zondag 18 oktober 2020

10 jaar op Tumblr

Deze maand is het tien jaar geleden dat ik met Tumblr begon, mijn eerste wat achteloze stappen in de wereld van social media (een term die volgens mij destijds nog niet bestond.) Sindsdien heb ik elke dag trouw iets gepost, automatisch van een wachtrij, wat me de beste manier leek om een bepaalde discipline te bewaren. Heeft het nut gehad die tien jaar op het arty, meer introverte sociale netwerk, dat nooit echt is doorgebroken en gelukkig vaak vergeten wordt?

Allereerst op direct praktisch niveau bood Tumblr, na het saboteren van de advertenties, een rustgevende ervaring. Na het bekijken van de afbeelding die ik meestal maanden eerder had geselecteerd, volgen 10-15 minuten scrollen door mijn timeline, half-oplettend totdat je misschien gegrepen wordt door een beeld. In tegenstelling tot andere social media die de projectie van het ego voorstaan, heeft Tumblr meer de vorm van een egoloze dagdroom gevuld met willekeurige foto’s, illustraties, kunstwerken of een verdwaalde gif. Geen verplichtingen, geen interacties behalve de goedkeurende hattip van de reblog of like, geen nut ook, binnen het kader van de opgevoerde verkoop-jezelf aandachtseconomie.

Wat niet betekent dat het plezier van de ontdekking, een esthetische herkenning, compleet nutteloos is. Er zijn kleine momenten van inspiratie die soms uitgroeien tot een echte fascinatie, bijvoorbeeld met Lee Miller of ukiyo-e. Menig screenshot heeft me aangezet om een onbekende film te kijken (er bestaat zoiets als de Tumblr-waardige film, zie het oeuvre van Éric Rohmer) en misschien heeft het zich op sluipende manier verankerd als een esthetische levensstijl. In die zin is je Tumblr, wanneer je deze zorgvuldig vult, een eerlijke blik in jezelf, niet zozeer je diepste wezen, als meer de ware lappendeken van verlangens, voorkeuren en herinneringen.


In bredere zin heeft het me bewust gemaakt hoe oneindig groot “het archief” is. Ik ben geboren in een beeldcultuur die maar bleef uitdijen met games, anime, reclames, MTV en uiteindelijk internet zelf. Een kosmos van beelden die je niet kunt bevatten. Zelfs de niche waar ik zelf met scans van The Face, i-D en L’Uomo Vogue het meest aan heb bijgedragen, die van jaren ‘90 stijl en mode, draaiend om de dubbelster Helmut Lang en Martin Margiela, blijft verrassingen aandragen. En fascineren. Wat maakt immers een foto, een gezicht, een jurk, een bepaald licht, een kleur, zo onmiskenbaar onderdeel van een tijdperk?

Waar eindigt het? Ik heb mezelf ooit vagelijk voorgenomen om te stoppen met Tumblr zodra mijn wachtlijst leeg is, maar ik ben in al die jaren niet onder 24 posts gekomen. Maar dat zou wel bij Tumblr passen, dat je er op een dag achterkomt dat er geen nieuwe post verschijnt op je eigen pagina.

