo goed gedaan, maar compleet nep. Gelukkig bevond ik me in de buurt van mijn hotel en ik worstelde me door de menigte, ervan overtuigd dat ik elk moment als een cliché languit op straat kon liggen.

Ik had in tijden niet zo diep geslapen. De vorige nacht niet meer dan flarden uit een nare droom. En toch, eenmaal voor de imitatie van De Nachtwacht keerden de twijfels in een wat zachtaardigere vorm terug. Amsterdam II had zo verleidelijk geleken, zo overtuigend, ik had werkelijk in de simulatie geloofd. Ik probeerde met een dubbele dosis kunst weer dat gevoel van de aankomst te hervinden. En zowaar, Van Gogh gevolgd door een patatje oorlog deed wonderen. Ik besloot zonder echt doel in de richting van het hotel te wandelen. Ik verzond wat foto’s van streetart vol psychedelische gezichten, drie kruizen en buitenaardse alfabetten naar mijn volgers en op het Rembrandtplein vond ik een speelhal met werkende kasten als Space Harrier en NBA Jam. Het tij leek gekeerd, maar voor de zekerheid liep ik met een grote boog om de coffeeshops heen. Gelukkig kon ik met de Lachuh-app een koerier langs laten komen die alleen pegels accepteerde. De transactie voelde heerlijk fout.
“Vergeet niet om de patronen gewoon op straat te gooien, chef. Zo hoort dat.”
Gezeten aan het water begon ik de ballonnen te vullen. Een bankje verderop zaten twee toeristen gezellig te chinezen en selfies te maken. Ik vulde mijn longen compleet met de eenvoudige verbinding. Elke keer sloot ik mijn ogen en trilde mijn hele wezen mee op het geheime ritme van de stad. Na tien ballonnen was ik er van overtuigd dat Amsterdam het kosmisch centrum van dit universum was.
“Nou nog eentje en dan is het weer genoeg geweest.”
De doos was leeg. Geïrriteerd vertrapte ik het karton en liep vervolgens naar tram 9. In een halfgevulde De Meer spoelde ik een hamburger weg met slap bier terwijl Ajax 1972 op een onwerkelijk groen veld Feyenoord overklaste. Ik moest mezelf forceren om te genieten van de passeerbewegingen van Keizer en de passes met buitenkant voet van Cruijff. Het was zonder twijfel goed gedaan, ook met die oncomfortabele houten bankjes, maar het voelde op meerdere manieren ongemakkelijk. Ik keek naar geesten.

De volgende ochtend keerden de twijfels in samenwerking met een geniepige hoofdpijn terug. Alles begon me tegen te staan en tegelijkertijd groeide het verlangen om het echte Amsterdam te zien. Maar hoe kwam ik daar? Ik moest de neiging onderdrukken om het een bewoner van de simulatie te vragen. Niemand was te vertrouwen en waarschijnlijk hadden ze geen idee. Verveeld zwierf ik langs de “Amstel” totdat ook deze in de Noordzee eindigde. Ondertussen onderzocht ik andere mensen. Wie was toerist? Wie acteur? Werker? Androïde? En kon iemand me uit deze miserabele vakantie redden? Ik staarde wezenloos in het onaangeroerde glas Heineken. Was het eigenlijk wel echt Heineken, of gewoon een of ander goedkope namaak? Zou ik ooit het verschil kunnen proeven?
“Jij zoekt even iets anders.”
“Ik heb even nergens zin in,” antwoordde ik met moeite.
“Jawel man, ik ken die blik wel.” Met tegenzin keek ik op naar de jonge barman die zich voorover boog.
“Jij bent niet de eerste, pik. Echt niet.”
Met een zelfvoldane glimlach zette hij een glas jenever naast mijn vaasje. Ik zuchtte.
“Drink nou maar op, man. Dan vertel ik ondertussen wat je dwarszit.”
Ik sloeg het glas achterover, klaar voor een voorgekookte volkswijsheid. In ieder geval voelde de alcoholrilling fijn aan.
“Jij wil het ware Amsterdam zien, toch?”
Hij knikte tevreden met zijn hoofd nadat hij mijn verrassing had geregistreerd.
“Dat bedoel ik.”
Achteloos begon hij op een bierviltje te schrijven. En op luidere toon vervolgde hij: “Ik heb nog wel een adresje voor je. Een ouwe gabber van me.”
Hij schonk me een tweede jenever in en fluisterde ondertussen: “Dit adres. Daar woont mijn zus. Ze weet de weg. Gaat je natuurlijk wel wat kosten. Ze legt het allemaal uit. Even onthouden en dan mieter je dat viltje met je zogenaamde dronken kop jolig in de gracht.”
Ik hield mijn glas omhoog, kreeg een knipoog terug waarna hij zich omdraaide om een andere klant te helpen.

De volgende ochtend haastte ik me naar de Bloemgracht om bij het aangewezen adres aan te bellen. De deur opende naar een steile trap waar aan de bovenkant een jonge vrouw verscheen.
“Pakketje voor de buren zeker?”
Ik herhaalde van het inmiddels verzopen bierviltje: “Kunt u het aannemen? Het is uit het buitenland. Anders gaat het naar het hoofdpostkantoor.”
Ze knikte.
“Dat zou zonde zijn. Kom maar naar boven.”
Het appartement zag er sfeervol uit. Houten vloer, scheef, overal planten. Een grote poster van Betty Blue aan de muur. Zelf ingericht of gewoon voor werknemers ontworpen?
“Koffie?”
Ze was natuurlijk mooi op een lokaal nonchalante manier. Lang en toch schoenen met hoge hakken, te groot shirt met een verwassen anime-karakter uit een film die ik in mijn jeugd had gezien. In alles een air dat ze geen zin had in gezeik.
“We vertrekken vannacht. Je kunt nu de helft betalen en de andere wanneer we in Amsterdam aankomen. Gewoon doen wat ik zeg en dan komt alles goed. Je mag er zo lang blijven als je wilt, maar ik raad je aan om hem na een paar dagen weer te peren. De boete als je gesnapt wordt is niet mals en moet je meteen betalen. Bovendien,” en hier zocht ze bewust mijn blik op, “pottenkijkers zoals jij willen ook opeens verdwijnen.”
Ik wende mijn ogen af en probeerde de stilte maar op te vullen met een slok koffie. Inmiddels was een kat op mijn schoot gaan liggen.
“Oh, en ik ga niet met je naar bed.”

