zaterdag 14 juli 2018

Peak Nineties: Tortoise Remixed



Binnen iets van 5 jaar gaat de cd-revival beginnen. Er komt een run op vintage jaren ‘80 cd-spelers en natuurlijk de schijfjes zelf, inclusief oneidige discussies welke de beste klinken. Kortom, pro-tip: sla het cassetteverhaal over en laat het slinkende en te dure tweedehands vinyl liggen (alles van die eindige verzameling is wel weer ongeveer herverdeeld). Nu is de tijd om in de goudmijn te delven van afgedankte cd’s. Voor 3 a 5 euro vind je prachtige albums die, als je een beetje oplet, foutloos klinken. Wat met name goed uitkomt wanneer je naar de hyperkinetische jaren ‘90 terugkeert om gaten te vullen in je collectie, platen die je vergat te kopen omdat er al zoveel interessants werd uitgebracht of die gewoonweg moeilijk waren te vinden (online platen kopen was nog geen optie.)

Zoals Tortoise Remixed uit 1996. Een achteloos twittergesprek deed me weer teruggrijpen naar de muziek van de postrockformatie en opeens herinnerde ik me dat ze hun werk hadden laten remixen door Markus Popp van Oval. Ooit ergens als mp3 gevonden maar nooit echt de moeite gedaan om de Music For Work Groups EP te zoeken. Die twee remixes staan gelukkig ook op de remix compilatie Tortoise Remixed die voor een supervriendelijke prijs via Discogs in Japanse cd-editie verkrijgbaar was.

Tortoise presenteert zich hier als de ultieme hipsters, niet in de latere zin, maar in de originele betekenis van het woord: witte jazz-liefhebbers uit de jaren ‘50 die wisten wat cool was, een levensstijl opbouwden uit de juiste kennis van muziek, taal, kleding, boeken en seks. De leden van Tortoise waren misschien verweven in de muzikale scene van Chicago, ze wisten dat ze voor de echte cool een omgekeerde beweging over de Atlantische Oceaan moesten maken om iedereen een stap voor te zijn. Want in Europa gebeurde het. Tortoise Remixed is hele precieze tentoonstelling van de muzikale pijlers van de jaren negentig: techno, jungle, triphop en glitch. Het enige wat eigenlijk nog mist is een Stereolab-cover (niet toevallig genoemd, want een groep waarvan John McEntire een aantal albums zou produceren.) Het is samen met Macro Dub Infections Vol.1 een van de beste samenvattingen van de jaren negentig.

Het is wel een samenvatting met een bepaalde insteek, namelijk die van een speelse en opgewekte elektronische muziek, die ook heel goed past bij het basismateriaal van Tortoise. Hier geen subbas-bombardementen van Peshay, desolate Plastikman-bliepjes of Panasonic betonmolens, iedereen houdt het lichtvoetig, waarbij de twee zonnig experimentele remixes van Popp nog steeds klinken als een toekomst die moet plaatsvinden. Buitengewone muziek. In zekere zin vormt dit echt de piek waar de wilde dansvloerexperimenten van de voorgaande jaren op slimme wijze worden verfijnd maar ook ontdaan worden van hun duistere energie. Je weet tegenwoordig dat veel van deze eerste aanzetten zullen vervallen tot clichés van het “jazzy” geluid, drum ‘n bass light, ironische triphop, glitch pour le glitch. Een definitieve versplintering en verwatering van de Big Bang van rave. Hoe dan ook, een mooi moment om weer terug te halen, en je en passant af te vragen hoe het anders had kunnen lopen.