dinsdag 29 september 2020

Obscure Sound: nieuwe muzikale continenten

Terwijl ik voor het eerst door de nieuwe uitgave van Obscure Sound bladerde voelde ik heel helder een kanteling plaatsvinden, het idee dat er een nieuwe periode aanbrak als muziekliefhebber. Opeens zijn er allemaal onontgonnen werelden, sommige waarvan je het bestaan vagelijk kende, anderen compleet onbekend. Enigszins bijgekomen moest ik denken aan de beroemde introductie van Michel Foucaults Les mots et les choses (1966) waarin hij Borges citeert over een (niet-bestaande) Chinese encyclopedie die dieren op een excentrieke wijze kwalificeert (“a) die de Keizer toebehoren, b) gebalsemde, c) tamme, d) speenvarkens, e) sirenen, f) fabeldieren, g) loslopende honden, h) die in deze indeling voorkomen, i) die in het rond slaan als gekken, j) ontelbare, k) die met een fijn kameelharen penseeltje getekend zijn, l) etcetera, m) die juist een kruik gebroken hebben, n) die uit de verte op vliegen lijken”.) Als Europese muziekliefhebber leer je door de jaren heen een bepaalde muziekgeschiedenis, geconcentreerd rond Europa en de Verenigde Staten, met bijbehorende indeling in genres die natuurlijk aanvoelt. Chee Shimizu presenteert met Obscure Sound een compleet eigen kwalificatie vanuit een Japans perspectief richting het Westen en dat voelt bevrijdend.


Vanuit persoonlijk oogpunt was het misschien wel nodig. Ik ben de laatst jaren altijd wel op zoek naar nieuwe muziek maar veel wat ik uiteindelijk luister is een plezierig invullen van details uit het verleden, het uitwerken van een oeuvre (Charles Mingus) of het herleven van de jaren negentig en alles wat ik toen, in alle haast, ben vergeten. Het is zeer twijfelachtig of er binnen onafzienbare tijd nog een grote esthetische omwenteling zal plaatsvinden die zich kan meten met de Cambrische explosie van de jaren ‘80. Een radicale perspectiefwisseling is blijkbaar dan het alternatief.

De eerste versie van Obscure Sound werd in 2013 uitgegeven en groeide uit tot een waar cultboek. Wat Shimizu in de introductie meer lijkt te verbazen is dat in de tussenliggende periode de interesse naar de muziek, een mengsel van ambient, new age, healing music, fusion en andere kosmische muziek is toegenomen en in sommige gevallen officieel wordt hergewaardeerd in reissueprogramma’s (denk met name aan het goede werk dat het label Light in the Attic verricht.) Ondertussen was de waarde van het boek ook toegenomen, werd het vrijwel onvindbaar en onbetaalbaar. Deze nieuwe editie komt gelegen, ook voor Shimizu die zich na publicatie realiseerde dat hij allemaal platen was vergeten en op deze manier zijn oorspronkelijke selectie lekker kon herschikken (blijkbaar stond Frida’s Something’s going on hier in, nu helaas met ongeveer 200 andere platen gesneuveld.)

Een paar artiesten krijgen, met name in het begin, extra aandacht, al bestaat het grootste deel van het boek uit lijsten met platen met een korte omschrijving. Dit alles onderverdeeld in thematische hoofdstukken als Japanese ambient & new age, specifity of ECM, organic, ethnic, psychedelic, spiritual, meditative of floating. Naast het openingshoofdstuk gewijd aan de veelzijdige Yasuaki Shimizu springt natuurlijk het hoofdstuk Accidental music in Spain direct in het oog. Als Spanjaard een complete verrassing dat de Spaanse experimentele muziek zo’n status krijgt toebedeeld en het maakt me zeer nieuwsgierig naar wat ik zal vinden. Maar ik vind het op een of andere manier vooral ontroerend dat iemand aan de andere kant van de wereld geïnteresseerd is in zulke specifieke muziek en de moeite neemt om dit te catalogiseren. Het is alweer een voorbeeld van de schoonheid van de Japanse toewijding aan kennis die omgezet wordt in daden (audiofiele luisterbars, reggae labels, high end denim, etc.)