“Mistig. Zie je ook niet vaak meer. Lekker ouderwets. En handig.”
Het geronk kwam dichterbij. Ze haalde een stoffen zak uit haar jas.
“Sorry, geen rondvaart deze keer.”
Met tegenzin deed ik de zak over mijn hoofd. Ik werd aan mijn linkerbovenarm vastgepakt en in de boot geleid.
“Doe die herrie maar uit. Het is geen pleziervaartje door de grachten of zo.” Geruisloos gingen we op weg. Ik durfde hun geroutineerde stilte niet te doorbreken en gaf me over aan verveling, hopend dat de nerveuze gedachten op een gegeven moment een coherent geheel zouden vormen. Na een tijd gaf ik het op.
“Zijn er mensen zoals ik die er blijven wonen?”
Het was een gedachte die me sinds gisteren bezighield.
“Je hebt er altijd wel een paar. Zonderlingen. De meesten worden op een gegeven moment gepakt, maar er zijn erbij die verliefd worden en een heel leven weten op te bouwen. Het is ook niet alsof er op je wordt gejaagd. Daar houden we niet zo van.”
Blies ze nou rook in mijn gezicht?
“Maar de meeste springers houden het snel voor gezien. Je weet wel, geconfronteerd met de werkelijkheid verwatert de fantasie.”
Ik vond het moeilijk te geloven.
“Wat doe jij eigenlijk in het dagelijks leven? Daar.”
“Oeh, nieuwsgierig. Ik studeer natuurlijk. A.R. informatica”
“Ben je daarom in Amsterdam II. Als stagiair?”
Ze grinnikte.
“Voor het geld. Maar je hebt wel een beetje gelijk. Die hele stad houdt me bezig. Weet je dat de meeste springers uiteindelijk de simulatie missen? Hun hele perceptie is gevormd naar het ideaal. Dat voelt correct, zelfs al hebben ze soms hun twijfels. Nou ja, dat hoef ik jou natuurlijk niet uit te leggen.”
Ik wilde protesteren maar ze was al weer verder aan het uitweiden.
“En we doen in II nog veel te weinig met A.R. Ik bedoel die poging tot gamificatie alleen al. Zo hoog van de toren blazen over authenticiteit en met dingen aankomen als Zelda in Amsterdam. Sad.”
Ik zei maar niet dat ik had uitgekeken naar het exclusieve Damsko Mario Tournament.
“Eigenlijk zouden we een derde Amsterdam moeten bouwen. Dat zie ik wel zitten. Een futuristisch Amsterdam. Liquide. In beweging. Een sensuele stad, een continue overweldiging van de zintuigen. Niet dit commerciële, voorgeprogrammeerde verlangen. Of dat hopeloze zoeken naar authenticiteit. Die dualiteit moet doorbroken worden.”
“Een Nieuw Amsterdam.”
“Precies. We leven in de diepe 21ste eeuw. Tijd voor nieuwe ontdekkingstochten en niet meer die ouwe meuk.”
De weerkaatsing van het geluid veranderde. Licht begon voorzichtig door de mazen van de zak te schijnen.
“We zijn er bijna. Mokum. Ruik je het verschil?”
Ik rook eerlijk gezegd alleen mijn eigen mufheid.
“Geen auto’s.”

Vanzelfsprekend bleef ik hangen. Na twee weken had ik een appartement gevonden in het centrum, aan de rand van wat nu Klein Korea werd genoemd. Ooit, na de pandemie en de leegstroom, gekraakt dus ik moest er wel even werk van maken. Maar ik had tijd zat. Mijn oude smartphone had ik bij aankomst uit voorzorg in ‘t IJ gegooid. Ik las vooral boeken, goedkoop te krijgen in een van de tweedehands boekwinkeltjes die ik op mijn wandelingen tegenkwam. Al snel verwaterde mijn oude leven tot een matige droom waarin je een even saaie als onmogelijke klus moet klaren. Ontdaan van alle druk en status kon ik hier proberen om mijzelf te hervinden. De binnenstad volgde een heel eigen cyclus, een imitatie van een zondagochtend waarbij je vaak het gevoel kreeg dat je de stad voor jezelf had. In het begin moest ik wennen aan de afwezigheid van een bepaalde gloed waarmee Amsterdam II scheen. Hoe kreeg men dat voor elkaar? Was het een special effect, een bepaalde belichting, of een cumulatief resultaat wanneer je alles van geïdealiseerde beelden nabootst? In de levende stad vielen dingen uit elkaar en werden lange tijd genegeerd of met moeite gestut en gecamoufleerd. De vuilnis werd ook maar twee keer per maand opgehaald. Dan, als je een straat inliep kon je plotseling in een relletje terechtkomen waarvan de aanleiding niet was te achterhalen. Aangezien de politie vanwege bezuinigingen zich vooral bezighield met basistaken waren ze vaak geen partij meer. Al snel zag ik de rellen als een ritueel, een herhalende gebeurtenis waarmee de sociale orde werd bevestigd. In bepaalde gevallen leek het nog het meeste op absurdistisch theater. Zoals die keer dat ik het Leidseplein kruiste dat was verdwenen in een enorme rookwolk waar drie jonge mannen, eentje gezeten op een klapstoel, een ander op een versleten bankstel, zwijgend naar keken. Pas toen een tram vrolijk ringelend uit de rook verscheen liet het schouwspel me los en liep ik verward verder, zoekend naar de betekenis van dit alles. Had ik het over rituelen? Ik werd op 30 april op mijn wenken bediend.