maandag 21 mei 2018

De 6e van GAS: de Kosmische Symfonie



Onlangs werd Stephen Malkmus (Pavement, The Jicks) naar een lijstje van favoriete platen gevraagd en slimme dude die hij is, kwam hij met onverwachte keuzes aanzetten waaronder de minimale house van Polar Intertia waarover hij opmerkt:
I like a huge tune too. I’ve heard some modern trance songs that hit the 90s’ really hard and I didn’t like it when it first came out, but now it reminds me of being on tour in Europe and England when dance music was taking off and ecstasy and stuff. It seems almost kind of sweet to me; it doesn’t make me think of dying from being dehydrated. It wasn’t my life, I didn’t think there was a dance revolution happening at the time, but there was obviously, if we’re looking at the economics of DJ culture.
Ik vind het sympathiek dat een indie-Amerikaan op bezoek in Europa dat opviel en fascinerend vond, maar te onhandig of zelfbewust was om, zoals Panda Bear later wel zou doen, een sprong te wagen in dat nieuwe geluid. Maar waar het mij weer op wees is dat die intens creatieve periode is afgesloten.

Waarmee geenszins een einde is gekomen aan de ontwikkeling van techno. We bevinden ons al sinds het begin van de eeuw in een, hoe vervelend dat ook mag klinken, volwassen periode van dansmuziek, een hogere techno zo je wilt, van verfijning en verdieping in plaats van breuken en─waarom niet─jouissance. In deze fase kan nog steeds een buitengewone muziek verschijnen: de heidense onderdompeling in ritme van James Holden, de cybernetische Ring-cyclus van Autechre’s NTS Sessions en sinds vorig jaar weer: GAS.

Na Narkopop is er een jaar later alweer een nieuw album van Wolfgang Voigt met de prachtige titel Rausch, dat op meerde manieren is te vertalen als opwinding en extase (met een mogelijke associatie naar Rauschen: ruisen, van de bosbeekje en wind maar ook van het bewustzijn in een versnelde extase.) Je maakt je als luisteraar op voor een verheffende trip van een uur, waarbij de ritmeloze introductie met hints naar Pink Floyd op lijkt aan te sturen. Natuurlijk presenteert Rausch weer een wandeling of rit door het woud, maar wanneer de drums opkomen neemt de muziek direct een duistere wending.

De beat klinkt zompig, de stappen zijn zwaar. Dit is een psychedelisch woud waaruit als in talloze mythologieën een reusachtige boom richting de hemel reikt. Maar het tijdperk van goden is voorbij en deze boom vertakt richting de kosmos, waar duisternis heerst, afgewisseld door wonderlijke chemische processen, sterren die geboren worden, ontelbare werelden die opkomen en weer verdwijnen, een eeuwig proces van wording.

Muzikaal heeft Voigt zijn bronmateriaal voor deze kosmische reis aangepast, minder Wagner en Mahler met daarvoor in de plaats, naar alle waarschijnlijkheid, Schönberg en Ligeti. Halverwege valt de beat weg en laat Voigt je eenzaam door de ruimte zweven en welhaast oplossen in het niets waarin alleen nog een machinale brom als van een ruimteschip klinkt, iets wat na een vriendelijkere opleving vol zachte snaren nog eens in deel 6 wordt herhaald. Het stuk lijkt uit te doven maar zet nog een keer aan om op gemene wijze plotseling echt te eindigen.  

Rausch is in alles gewoon weer GAS, en wat mij betreft volgen er de komende jaren nog zes delen. Voigt weet telkens weer een andere uitkomst uit zijn gouden formule te toveren. Rausch is, denk ik, zijn meest duistere werk tot nu toe, wat door sommige luisteraars wordt gezien als een commentaar op de hedendaagse politieke gifdumping in het toch wel ambivalente symbool dat het Duitse woud is. Het is muzikaal in ieder geval zijn meest subtiele werk. De verschuivingen zijn door de opzet als een doorlopend muziekstuk nog subtieler en kunnen bij een iets te nonchalante luisterbeurt makkelijk aan de aandacht ontsnappen, wat Rausch misschien iets minder praktisch maakt als ambient, maar een eigen plek geeft binnen deze wonderbaarlijke reeks.

zaterdag 24 maart 2018

De toekomst van Amsterdam



Met de langverwachte overwinning van GroenLinks bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen breekt een cruciale periode aan voor de hoofdstad. Nu we de diepe 21ste eeuw inglijden moet Amsterdam serieus worden omgevormd tot een moderne stad. De gemeente Amsterdam zal de rest van de eeuw uitgroeien tot een miljoenenstad die richting het westen wordt uitgebreid, in oostelijke richting uiteindelijk ‘t Gooi en in het noorden Purmerend zal assimileren Kortom, een conglomeraat met verschillende kernen.