Deze overdaad aan muziek beluisteren wordt nog een hele klus. Niet alleen puur qua hoeveelheid. Want ik ben iemand die niet wil luisteren om het wegstrepen, ik wil me graag verliezen in een plaat en dat betekent eigenlijk dat ik een fysiek exemplaar wil hebben (nu al Ichiko Hashimoto – Ichiko, Aragon – Aragon, Yasuaki Shimizu - Kakashi en Tomoko Aran - Shinkei suijaku.) De genoemde albums zijn nog te vinden maar al snel is me duidelijk geworden dat veel platen echt obscuur zijn, soms niet eens op cd zijn uitgebracht, vaak louter een Japanse persing, 0 aangeboden exemplaren op Discogs. Gelukkig hebben we YouTube waar Green een fenomeen werd en Spotify waar Chimizu een handige playlist heeft gemaakt met 136 uur muziek. Je kunt jaren, misschien decennia wijden aan het zoeken en luisteren…wat leidt tot de melancholische gedachte dat er ooit een einde komt aan je nieuwsgierigheid en de contouren hiervan al zichtbaar worden.

maandag 17 augustus 2020

Schatgraven naar ambient

 


Er liggen maar acht jaar tussen Hiroshi Yoshimura’s Green (1986) en Global Comunications 76 14 (1994), twee ambientklassiekers die onlangs opnieuw werden uitgebracht (Green enorm populair op YouTube maar lange tijd onverkrijgbaar, 76 14 als onderdeel van een prachtige box). Wat je hoort is niet zozeer het verschil tussen West en Oost als wel de verandering die acid house bracht. Green behoort tot de periode van de klassieke ambient in de traditie van Brian Eno, kalmerend, nog lichte echo’s van progrock die langzaam wegebben om een nieuw soort muziek te vormen. Yoshimura schrijft in de oorspronkelijke hoestekst dat hij het prettig vindt als mensen aandachtig naar de muziek luisteren maar geeft ook toe dat hij vaak in slaap viel tijdens het maken van de plaat, toch een van de kenmerken van de betere ambient. Een derde manier van luisteren zou het kleuren van de ruimte zijn. Bij de titels plaatste Yoshimura niet alleen een schattige schets van een slapende figuur met kat maar ook associatieve woorden als garden, river, empty, rain, earth, environment en nature. Dit is muziek die je bewust maakt van de ruimte, in de muziek zelf maar ook hoe het de kamer op specifieke wijze vult. De verstilde Yamaha DX7-klanken groeien als muzikale bladeren uit je speakers, creëren een technologisch bos voor de geest dat je beschermt tegen de druk van het stadsleven. Eenvoud, leegte, natuur en levende technologie, dit is onmiskenbaar Japanse muziek, eerst nog nerveus als een achtervolgingsscène in een ecologische anime, daarna steeds droomachtiger, de loomheid van een zinderende zomerdag in Tokio. Het enige wat nog mist is een koor van cicaden. Lange tijd is deze stijl verborgen gebleven voor Westerse luisteraars, enkele kenners daargelaten, maar misschien is het beter dat de muziek een tijdlang heeft kunnen rusten, komt het pas echt tot zijn recht in de diepe 21ste eeuw, de Aziatisch eeuw, en als richtingwijzer naar een nieuwe esthetiek voor een andere groene wereld.

 