In de aanloop naar die dinsdag kon je moeilijk ontsnappen aan de elektriciteit die in de lucht hing. Mijn zakken puilde elke dag uit van flyers waarop speciale raves werden aangekondigd. Original 1990 Style of Oud Acid Festijn, vormgegeven met vrolijke kleuren, pilvormige mannetjes en aantrekkelijke cybervrouwen. Koninginnedag stelde in Amsterdam, met zijn dedain voor commercialiteit, niets meer voor. In plaats daarvan was de ooit uit de hand gelopen Dag van de Stadsrepubliek door de jaren heen uitgegroeid tot een officieuze feestdag met als hoogtepunt het naspelen van de Slag om de Blauwbrug. De meeste inwoners waren te jong om de ware toedracht en omstandigheden te herinneren maar dat maakte weinig uit omdat in het chaotische tafereel midden in de stad een symbolische betekenis lag die de kern leek te raken van het Amsterdammer zijn. De ervaring had geleerd dat de herschepping met echte wapenstokken, waterkanonnen en stenen meer slachtoffers veroorzaakte dan de oorspronkelijke gebeurtenis. Vandaar dat de als politieagenten verkleedde bewoners met zachte knuppels werden bewapend en de stenen van kunststof waren gemaakt. En toch, eenmaal op gang werkte het gejoel, de dreigementen die uit speakers schalden, het gestamp, het steeds maar herhalende “Geen woning, geen kroning!” gevolgd door de rookbommen, in op het oerwoud van de psyche. De uit de rook marcherende mobiele eenheid veranderde me van nieuwsgierige toeschouwer in deelnemer en ik rende naar een stapel keien die vervolgens vol overgave naar de vijand werden gegooid. Volgens de afspraak trok deze zich op een gegeven moment theatraal terug waarna we juichend de brug op renden. Ik viel een onbekende in de armen terwijl een brandende autoband langs ons rolde. Het voelde alsof ik zelf in vlam stond, levend, op de juiste plek.

Die avond heerste er een feestelijke stemming in de stad. Ik liet me, gedreven door een schier oneindige witte lijn, van café, naar feest, naar café meeslepen.
“Waarom wonen er nog met mensen met geld in de stad?”
Ik passte de joint door. Een van mijn rellende kompanen schreeuwde over de bas die alle drank in de glazen deed golven: “Die hebben er altijd gewoond.”
“Maar ze hoeven hier toch niet meer te wonen? Niemand gaat meer naar kantoor. Dat soort geld wordt nog alleen virtueel gemaakt.”
“Je hebt gewoon veel oude families. Die weten niet anders. Maar...”
Hij gaf me een rietje voor de volgende lijnen.
“Ze houden ook gewoon van de spanning. Wie wil er nou in een villawijk wonen? Domme lui. Iemand met pretenties en statuur zoekt de tijdelijke confrontatie. De mogelijkheid van geweld en seks, van domineren en vernedering. Dat is altijd de succesformule: geld en ruïnes. Dat realiseerde men zich na de plagen. Toerisme slaat alles plat. Allemaal voorgekauwde lifestyles zonder creativiteit. En dat is on-Amsterdams. Een te grote middenklasse in combinatie met toerisme vormde een soort barrière en die is gereduceerd. En zo keert de spanning terug. Kijk om je heen, veel van deze jongeren gaan naar de beste scholen. Hun ouders zijn slippendragers van de oude elite, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, dat werk. Ze wonen allemaal in Zuid of op de Eilanden. En geloof me dat is niet vervelend wonen. Maar je blijft dicht bij het vuur. Dat hoort ook bij je opvoeding. Snap je?”
De cocaïne deed zijn sloopwerk. Vagelijk tussen de sterretjes door vroeg ik me af waar hij zelf woonde, al had ik zo een vermoeden.

Na een idyllische zomer begon het exact vanaf 1 september te regenen. De meeste Amsterdammers waren voorbereid en menigmaal kreeg ik de tip om te investeren in goede regenkleding.
“Al is het een oude legerjas uit de dumpstore. Dit gaat zeker tot eind maart zo door.”
Gekleed in een Zweeds exemplaar, volgens de verkoper bedoeld voor een N.A.V.O.-missie in Zuid-Oost Azië, probeerde ik me aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Die bevielen me al snel niet. Ik probeerde stemmige foto’s te maken van weerspiegelend neon in plassen, het Rijksmuseum dat in een stortregen leek te verdwijnen, stoïcijnse vrouwen in trenchcoats uit de vorige eeuw. Ze deden het aardig op mijn Insta. Een beetje niche omdat je weinig kanten op kon filteren met dat alles overheersende grijs. Haast onvermijdelijk liepen de likes daarna terug. Was dat niet een weerspiegeling van mijn eigen gesteldheid?