Dat is nog een vergezicht. Daarentegen zullen de komende jaren in de huidige stad een aantal drastische maatregelen moeten worden genomen waar de lokale politiek al decennia om heen draait. In de binnenstad botsen drie grote groepen: automobilisten, toeristen en fietsers (scooterrijders vormen een geval apart.) Een van deze drie is duidelijk teveel en moet verdwijnen. De reflex is dan om de makkelijkste groep te slachtofferen: de fietsers (hier en daar, in altijd behulpzame media, al voorzichtig zwart gemaakt.) Onmogelijk, want fietsers bestaan voor het grootste gedeelte uit inwoners van de stad zelf (al zijn er ongetwijfeld politici en projectontwikkelaars die eigenlijk liever een stad zien zonder inwoners.) Toeristen worden op hun beurt graag door bewoners gedemoniseerd en de toeristenindustrie heeft onmiskenbaar voor een aantal problemen gezorgd maar is economisch te belangrijk om terug te draaien. Het logische doelwit is dus de auto die teveel ruimte inneemt, gevaarlijk is en vooral vervuilend. Bovendien loopt het tijdperk van de fossiele brandstof ten einde en hoe eerder men zich aan die situatie aanpast hoe groter de voorsprong op andere steden en gebieden die in achterhaalde technologieën blijven volharden.


De binnenstad van Amsterdam is natuurlijk altijd ongeschikt geweest voor de hoeveelheid autoverkeer die is opgekomen sinds de jaren ‘60. In een vlaag van optimisme wilde men destijds dan maar de stad ombouwen tot een autostad. Door dat idee is met de Nieuwmarktrellen van 1975 definitief een streep getrokken en het blijft teleurstellend dat een superlinks stadsbestuur (met CPN!) toen niet heeft kunnen inzien dat de binnenstad autovrij moest worden (ironisch genoeg was de oorzaak van de rellen een gecombineerde aanleg van autoweg en metrolijn waarvoor de wijk gesloopt zou worden.) Sindsdien is langzaam begonnen met het terugdringen van de auto, maar volgens goede Amsterdamse traditie in stappen vol compromissen en uitzonderingen waardoor de kern van het probleem niet verdween en chaotische verkeersstromen zijn ontstaan. Het autoverkeer neemt niet af en daarmee lijkt de verbetering van de luchtkwaliteit, ondanks betere roetfilters en de groeiende populariteit van hybride en elektrische auto's te worden geneutraliseerd door de opkomst van de scooter (en de aanmerende cruiseschepen).

Nu GroenLinks een sturende rol gaat spelen, moet het zijn coalitiegenoten dwingen om de auto in fases terug te dringen. Bepaalde buurten en straten moeten snel autovrij gemaakt worden, ik denk hier in eerste instantie aan de meest absurde locaties zoals de complete Nieuwmarktbuurt, de Negen Straatjes, Nes en Haarlemmerdijk. De parkeergarage bij de Bijenkorf moet op den duur gesloopt worden, alleen al omdat dit een blijvend excuus is om onnodig auto’s tot het hart van de stad te laten doordringen. En over een bepaalde periode zal dit gebied worden uitgebreid via de grachten totdat het gebied dat loopt tot de Sarphatistraat – Weteringschans – Marnixstraat autovrij is. Hybride taxi’s zullen mogen blijven rijden door een select aantal straten en hiermee kan meteen een einde worden gemaakt aan de (nachtelijke) overlast van Über. Vanzelfsprekend hoort hier een verbeterd en (veel) goedkoper openbaar vervoer bij. Zonder autoverkeer zullen trams efficiënter opereren. Bestaande metrolijnen kunnen doorgetrokken en gesplitst worden om buurten beter bereikbaar te maken.