In tegenstelling tot Green is 76 14, hoe je het went of keert, het resultaat van een drugscultuur. Het is, enkele beats daargelaten, zonder twijfel ambient, ideale muziek om de oververhitte raver tot rust te laten komen in de chillout of de thuistripper engelachtig mee te laten zuchten richting de onthulling van kosmische geheimen. Zo groot was de overdaad aan vooruitstrevende muziek met een kalmerende insteek in 1994 (Selected Ambient Works Vol II, Lifeforms en Artificial Intelligence II waren al uitgebracht) dat je soms platen als 76 14 voor later moest laten liggen, waarna de volgende golf prachtige releases je afleidde. Dat heeft uiteindelijk gunstig uitgepakt. DJ’s als Donato Dozzy hebben in de jaren 2000 – 2010 deze muziek in leven gehouden, met name de mnml sggs 39 mix met een centrale rol voor ‘14 31’ bewees dat de rol van ambient en kalme techno nog lang niet was uitgespeeld, misschien wel een nieuwe functie kon krijgen voorbij de chillout als een balsem voor de vermoeide netwerkgeesten. En in 2020 klinkt 76 14 (samen met het remixalbum Blood Music: Pentamerous Metamorphosis voor shoegazers Chapterhouse dat er aan vooraf ging en een verzameling remixes en rariteiten) alsof het vorige decennium nog steeds de jaren 90 was. Wat uiteindelijk het resultaat is van de kracht van de muziek zelf. In de buitengewoon interessante hoestekst van de box leggen Middleton en Pritchard onder andere uit dat ze expliciet tijdloze muziek wilden maken die zoveel mogelijk was bevrijd van vooraf opgelegde associaties. Vandaar ook de tijdsduur in plaats van titels. Voor mij is er geen direct gevoel van nostalgie als ik naar Global Communication luister. Dat ik de plaat met Spotify wel eens beluisterde doet me allereerst beseffen hoe weinig het met streaming tot zijn recht komt maar ook hoe “onverankerd” je luistert, geen associaties opbouwt alsof je de muziek naar beluistering vrijwel meteen vergeet. Een indirecte nostalgie wordt wellicht veroorzaakt wanneer Middleton en Pritchard vertellen over de totstandkoming van hun meesterwerk, de eerste samenwerking met Chapterhouse waarvan ze complete vrijheid kregen om hun tweede album te remixen, de steenrijke baas van indielabel Dedicated die ze vervolgens tekent en hun gang laat gaan en de levensstijl van uitgaan, nieuwe platen luisteren en zorgeloos muziekmaken waar 76 14 is ingebed. Gewoon twee pretentieloze, intelligente figuren, gespecialiseerd in korte projecten. Er is geen tweede Global Communication album, zoals er geen tweede Jedi Knights en Reload album is of tweede Chameleon 12” na de sublieme ‘Links’ op Good Looking. Altijd in beweging, nooit teleurstellend.

zaterdag 25 juli 2020

Tijd voor een Open Universiteit

Ik ben nooit in De School geweest. Mijn jonge collega’s gaan er graag naar toe en ik vind dat ze hun plek moeten hebben zonder een “vroeger was het allemaal beter” zeur in de buurt. Allemaal onpretentieuze figuren overigens die gewoon van feesten en goede dansmuziek houden, als Amsterdammers altijd wat te klagen hebben maar over het algemeen wel tevreden lijken te zijn over de club. Ik heb dus geen enkele emotionele investering in De School, los van een algemene interesse in de staat van muziek en het Amsterdamse clubleven. Maar sinds kort rommelt het rond De School. Ik hoef het niet samen te vatten, dit artikel van 3Voor12 legt het piekfijn uit.

Persoonlijk denk ik dat de leiding dit het beste had kunnen negeren en de storm laten overwaaien. Er komt altijd, meestal binnen een paar dagen, een nieuwe hype om je boos over te maken. Nu de club toch gesloten is, had men in stilte aan een voorzichtige heroriëntatie kunnen werken met een residency voor DJ Stingray. Maar los van strategie, mis ik in de analyses het benoemen van een dieper probleem.

De School is grotendeels een kopie van de beroemde Berlijnse club Berghain, wat bij mij in eerste instantie irritatie oproept. Kunnen Nederlandse hipsters weer niet zelf iets verzinnen? Maar als je even rustig in- en uitademt komt de gedachte op: nou en? Succesvolle clubs zijn altijd gekopieerd, niemand vindt het wiel opnieuw uit en echte innovaties zijn schaars, zeker onder de genadeloze dictatuur van het neoliberaal-entertainment-complex. Is De School elitair? Waarschijnlijk wel, maar dat iets bestaat, een creatieve ruimte, waar niets was, is al een prestatie op zich. Het vormt een hele specifieke sociale constructie met bepaalde regels, verwachtingen en omgangsvormen. En die moet matchen met jouw, hier ga ik hardcore sociologie, habitus. Eigenlijk is het enige deurbeleid dat een ware aristocratie nodig heeft iemand met een teller zodat je weet wanneer het te vol raakt.