“Wat is er eigenlijk buiten Amsterdam?”
Het café wasemde een unieke geur van vochtig hout, drogende kleren, bier en wiet. Een van mijn buren, geboren en getogen, daar twijfelde niemand aan, antwoordde: “Ik ben sinds mijn achtste of zo niet meer buiten de A10 geweest, toen kon je daar nog gewoon over rijden. Echt waar. Maar volgens mij niet zoveel. De meeste polders schijnen blank te staan. Je hebt dat hele stuk wat onleefbaar is toen die te snel gebouwde minireactor plof deed. Wanneer wat dat ook alweer? ‘32?
“2034.”
“Nou ja, dat dus. 2034. Gelukkig stond er toen een noordenwind anders waren we hier ook allemaal de Sjaak geweest. Blijft eigenlijk Almere-Lelystad over. Toch de grootste stad van het land.”
Bij dat laatste woord maakt hij ouderwetse citaatgebaren.
“Lijkt mij niks hoor, 6 miljoen mensen, geen echt centrum. Van die, zeg maar, burgerlijke types. Kortom...”
Iedereen begreep zijn voorzet.
“Geef mij maar Amsterdam!”
Dit alles gevolgd door enthousiaste teugen bier. Ik kon geen kant op. Wat was ik nu? Gevangene? Had ik mezelf verbannen? Kon ik me Amsterdammer noemen? De regen nestelde zich langzaam maar zeker in mijn ziel. Ik was de weg kwijt. Het enige wat me op de been hield was de gedachte aan de lente, een leven zonder regen. Maar was er een alternatief als ik dat niet volhield? Uiteindelijk hoefde ik zelf geen keuze te maken.

Even stopte de regen wat het teken was om toch iets te gaan doen, al was het maar een paar foto’s nemen. Halverwege de brug dacht ik zowaar een zonnestraal waar te nemen. Ik bleef staan om de Herengracht te bekijken. Ik wist het licht te kaderen dat over het water dartelde en voelde weer die tinteling van vrijheid. Uit het niets stonden er drie mannen om me heen. Onopvallend gekleed in lange jassen, ik had dit soort figuren nog nooit eerder in de stad gezien.
“Zo meneertje, identiteitsbewijs.”
Ik wist meteen dat het voorbij was. Stom, sommige dingen veranderen nooit. Gelaten liet ik mij, aan beide armen vastgegrepen, meenemen. Zo werd ik in straf tempo langs de gracht richting het Centraal Station geleid. Af en toe ving ik een meewarige blik op van een bewoner die uit het raam hing of ons passeerde. En anders was er wel een “Hard voor je, ouwe.” van een kruisende fietser. Het deed me allemaal niks omdat het voelde alsof ik door een bubbel werd omhuld. Met elke stap verdween al het gevoel langzaam uit mijn wezen. Aangekomen bij het CS liepen we door een tunnel wat me uit mijn meelijwekkende trance haalde.
“Gaan jullie me vermoorden?”
Waarom niet het onvermijdelijke uitspreken? Zouden ze me wurgen? Neerschieten en mijn lichaam in ‘t IJ dumpen? Een van de agenten kon een glimlach niet onderdrukken.
“We vermoorden hier helemaal niemand.”
Zijn collega keek geconcentreerd voor zich uit, maar vulde aan: “Dat is gewoon een eng verhaal om pottenkijkers en radioactieve kakkerlakken af te schrikken.”
De derde agent die voorop liep moest grinniken.
“Sterke verhalen.”
Bij het water aangekomen wachtte al een politieboot. Aan boord werd ik aan een paal vastgeketend. Ik was de enige passagier. Een van de agenten tikte tegen het raam van de stuurkamer.
“Enkeltje Disneyland voor deze meneer.”
Zelfbewust nam ik nog een keer de stad in mij op. Programmeerde ik alvast een gevoel van nostalgie voor toekomstig gebruik? Op het moment dat we langs een pier voeren zag ik haar staan. Rokend alsof ze ergens op wachtte. Ik rekte me zo goed als ik kon over de rand en hoefde haar niet eens te roepen. Haar gezicht verraadde geen emotie en alleen haar wenkbrauwen liet ze cynisch omhoog gaan om daarna op haar horloge te tikken. Al snel verdween ze uit zicht, ik was toe aan vakantie.

(Amsterdam, 2020)

Download als epub.

dinsdag 24 maart 2020

Gabi Delgado-López (1958 – 2020)


De eerst helft van de jaren ‘80 behoorden toe aan Deutsch Amerikanische Freundschaft en met de dood van zanger Gabi Delgado-López voelde het meteen alsof dat definitief is gecanoniseerd. Samen met Suicide maakte D.A.F. elektronische muziek duister en gevaarlijk. Met zijn imposant, bijna karikaturaal, zware stem wist Delgado-López een ambivalent persona neer te zetten dat de Duitse romantiek mijnde, nietzscheaans flirtte met oorlog, dans en kracht, seksueel en politiek ambivalent was, nooit de knipoog hanterend waardoor iets als ‘Verschwende deine Jugend’ of 'Alle Gegen Alle' altijd serieus kan worden genomen. Het was de perfecte stem voor de nerveus springende sequencermelodieën in combinatie met de opzwepende drums van Robert Görl.

Precies de juiste muziek op het juiste moment: futuristisch maar rauw, met een punkhouding, stijlvol en intelligent, de dans richting de onvermijdelijke nucleaire holocaust. Die natuurlijk niet kwam en D.A.F. en Delgado-López solo dwong om positiever te gaan klinken, wellicht geforceerd al is zoiets als ‘Brothers’ uit 1986 door de jaren heen mooi gerijpt. De muziek van D.A.F. past bij de moderne ruïne-steden van de jaren 70-80: West-Berlijn, Hamburg, het Oude Amsterdam, steden die aan hun lot waren overgelaten, grijs, hard, ongemakkelijk en creatief. Vandaar dat de muziek van D.A.F. tot zeker midden jaren ‘90 steevast was te horen in Amsterdamse clubs. Ook omdat het duo een aantal bonafide dansklassiekers produceerde. 'Der Mussolini' vanzelfsprekend, al heb ik altijd versteld gestaan hoe ver ‘El Que’ en ‘Ein Bisschen Krieg’ hun tijd vooruit waren. Opzwepend met een heel eigen genot, een ingetogen masculiniteit die zich weet te bevrijden van gêne, geinjecteerd met een homeopathische dosis fascisme, een glimlach omdat men dit herkent en weet te hanteren.