Dat betekent natuurlijk niet dat toerisme ongemoeid mag blijven. Airbnb zal nog strakker moeten worden ingeperkt en anders verdwijnen. De bouw van hotels moet gestopt worden. De voorzichtige ingreep op de winkelverhuur zal strakker moeten worden waardoor een serieuze terugdringing van toeristische onzinwinkels kan plaatsvinden. One-offs, kleine initiatieven, mysterieuze winkels die men per ongeluk ontdekt, moeten weer een kans krijgen. Alles hoeft niet plat en uitgekauwd te zijn. De Amsterdammer wil ook weer zijn stad herontdekken.

Dit zijn voor de meeste Amsterdammers geen controversiële onderwerpen, je had als kiezer meer dan genoeg keuze uit partijen die het op grote lijnen met elkaar eens zijn over dit soort onderwerpen. Hotels, ondergrondse garages, nieuwe kantoorruimte zijn overbodig in een stad die smacht naar betaalbare woningen. De rest: onderwijs en vergroening kunnen bij een uitgekiende coalitie zonder veel moeite daarna tot speerpunten worden gemaakt. Op deze manier ontstaat een stevige basis voor een extreem leefbare stad die de grotere uitdagingen van de 21ste eeuw –klimaatverandering, vergrijzing en vergaande digitalisering in al zijn vormen- met redelijk gemak aankan. Het is dat of een stinkend pretpark.

maandag 26 februari 2018

Mute: Weimar 2.0 binnen handbereik



Het grote probleem van de hedendaagse sciencefiction is nog steeds de dystopie. Het cliché, dat heel traag in het genre is geslopen en een verstikkende invloed is gebleken. De paranoia, de controlestaat, milieuvervuiling en hackers voelen inmiddels als een nieuw soort naturalisme. Dus hebben we nieuwe werelden nodig, dat wat sciencefiction altijd heeft gepresenteerd. Wat Mute, de nieuwe film van Duncan Jones, interessant maakt is dat het op subtiele wijze een uitweg biedt.

Daarvoor keert Jones terug naar het vasteland van Europa, wat direct een positie biedt tussen de twee grote polen van Amerikaans fascistoïde cyberpunk ter verering van de blanke man en Japans techno-animisme. Net als zijn vader vindt hij in Berlijn een ander soort stad, een nieuw futurisme. Dit Berlijn uit de toekomst voelt goed, bevindt zich in hetzelfde tijdspoor als de originele Blade Runner maar heeft zijn eigen sfeer.

 

Het is een omgeving die zich leent voor verhalen op straatniveau. Er is een hint van een internationaal conflict waar Amerikanen zich natuurlijk weer tegen aan hebben bemoeid maar dat lijkt op een afstand plaats te vinden. Verder is er geen politie te bekennen, spelen politici, hackers noch multinationals een rol in het verhaal. En is geen schietwapen te bekennen. De stad ziet er cyberpunk uit, maar alle clichés van het genre zijn afwezig. Dit Berlijn is een geloofwaardige toekomst, een mix van nieuw en oud (zoals er met credits en papiergeld kan worden betaald), licht decadent, vrij en leefbaar.

Hier ligt het belang en het potentieel van Mute dat verder moet worden uitgewerkt. Wat deze wereld nodig heeft, is een nieuw narratief dat breekt met de conventies van de film noir en wraakfilm. Jones lukt dat nog niet maar het hoeft geen onmogelijke taak te zijn als men durft te breken met de duffe conventies van het Amerikaanse scriptschrijven, “het goede verhaal”. Er is nog een stap nodig en die ligt ten oosten van Berlijn in de zoekende traagheid en vervreemding van Tarkovski en Żuławski. Weimar 2.0 bereikt men via films als Possession, Welt Am Draht, Stalker.

maandag 12 februari 2018

Wat is nu de echte Loveless?



“...if he had his way, MBV wouldn't even come out on vinyl at all, the CDs would sound a whole lot better too!”