De School is duidelijk niet de vijand. Het is een exponent van een hyperreële, 21ste eeuwse clubervaring waar ik geen feeling mee heb, maar dat heb ik ook niet met talloze festivals die een bepaalde lifestyle met heel veel bier en biologisch eten verkopen. En daar ligt al een tijd een van de problemen. House is wat mij betreft in de basis een egalitaire muziek, die de relatie tussen artiest en publiek deconstrueert en de collectieve ervaring belangrijker acht dan financieel gewin. Open voor iedereen, minimale security, openlijk drugsgebruik mocht je daar behoefte aan hebben, een plek om te kunnen verdwijnen uit de dagelijkse sleur, ontsnappen aan de druk van het panopticon en het continu ophouden van maskers. Het moet in principe voor iedereen toegankelijk zijn zoals een van de canonieke teksten, ‘My House’ van Chuck Roberts, vastlegde: “You may be black, you may be white; you may be Jew or Gentile. It don't make difference in our House.” Clubs die hier tegen zondigen zijn de moeite gewoon niet waard, nooit geweest ook. De logische conclusie is dan om te stellen dat je zelf een beter feest moet organiseren, dat wat Multigroove begin jaren ‘90 daadwerkelijk deed als antwoord op het snobisme van de Roxy. Maar dat waren andere tijden.

Want het ware probleem is de neoliberale stad, gericht op het maximaliseren de geldstromen van toerisme en de consumptie-ervaring, het wegdrukken van mensen met een laag inkomen, gevolgd door die met een middeninkomen. Het wordt steeds lastiger om alternatieve clubs te beginnen en de neoliberale stad duldt geen onbestemde gebouwen waar zulke feesten kunnen plaatsvinden want ongebruikte ruimtes zijn economisch een doodzonde. De politie zal altijd de hoogste prioriteit geven aan het stoppen van feesten in dit soort overgebleven ruimtes. De School is voorlopig een plek gegund in deze constellatie maar laat er geen twijfel over bestaan: het Amsterdamse stadsbestuur functioneert primair in dienst van projectontwikkelaars en zal wanneer het de kans krijgt De School laten plaatwalsen voor een hotel of een ander high-end project om fout geld in te pompen. Kortom, kies je vijanden en doelwitten zorgvuldig, straks ben je nostalgisch naar je schooltijd