Ik pas voor heldenverering maar moet toegeven dat Delgado-López, nadat ik D.A.F. ontdekte, een tijdlang een belangrijke figuur voor mij was, gewoon een van de weinige mensen waarin ik echt iets herkende. De Spanjaard in het buitenland die cool is en zich onderdompelt in een cultuur en deze eigen maakt, beter begrijpt dan de autochtoon. Vandaar dat het verlies anders voelt dan van een tijdperk dat wordt afgesloten (en toch al jaren niet meer bestond), het is dieper, persoonlijker, alsof een baken is gedoofd.

zondag 15 maart 2020

This is the news! Thrash metal als futurologie

De plaat die het best de huidige situatie verklankt is zonder twijfel Tomorrow’s Harvest van Boards of Canada, met zijn dreigende sfeer en mogelijk positieve einde waan je je, via oude VHS-films, in een traag verlopend rampscenario. En toch, het nummer dat me de laatste jaren achtervolgt is een 36-jarig oude trashmetal-banger. ‘Fight Fire with Fire’ van Metallica dat hun album Ride the Lightning (1984) opent. Het nestelt zich als een slogan in mijn hoofd als reactie op nieuws of zodra ergens een radicale oplossing voor nodig is, bijvoorbeeld de totale vernietiging van Airbnb. Na al die jaren heb ik eens de moeite genomen om het tekstvel erbij te pakken en blijkt het nummer een soort ‘Two Tribes’ van de metal te zijn, je basis jaren ‘80 atoomoorlogscenario. Maar het nummer staat niet op zichzelf, het album waar het onderdeel van maakt ook niet, noch het oeuvre van de band, nee, thrashmetal in dat decennium presenteerde een pessimistisch wereldbeeld dat in 2020 visionair klinkt.

 

...And Justice For All van Metallica geschreven (de tijd heeft helaas zijn invloed gehad op de opmaak), de plaat die een aantal thema’s van het genre bundelt tot een duistere sociologie. Heavy metal heeft vanaf het begin een negatief mensbeeld uitgedragen waarin geloof een fantasie is, autoriteitenvan ouders en leraren tot overheidniet te vertrouwen zijn, militarisme leidt tot een vroege dood, waanzin altijd kan toeslaan, vrouwen spoorloos verdwenen zijn en een nucleaire holocaust zijn schaduw over alles heen werpt. Dit alles zonder een uitweg te bieden anders dan verslaving of zelfmoord. Thrashmetal, voor een belangrijk deel afkomstig uit Californië, ontdoet metal grotendeels van metafysica (van de Satanische of Lovecraftiaanse soort) en rapporteert aan de andere, stoffige, zijde van de Amerikaanse hyperrealiteit. Een deel van de futuristische lading van thrashmetal is te verklaren door het feit dat het neoliberalisme in de Verenigde Staten met behulp van Reaganomics in rap tempo werd geïmplementeerd nadat het eerst in het laboratorium van Chili onder Pinochet was getest. Reaganomics kende zijn winnaars maar met een prijs, een groeiende kloof tussen arm en rijk en een afbraak van het sociale weefsel. Dit alles ingebed in een racistische en homofobe culture war om evangelische stemmers te paaien en met risicoloze militaire afleidingsmanoeuvres om patriottisme op peil te houden.

In het Verenigd Koninkrijk was de gelijktijdig aan de macht gekomen Thatcher er snel bij om hetzelfde recept toe te passen en in een wat zachtaardige, minder opgefokt militaristische versie zou ook Europa er in de loop van de jaren negentig aan moeten geloven wat ons in de huidige tijd brengt waar een Amerikaans medialandschap is geassimileerd, xenofobie moet afleiden van het falen van neoliberalisme en een terugval dreigt in autoritarisme, nu als surveillancemaatschappij met een dwingende conceptualisering van de sociale norm. In deze maatschappij zijn tegenkrachten meer dan ooit verstrooid, rebellie gekoloniseerd als lifestyle-keuze. Het is aan het individu op klimaatverandering tegen te gaan, om een kleine filantropie te bezigen, om psychisch te overleven zonder (zelf)medicatie, altijd met de dreiging dat de overheid je uit willekeur vermorzelt met inzet van slecht geautomatiseerde regelgeving. Alles wat ...And Justice For All in 1988 (en Dimension Hatröss van Voivod in datzelfde jaar) poneerde.

Het genre was vooruitziend in de diagnose maar bood thrash ook een oplossing? Ten dele, en dan vaak de zeer Amerikaanse oplossing van radicale vrijheid. Dave Mustaine van Megadeth biedt een uitweg als cynisch-hedonistische libertariër, licht paranoïde, alles afwijzend behalve individuele vrijheid. Metallica zou na ...And Justice For All een uitweg zoeken in een mix van emotionaliteit en survivalideologie die een vlucht uit het sociale betekent, een opgaan in de natuur (“So seek the wolf in thyself” – ‘On Wolf and Man’.) Slayer bood op Seasons in the Abyss (1990) de meest duistere variant van de seriemoordenaar, het individu dat boven de wet staat en beslist over leven en dood. Zelfs de meer “woke” bands als Anthrax, Sacred Reich en Sodom weten hun kritiek moeilijk om te buigen naar een positieve collectieve boodschap, toch al een lastige opgave voor muzikanten omdat men al snel prekerig overkomt. In die zin was thrashmetal zelf profetisch in het idee dat er geen alternatief is voor kapitalisme. Maar wil het nog evolueren (wat maar de vraag is in een vergrijzend genre), moet het net als Boards of Canada een wereld na de ramp ontdekken, een blik op de zon werpen, hoe wazig deze ook is, en zich verwonderen over de nieuwe levensvormen die opkomen uit een doodgewaande aarde.

maandag 17 februari 2020

Andrew Weatherall (1963 - 2020)



Het nieuws van het overlijden van Andrew Weatherall heeft me op een wezenlijk andere manier geraakt dan die van andere artiesten de afgelopen jaren. Onverwacht natuurlijk, veel te vroeg, ook, maar ik vermoed dat er met Weatherall iets meer sterft, dat er een afscheid wordt ingezet. Meer dan een in memoriam is dit dan een zoektocht naar dit gevoel van verlies, een plotse gewaarwording dat gebeurtenissen moeten worden gedocumenteerd voordat het te laat is en mijn geheugen vervaagt.