        Uit het 1991 NME interview met My Bloody Valentine

Eindelijk de tijd gevonden om de analoge remaster van Loveless rustig te beluisteren. De uitvoering van de remasters is echt prachtig, met luxueuze uitklaphoezen en zwaar vinyl, maar ik wil het nu puur hebben over het geluid. Dat is zoals te verwachten zeer mooi: uitgebalanceerd een kraakhelder, elk element waar de muziek uit is opgebouwd lijkt nu hoorbaar. De metafoor waar je niet aan ontkomt is van een renaissanceschilderij dat door de beste restaurator wordt hersteld en waardoor nieuwe kleuren en tinten tot leven komen.

De opvallendste veranderingen zijn wat mij betreft op het eerste gehoor:

– De bas. Kevin Shields is een meester van de mid-range en Loveless klonk daardoor nooit echt zwaar. Eigenlijk wordt nu duidelijk waarom: de bas is vaak afwezig, maar wanneer hij klinkt dan hoor je hem nu ook echt zonder het gevoel dat hij overdreven is opgevoerd.

– De intermezzo's. De geheime wapens van Loveless die wanneer ze bezig zijn vaak, als echte ambient, worden vergeten. Dat is nu lastiger want ze klinken dieper en helderder, momenten waarin je totaal verzinkt en omdat je nooit helemaal weet hoe lang ze duren, schrok ik dit keer ook echt toen ‘When You Sleep’ er in knalde.

– De ruimtelijkheid. Dit is een wat persoonlijke perceptie maar het lijkt alsof de manier waarop tracks de ruimte vullen verschilt. Het duidelijkst vond ik het verschil tussen ‘Sometimes’ dat de vorm van een muur heeft en ‘Blown a Wish’ dat meer horizontaal klinkt.

– Details. Veel onverwachte details, met name in de stemmen die voller klinken en langer lijken aan te houden. De Fairlightachtige panfluitmelodie in ‘Sometimes’ trilt opeens lichtjes. Er doemt tegen het einde van ‘To Here Knows When’ herhaaldelijk een mysterieuze brom op. De akoestische gitaar is meer aanwezig, je zou met die basis van de liedjes—ik moet mensen eigenlijk niet op het idee brengen—bijna uitvoeringen voor die Satanische Coffeehouse playlists kunnen maken.

– ‘Soon’. Het nummer dat, wat mij betreft, het meest wint door deze remaster. Het drumgeluid is afgetekend, de gitaarwaaier is beter dan ooit en alles lijkt naadloos in elkaar te passen (voorheen klonk het meer als een collage.) Het is nu echt onderdeel van het album.

Als een meer algemene opmerking die niet per se met de mastering te maken heeft, klinkt Loveless opgewekter dan ik gewend ben. Misschien ligt daar een opening naar een soort tweede leven van de plaat, want er huist ook een wat melancholische pessimist in mij die niet kan ontkomen aan het idee dat hier iets, een proces, wordt afgesloten. Alsof alle geheimen van Loveless in een keer hoorbaar zijn geworden. Ik vermoed dat ik daarom nog vaak genoeg zal grijpen naar de 1991 cd. In zou bijna zeggen dat die intiemer klinkt, maar dat is niet zo, het is een ander soort intimiteit. De intimiteit van de analog remaster is een van nabijheid, je kunt je bewustzijn bijna in de muziek steken en naar believen inzoomen op een detail. De intimiteit van de 1991-versie is een sublieme wolligheid die je vreemd genoeg zelden associeert met compact disc, maar wel erg van die tijd is. Kortom, wat is de echte Loveless: de helderste of de geleefde versie?

Over de Isn’t Anything remaster en de mysterieuze 2016 versie die een aantal van ons erbij kregen heb ik het weer andere keer.

Verder lezen:
Mijn remaster van de analyse van het gitaargeluid van ‘To Here Knows When’

En een artikel in Kindamuzik uit 2003 over Loveless en de invloed ervan op elektronische artiesten.

woensdag 24 januari 2018

Ursula Le Guin (1929 – 2018): een alternatieve fantasie



“In modern fantasy (literary or governmental), killing people is the usual solution to the so-called war between good and evil. My books are not conceived in terms of such a war, and offer no simple answers to simplistic questions."