woensdag 29 april 2020

Het Eckte Eckte Amsterdam



Vanuit het raam kon ik het zien liggen. De stroken ondergelopen land die overgingen in de duinen, de smalle stranden en daar in zee onmiskenbaar de wereldberoemde rizoom van grachten. Terwijl het vliegtuig een laatste bocht maakte, probeerde ik een gebouw te herkennen, misschien het Rijksmuseum waar ik zo naar verlangde. Na de landing opende ik mijn gids maar weer om het langdradige taxiën te vergeten
Amsterdam II is de perfecte bestemming. Voor het eerst in jaren zult u zich als toerist weer welkom voelen. Hier bent u geen indringer, zult u geen boze blikken meer krijgen, dit is de stad gemaakt voor uw ultieme Amsterdam-ervaring. Kosten nog moeite zijn gespaard om na de pandemieën van de jaren twintig te zorgen voor een veilig toerisme, een unieke ervaring die u nooit zult vergeten. Optimaal shareable en zonder schuldgevoel…
Het begin was er in ieder geval naar. De aankomsthal was efficiënt ingericht voor bezoekers van Amsterdam II. Na de paspoortcontrole lag mijn koffer al te wachten waarna ik de richtingaanwijzing naar de metro volgde. Niet dat er een alternatief voor handen was. Iedereen weet dat je Amsterdam II maar op een manier kunt bereiken. Het door Koolhaas ontworpen metrostation was open en licht, sereen, ook al wachtten er steeds honderden reizigers op een van de metro’s die stipt om de twee minuten arriveerden. Altijd met het juiste aantal beschikbare zitplaatsen omdat de A.I. de stroom passagiers continu monitorde en de wagons waar nodig aanpaste. Verzekerd van een zitplaats stapte iedereen op een geciviliseerde manier in, plaatste de bagage in de daarvoor ontworpen compartimenten en nam vervolgens plaats. Over tien minuten zouden we op Amsterdam Centraal arriveren. Eenmaal in de tunnel las ik verder.
In Amsterdam II vindt u het authentieke Amsterdamgevoel dat verloren leek te zijn gegaan. Alles is hier op schaal nagebouwd met oog voor alle historische details. Grachten, musea, gebouwen en natuurlijk roemruchte coffeeshops zijn niet van origineel te onderscheiden. En er is meer dan het beroemde centrum. Ook wijken als de Indische Buurt, de Rivierenbuurt en de Baarsjes bieden een alternatief met verborgen juweeltjes en inspirerende momenten om met iedereen te delen. Dat echte gevoel van Amsterdamse vrijheid, al eeuwenlang uniek in de wereld.
Amsterdam Centraal, daar waar de stad nu eindigt. Ik moest niet vergeten om een van deze dagen de noordkant van het station te bezoeken die in oude staat was nagebouwd en waar men in de weekends met auto’s kon worden opgepikt om mee te liften naar acidfeesten in loodsen. Maar eerst eens mijn ‘pegels’ ophalen bij de toeristeninformatie. Volgens de gids kreeg elke bezoeker honderd pegels, ouderwets papiergeld waarmee je illegale transacties kon naspelen. Ik laadde meteen mijn gids op met Amsterdam Games, een soort virtuele tours waarmee je interactief avonturen kon beleven, V.R. compatibel. Eenmaal buiten volgde ik de nieuwelingen richting het Damrak. Ondanks de voorbereiding en de expliciete waarschuwingen van de reisgids was de confrontatie met auto’s choquerend. Geen wonder dat het stadsleven vroeger zo ongezond was, mensen werden gewoon vergiftigd en psychisch geterroriseerd. Het scheen dat personeel sommige auto’s nog gebruikte om zich te verplaatsen maar ze waren zelfrijdend en vormden daarom geen enkel gevaar voor de voetganger, een klein compromis ten kostte van volledige authenticiteit. Bovendien merkte ik meteen op dat er genoeg ander gevaar loerde in de vorm van fietsers. Een jonge vrouw in kort rokje, een detail dat me in een flits afleidde, passeerde me rakelings.
“Uitkijken, lul!”
Schitterend.

Ik liep met stevige stappen de adrenaline uit mijn lichaam, al snel op mijn gemak gesteld door de kaaswinkels, rastashirts en echte FEBO. Zoveel keuze, maar ik had begrepen dat de bamischijf onmisbaar was. Inderdaad, de kruidige zoutigheid vormde een explosie van geluk, een tastbaar bewijs dat ik eindelijk in Amsterdam was. Hier zou ik dan eindelijk mijzelf kunnen zijn, weg van het virtuele kantoor en een leven in monotone hoogbouw. Ik stak de Warmoesstraat over richting de Zeedijk die er ouderwets onguur uitzag, vol louche figuren die in schaduwen rondhingen. Ze zouden toch niet echte heroïneverslaafden gebruiken? Interessant om later uit te zoeken met de pegels. Maar wat een heerlijk sfeertje. En die intense geuren, een bedwelmend mengsel van urine, Aziatische kruiden en gedroogd bier. De geur van het werkelijke leven. Aan het eind van de Zeedijk zag ik mijn hotel, De Waag.