Weatherall heeft alleen al door ‘Loaded’, zijn remix voor Primal Scream uit 1990, een cruciale rol in mijn leven gespeeld. Dit was het nummer dat me definitief op het spoor van dansmuziek zette, waar ik, in al zijn complexiteit, een groot deel van mijn leven aan heb gewijd. Hij was natuurlijk niet de eerste remixer maar het was de remix die precies op het juiste moment, een soort transitie, van rock naar house, van jaren '80 naar '90, maar ook van tiener naar volwassene, in gang zette en mij als waarheid overweldigde.

In januari 1992 zag ik Primal Scream in Paradiso optreden met Paul Oakenfold als DJ vooraf aan het concert waarvan ik nog kan herinneren dat hij de Perfecto remix van U2’s ‘Mysterious Ways’ draaide omdat ik daar in opkomende ecstasy-golf van dacht “vooruit dan maar”. Na het trippy optreden van Primal Scream ging een deel van het publiek al naar huis terwijl de housers zich opmaakten voor een paar uur Weatherall. Van de muziek kan ik me geen details herinneren behalve dat je er heerlijk op kon dansen. Geen bekende tracks, in een eigen stijl die in niets leek op de toen populaire rave-stijl. Dansvloer en podium waren voor de dansers, Weatherall draaide ergens anoniem op het balkon. Na verloop van tijd bleven alleen de liefhebbers over voor wat me altijd zal bijblijven als een van de prettigste danservaringen die ik heb meegemaakt. Meer dan genoeg ruimte, gelijkgezinde jonge aristocraten van de beat in de buurt, geen druk, alleen maar vrijheid om te verdwijnen in ritme.

Met zijn talloze remixes en producties als Sabres of Paradise en later Two Lone Swordsmen groeide Weatherall uit tot essentiële figuur van de jaren negentig die, ik vermoed, altijd meer in het Verenigd Koninkrijk op waarde werd geschat dan in de rest van Europa (ook al zou hij de cruciale Hypercity cd uit 2001 mixen die techno op het vasteland nieuw leven inblies.) Het duurde dan ook meer dan tien jaar voordat ik hem weer eens zag draaien, dit keer in Club 11, de wat afstandelijke club met uitzicht op nachtelijk Amsterdam. Ook weer een bijzondere ervaring omdat twee dagen voor kerst de dansvloer niet was afgeladen. Alweer een set zonder bekende krakers, zonder effectbejag van breakdowns maar een zelfverzekerde, opbouwende puls die op niemand anders leek.

Weatherall was een veelzijdige producer/muzikant/DJ die altijd nieuwe dingen uitprobeerde. Zijn trage remix van Björks ‘One Day’ is pure narcotica, de Dub Chapter 3 remix van Primal Screams ‘Jailbird’ een dubmarathon van bijna 13 minuten. De single ‘Wilmot’ met zijn calypso-basis leek in 1994 op niets anders. Het werk van Two Lone Swordsmen was grauw en abstract terwijl zijn DJ-sets vaak gewoon opgewekt klonken (luister bijvoorbeeld naar zijn prachtige, lange set op de Primal Scream after-party uit 2011). En Weatherall was niet bang om in zijn zoektocht te falen. Zijn remix van My Bloody Valentine’s ‘Soon’ heeft altijd houterig geklonken, het A Pox on the Pioneers album onder eigen naam is een misbaksel en The Asphodells stierf ook een stille dood. Het was nooit een rampzalige misstap, er was altijd tijd voor een nieuw experiment.

De laatste keer dat ik Weatherall meemaakte was tijdens Dekmantel 2014 op een zonnige middag in het Amsterdams Bos. In daglicht een vreemde ervaring maar door het kleine podium halfverscholen in het bos ergens ook intiem. De energie van rave is allang vervlogen, bij mij maar ook in de cultuur zelf. Alles is voorgeprogrammeerd in het eclectische raamwerk van het festival. Vrijheid, zelfexperessie, verlies van zelf zijn allemaal ondergeschikt gemaakt aan consumptie, presentatie en het sociale. En toch, terwijl mijn vrienden ergens anders naar toe gaan, blijf ik bescheiden bewegen op de intrigerend subtiele kadans die de inmiddels bebaarde Weatherall opzet. Geen geknal, geen rare fratsen of gebaartjes, gewoon heel geconcentreerd laag op laag bouwend, ritmes waaruit stemmen verschijnen die je verder duwen tot een plezierig plateau. Alweer, helemaal eigen, totaal anders dan zijn vorige sets...ambachtelijk.

Nu ik me door woorden heb laten leiden herken ik die vreemde relatie waarbij een onbekende zich in je leven kan weven, wiens muziek over een periode van 30 jaar onderdeel wordt van je identiteit. Het gevoel van verlies is een afscheid van een deel van jezelf, van jonge dromen, zorgeloosheid, ongewilde transformaties, teleurstellingen en het besef dat het feest ook voor jou zal eindigen. De lichten gaan aan, de betovering verbroken, buiten wachten flarden van een nieuwe ochtend.

zondag 5 januari 2020

Speculaties over de jaren ‘20

Genoeg lijstjes en terugblikken, dat is makkelijk. Nu is het tijd voor speculaties, dagdromen en wellicht slapeloze nachten. 2020 – 2030, dat klinkt toch als serieuze sciencefictionshit, de diepe 21ste eeuw. Veel is al de afgelopen jaren in gang gezet en sommige dingen die ik zal bespreken zullen klinken als een remix van eerdere observaties. Hoe dan ook, de toekomst is best wel groot dus ik zal me beperken tot drie van mijn favoriete thema’s.