Het overlijden van auteur Ursula Le Guin voelt als een zacht einde van een tijdperk. Natuurlijk leven er nog een aantal tijdgenoten, overlevers van een bont gezelschap dat de sciencefiction in de jaren zestig en zeventig transformeerde, maar zij was waarschijnlijk nog de laatste van het kaliber Philip K. Dick (met wie ze samen op de middelbare school zat) en J.G. Ballard. Die twee heb ik bijna alles van gelezen terwijl Le Guins oeuvre veel meer in delen uit een viel: in een deel sciencefiction en een deel fantasy (iets wat ze zelf ongetwijfeld zou bestrijden), waarbij dat laatste me nooit heeft aangetrokken.

Artiesten kennen vaak een redelijk korte periode waarin alles op zijn plek valt en in welhaast visionaire staat een definitieve sprong voorwaarts wordt gemaakt. Ik denk dat Le Guin een dergelijk moment kende tussen 1969 en 1974 waarin ze drie meesterwerken schreef: The Left Hand of Darkness (1969), The Lathe of Heaven (1971) en The Dispossessed (1974). The Lathe of Heaven is het meest spectaculair vanwege de manier waarop ze Dicks permeabiliteit van de realiteit voor eigen doeleinden inzet. Maar zelfs dan nog is ze ingetogen, weet ze een balans te vinden tussen pessimisme en optimisme, de twee polen waar sciencefiction naar neigt uit te slaan. Sciencefiction is inmiddels bevolkt met vloeibare genders waardoor het steeds moeilijker wordt om voor te stellen hoe radicaal The Left Hand of Darkness destijds moet zijn geweest, dat vreemde, intieme avontuur tussen twee individuen uit compleet andere culturen die Le Guin beter dan welke auteur wist uit te diepen. The Dispossessed, ten slotte, is het meest realistische boek dat over het verlangen naar utopieën is geschreven. Een van de boodschappen van het boek, dat een ware anarchie hard werken is, blijft van onschatbare waarde.

Le Guins stijl is moeilijk vat op te krijgen. Ze is precies en verliest zich niet in literair vuurwerk, ik denk een bewuste keuze omdat haar verhalen een heel eigen samenvoeging vormen van allerlei ideeënstromen die de lezer verleiden. Le Guin was een ware pionier van sociale sciencefiction die weigert technologie te verheerlijken. En dat maakt haar verhalen menselijker, haar personages dieper, haar werelden levendiger. In die zin zal ze altijd een voorbeeld blijven voor een genre dat de neiging heeft om te vervallen in oude zonden van verheerlijking van militarisme, etnocentrisme en het mannelijke avontuur. Een film als Her sluit zich aan bij haar tegengeluid, zoals solar punk dit vrijwel compleet doet. Le Guin liet zien dat een alternatief altijd mogelijk is...van kapitalisme, van patriarchale onderdrukking, van ecologische vernietiging. Haar fantasie is, kortom, meer dan ooit nodig.

zaterdag 30 december 2017

The Last Jedi: sloopwerk met een vleugje zen



Als je de Boeddha ontmoet, dood hem!

Schrijven over Star Wars kost mij steeds meer moeite, anderen doen dat nog vol overgave, storten zich op controverses en zwaaien online met canonieke boeken om hun punt te maken, maar de overdaad aan Star Wars, met name het onnodige zijproject Rogue One (2016) heeft veel schade berokkent, en maakt dat ik uit een soort plichtgetrouwheid nog een tweejaarlijkse pelgrimage onderneem naar de bioscoop (en dan ook maar de meest geavanceerde versie op audiovisueel gebied.) Nog een deel te gaan en dan is het gezien.