Klimaatverandering 

In The Peripheral (2014) lanceerde William Gibson in een apart hoofdstuk het idee van de jackpot, een trage apocalyps die een groot deel van de mensheid uitroeit. In het afgelopen decennium zijn de gevolgen van klimaatverandering steeds duidelijker merkbaar geworden. Zelfs zogenaamde “sceptici” hebben dit geaccepteerd en blijven uit routine hun rol van trol spelen of verleggen de aandacht naar ontkenning light: “het is te laat”, “het is onbetaalbaar” of het propageren van hun vreemde fetisj “nu kernenergie!”. We bevinden ons natuurlijk al lange tijd in de jackpot, veel te lang om er nog aan te ontsnappen. De jackpot werd in de 18de eeuw ingezet met de industriële revolutie, een economie die wordt voortgestuwd door fossiele brandstoffen. Historici van technologie hebben inmiddels genoeg bronnen in kaart gebracht die duidelijk maken dat op wetenschappelijk, economisch en politiek gebied al lang bekend is dat de uitstoot van fossiele brandstoffen tot klimaatverandering leidt. De momenten om de jackpot op serieuze manier te ontlopen zijn gepasseerd, de laatste klimaattop in Madrid was meer een ritueel dat vooral nut heeft om te duidelijk te maken wie echt nihilistisch is.

Met de stijging van het gemiddelde mondiale temperatuurgemiddelde gaan de lokale temperaturen de komende jaren vanzelfsprekend stijgen wat tot meer van dezelfde #nofilter-beelden zal leiden uit India, Australië en China. Een ervaring die voor ons in Europa al snel een routineus spektakel zal worden, een hyperrealistisch horrormoment tijdens het scannen van de nieuwsfeeds. Totdat de Nederlandse stranden zichtbaar slinken zal het voor ons een afstandelijk fenomeen blijven met iets warmere zomers, roestende schaatsen en onverwachte regenpatronen. En toch heeft Nederland zich gebonden aan internationale klimaatdoelen wat bij Rutte na de definitieve Urgenda-uitspraak bijna tot boze tranen leidde als een iemand die betrapt is op het niet maken van zijn huiswerk. De Nederlandse overheid had zich jaren geleden moeten voorbereiden op een omslag maar zal ongetwijfeld speculeren op het grote poldermoeras van traineren, afleiden en tegenwerken terwijl brave burgers een kleine bijdrage leveren aan een duurzame levensstijl. Een fascinerend fenomeen overigens dat in landen waar klimaatverandering op directe wijze zal toeslaan, psychisch de grootste weerstand wordt geboden. Tenzij men voorstander is van het idee dat de mensheid beter kan verdwijnen om andere levensvormen een overlevingskans te geven is een systeemverandering onvermijdelijk en (eerlijk is eerlijk) zeer complex, helemaal op korte termijn. Kapitalisme in nood kiest dan liever voor de makkelijke uitweg, namelijk de alliantie met fascisme.

Fascisme 

Populisme Het nieuwe fascisme manifesteert zich, zeker na de verkiezing van Trump, steeds zelfverzekerder. Het heeft een formule gevonden die onweerstaanbaar is voor een grote groep kiezers. Een mengsel van ressentiment, “owning the liberals” en het zonder gêne feitenvrij onzin verkopen. Maar het is ook een politiek fenomeen dat nog niet zijn ware aard heeft laten zien. Een gevaarlijke situatie omdat westerse democratieën zich de afgelopen 20 jaar zonder serieuze zelfreflexie hebben omgevormd tot controlestaten. Als deze in de handen van fascistoïde partijen vallen kun je het als tegenbeweging of inwoner die niet aan bepaalde eisen voldoet vergeten.

Omdat de totalitaire variant binnen de Europese Unie lastig is te voltooien zou je kunnen spreken van een hybride (neo)fascisme dat nooit helemaal de democratie kan afschaffen en streeft naar een soort permanente staat van onzekerheid, een mediacratie waar hypes en crises worden uitgebuit voor politieke interventies, vaak van symbolische aard, zonder militaristisch machtsvertoon, zonder concreet te worden. Het fascisme van de interim-manager, grijs, zonder fantasie of esthetiek.

Het is lastig om een effectieve strategie te formuleren tegen een tegenstander die nooit zijn ware aard toont. In principe bestaan er in Europese landen drie belangrijke barrières tegen fascisme voordat geweld onvermijdelijk wordt: parlementaire democratie, journalistiek en de Europese Unie. In veel landen zie je dat politiek en media elkaars rol hebben verzwakt door politiek om te vormen tot een soort infotainment met een taal die bijna niet meer is te onderscheiden van sportjournalistiek. In Nederland zijn deze twee barrières al een tijd geslecht. Zoals neonazi’s weten, is alleen de Europese Unie nog een geduchte hindernis, reden waarom ze er altijd over klagen. Hybride fascisme zal binnen de kaders van de E.U. moeten functioneren aangezien opzegging door een meerderheid van de bevolking gezien wordt als een te radicale stap. Wat ontstaat is een fascisme dat continu probeert om grenzen op te zoeken, op de vingers wordt getikt en vervolgens de slachtofferrol speelt. Het is een fascisme dat nooit definitief wordt maar vanzelfsprekend genoeg schade kan aanrichten, met name met het tegenwerken van noodzakelijke veranderingen op het gebied van duurzaamheid en het bestrijden van ongelijkheid.