De trailer voor The Last Jedi, door regisseur Rian Johnson voorzien van een waarschuwing dat hij veel spoilers bevatte, zag er redelijk goed uit en nodigde meteen uit tot de nodige speculatie (mijn favoriet: Rey en Kylo Ren wisselen van positie op het Force spectrum.) Achteraf blijkt dat Johnson iedereen voor de gek heeft gehouden en alles toch anders loopt dan verwacht. En dat geniepige trekje zet hij consequent door in de film. The Last Jedi zou natuurlijk een update moeten worden van The Empire Strikes Back (1980), de tweede Star Wars-film die over het algemeen als de beste in de reeks wordt gezien. Dit schept verwachtingen bij een groep fans die Star Wars zeer serieus neemt en weinig afwijkingen  van de norm tolereert. Een eerste conclusie na twee weken is dat die fans teleurgesteld zijn, woedend bij vlagen. Ik heb geen zin om een samenvatting te geven, wie het interessant vindt, kan deze eloquente kritiek lezen, die ook aantoont hoe diep sommige mensen in de materie zitten.  

The Last Jedi zit op een bepaald niveau slim in elkaar. Het bevat een aantal verwijzingen naar The Empire Strikes Back maar het zijn vaak niet meer dan hints, vage herinneringen die op een andere manier worden gereconstrueerd. Het is vooral een hele eigen Star Wars-film die op intelligente wijze een nieuwe richting probeert in te slaan en daarbij vreemd genoeg ontsnapt aan de ironische valkuil. Al snel rees bij mij het vermoeden—en het einde dat me deed denken aan 俠女 (A Touch of Zen, 1971) versterkte dit alleen maar—dat we hier grotendeels te maken hebben met een zenparabel. Op zich geen grote verrassing aangezien er altijd een boeddhistische component was aan te wijzen in het spirituele mozaïek van George Lucas, maar de combinatie van absurde humor (de manier waarop de eindscène van The Force Awakens na twee jaar wachten wordt voortgezet is choquerend en enorm bevrijdend.) The Last Jedi voelt vaak als een vandalistisch kunstwerk, maar het is een noodzakelijk afbreken.  

Star Wars als cultureel fenomeen smachtte naar een creatieve sloper, raakte steeds meer verstrikt in voorspelbaarheid van sfeer en narratief. In het verhaal zelf wordt dit vertaald naar een wijze les over loslaten, het wantrouwen van autoriteit en regels, het voorbijstreven van de meester, het wegvagen van traditie. De sardonische humor is hierbij een noodzakelijk ingrediënt dat onzekerheid versterkt en tegelijkertijd dragelijk moet maken. In The Last Jedi wordt afscheid genomen en gloort iets nieuws en ongewis dat al bijna halverwege de film door Kylo Ren (weer een geweldige Adam Driver) wordt bewerkstelligt, waar ik als kijker, inmiddels flink in surround IMAX 3D gemarineerd, van hoopte dat het zou worden doorgezet. Alles met de grond gelijk maken. The Force Awakens was een sublieme remix, The Last Jedi, ja...je weet wat ik ga zeggen, maakt een einde aan nostalgie, bevrijdt Star Wars van retromania. Op dat niveau is de film een overweldigend succes, zoals het ook een puike aanval vormt op toxic masculinity die veel gerichter is dan de altijd al aanwezige antifascistische boodschap.  

The Last Jedi had een meesterwerk kunnen zijn, de beste film uit de reeks, ware het niet dat het een aantal zwakke aspecten kent. Soms zijn het technische details, zoals de digitale Yoda. Achteraf bekruipt het gevoel dat het universum van Star Wars langzaam door logische inconsistenties uit elkaar dreigt te vallen, maar het is vooral een verhaallijn die geforceerd aanvoelt, alsof het om plottechnische redenen moet worden uitgevoerd. Ik moet toegeven dat ik vergat dat ik naar 3D zat te kijken—ik vermoed dat het onbewust zorgt dat je op het puntje van  je stoel zit—en toch, miste ik vreemd genoeg een emotionele connectie ook bij scènes die dit zouden moeten afdwingen. Misschien kennen we de personages inmiddels te goed, de wanhoop van The Empire Strikes Back keert nooit terug. Maar dat waren andere tijden en tien jaar ben ik allang niet meer.