Zo ver hoeft het niet te komen maar politiek en media zijn duidelijk aan herziening toe. Een essentiële verandering is het compleet veranderen van de huidige journalistieke gebruiken. Omdat kranten onderdeel zijn geworden van mediaconglomeraten die de neoliberale consensus dienen te beschermen is het lastig om dit van gevestigde kranten te vragen en is men op het moment afhankelijk van alternatieven als Follow the Money. Toch moet men zien te breken met het Angelsakische krantenmodel en terugkeren naar de hoofdtaak van kritische beschermer van de democratie. Dat betekent concreet het afschaffen van bothsidesism, het kritiekloos portretten van politici, investeren in onderzoeksjournalistiek ten koste van opiniepagina’s en lifestylebijlages en moeten met name politiek journalisten stoppen met de afleiding van social media (Signal is de enige onmisbare app voor de beroepsgroep.)

Politiek moet er vanzelfsprekend een allesoverkoepelende visie worden uitgedragen die breekt met het neoliberalisme. Opgedeeld in concrete plannen, in duidelijke taal waarmee wordt uitgelegd hoe het beleid van de afgelopen 30-40 jaar de sociale cohesie heeft geërodeerd en wat realistische alternatieven zijn. Niet perse een exclusieve taak van linkse partijen, maar het helpt als zij initiatief tonen.

Cultuur 

De opkomst van het entertainmentcomplex waarin media keiretsu heersen over ongelijk verdeelde streaminginkomsten en multimediale artiesten, digitale films lanceren die gedurende het volledige ontwikkelingstraject zijn doorgetest en een eindeloze reeks spin-offs van klassiekers en successen dumpen die steeds vaker de vorm zullen krijgen van remixes met samples van acteurs uit het verleden, is een zorgwekkende tendens die parallel loopt aan de groeiende ongelijkheid die het neoliberalisme produceert. In de schaduw van dit complex zal het “kleine” alternatief blijven bestaan mits de artiest beseft dat een creatief leven buiten de doxa geen financiële zekerheid of populariteit biedt.

Social media hechtten zich het afgelopen decennium in levens, werden onderdeel van de identiteit. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de huidige social media het volgende decennium zullen halen. In deze vorm zijn ze te primitief en kunnen ze de verzadiging/verveling van gebruikers niet voorblijven, al hebben ze ongetwijfeld hun nut gehad. Met name het creëren van de, vaak bekritiseerde, filterbubbel zal positieve consequenties hebben. De filterbubbel, nu nog vaak met tegenzin mogelijk gemaakt door platforms, beschermt het individu vooral tegen bots en trollen wat gezond is voor de psyche. Die filters zullen krachtiger worden naarmate de online ervaring virtueler en dieper wordt, meer op de privacy van je dagelijkse leefomgeving gaat lijken, zonder vampiers die continu op je raam tikken.

Het individu zal door steeds meer realiteitslagen bewegen, waarbij het digitale systeem de perceptie ingrijpender zal kleuren: de kale materiële wereld soms aangekleed met augmented reality, digitaal “verrijkte” klassieke media (radio en televisie), een platte online wereld, virtuele werelden en een ideosfeer/noösfeer. De vraag wat echt is, zal over tien jaar wat betreft elke digitale manifestatie vrijwel onmogelijk te beantwoorden zijn, wat het terugtrekken in eigen realiteiten, afgebakend door protocollen van authenticiteit, alleen maar zal versnellen. Populair nihilisme zal bestaan uit een totale overgave aan de stroom van de deep fake. Daarnaast zal een groeiende groep mensen in Europa het digitale domein verlaten en zich vestigen in berggebieden en verlate plattelandsdorpen, ver van de stad, het digitale en de consumptie/status-race.

De afgelopen jaren verwachtte ik steeds duidelijker de contouren van een ecologische cultuur met een daarbij horende nieuwe esthetiek te zien. Nu ben ik daar pessimistischer over en lijkt esthetische vernieuwing zich, zeker op visueel vlak, tergend langzaam te ontwikkelen. Maar er is hoop in de vorm van een psychedelische renaissance die vanuit de Verenigde Staten en Canada zal opkomen. Nadat cannabis op federaal niveau is gelegaliseerd gaat men de aandacht richten op het legaliseren van psilocybine, gevolgd door mdma en lsd. Vanzelfsprekend zal dit allereerst via de therapeutische weg gaan (gezien de toename van wetenschappelijke onderzoeken volkomen terecht) maar ergens mist die veilige route ook de simpele waarheid dat psychedelica als mdma, lsd, dmt, psilocybine, mescaline maar ook ketamine gewoon goed zijn voor de “ziel”. En cultuur. Grootschalig gebruik resulteert zonder twijfel in meer empathie, tussen mensen onderling maar ook met de natuur. Bovendien is een betere motor voor een nieuwe cultuur moeilijk voor te stellen. De ideosfeer van psychedelica verbindt de realiteitslagen en heeft als groot voordeel dat het onkoloniseerbaar is voor machthebbers en kapitalisme. Het is een domein van vrijheid waar meer dan ooit behoefte naar bestaat en die zonder schuldgevoelens in de levens van de 21ste eeuwse mens moet worden gesitueerd. Het is de plek waar ecologie, antifascisme en cultuur samenkomen om de ware uitdagingen van de rest van de eeuw (altijd klimaatverandering, de veranderende relatie tussen mens en machine, het vormgeven van artificiële intelligentie) te confronteren.

Foto 1 door Rob Russell gepubliceerd onder Creative Commons 4.0 licentie.
Foto 2 door Lauren Manning gepubliceerd onder Creative Commons 4.0 licentie.