Tevreden keek ik uit over de Nieuwmarkt. Eerst opfrissen en wat dan? Die haringkar? Of toch meteen naar de coffeeshop? Het carillon speelde een medley van ‘Dominator’, ‘French Kiss’ en ‘The Bells’, allemaal oude favorieten van mijn vader, terwijl de avond viel en de terrassen bijna uit zichzelf gevuld werden, alsof iedereen zijn rol vol overgave speelde. Na een paar snelle biertjes en halve White Widow-joint liet ik mij in een roes door de menigte meeslepen langs de grachten, ons collectief vergapend aan de uitdagende, soms verveelde, vrouwen achter de ramen. Zouden ze allemaal echt zijn en hier wonen? Er gingen al lange tijd geruchten de ronde dat een merendeel van Japanse makelij was. Wat mij betreft een briljante marketingcampagne, al die mannen die wel even gingen bewijzen dat ze het verschil konden merken. Een andere keer, ik was te ver heen en had geen zin in gênante taferelen. Nee, ik volgde het geroezemoes, dat vriendelijke mengsel van talen en gelach, soms een overgevende Engelsman omzeilend, soms een te grote auto die zich in vaste rondjes door de mensenmassa begaf. Op de Armbrug nam ik nog een laatste hijs van de joint. Dat had ik niet moeten doen. Waarom liep iedereen opeens op mij af? Mijn aderen leken vanuit mijn nek naar de uiteinden van mijn vingers te bevriezen. Wat deed iedereen hier eigenlijk? Al die gezichten waren maskers, versteend in verlangen. Wat lag er achter die maskers? Mensen? Machines? Wat deed ik hier eigenlijk? Ik hield mezelf voor de gek. Alles was nep. Je trapte er zo makkelijk in. Zo goed gedaan, maar compleet nep. Gelukkig bevond ik me in de buurt van mijn hotel en ik worstelde me door de menigte, ervan overtuigd dat ik elk moment als een cliché languit op straat kon liggen.

Ik had in tijden niet zo diep geslapen. De vorige nacht niet meer dan flarden uit een nare droom. En toch, eenmaal voor de imitatie van De Nachtwacht keerden de twijfels in een wat zachtaardigere vorm terug. Amsterdam II had zo verleidelijk geleken, zo overtuigend, ik had werkelijk in de simulatie geloofd. Ik probeerde met een dubbele dosis kunst weer dat gevoel van de aankomst te hervinden. En zowaar, Van Gogh gevolgd door een patatje oorlog deed wonderen. Ik besloot zonder echt doel in de richting van het hotel te wandelen. Ik verzond wat foto’s van streetart vol psychedelische gezichten, drie kruizen en buitenaardse alfabetten naar mijn volgers en op het Rembrandtplein vond ik een speelhal met werkende kasten als Space Harrier en NBA Jam. Het tij leek gekeerd, maar voor de zekerheid liep ik met een grote boog om de coffeeshops heen. Gelukkig kon ik met de Lachuh-app een koerier langs laten komen die alleen pegels accepteerde. De transactie voelde heerlijk fout.
“Vergeet niet om de patronen gewoon op straat te gooien, chef. Zo hoort dat.”
Gezeten aan het water begon ik de ballonnen te vullen. Een bankje verderop zaten twee toeristen gezellig te chinezen en selfies te maken. Ik vulde mijn longen compleet met de eenvoudige verbinding. Elke keer sloot ik mijn ogen en trilde mijn hele wezen mee op het geheime ritme van de stad. Na tien ballonnen was ik er van overtuigd dat Amsterdam het kosmisch centrum van dit universum was.
“Nou nog eentje en dan is het weer genoeg geweest.”
De doos was leeg. Geïrriteerd vertrapte ik het karton en liep vervolgens naar tram 9. In een halfgevulde De Meer spoelde ik een hamburger weg met slap bier terwijl Ajax 1972 op een onwerkelijk groen veld Feyenoord overklaste. Ik moest mezelf forceren om te genieten van de passeerbewegingen van Keizer en de passes met buitenkant voet van Cruijff. Het was zonder twijfel goed gedaan, ook met die oncomfortabele houten bankjes, maar het voelde op meerdere manieren ongemakkelijk. Ik keek naar geesten.

De volgende ochtend keerden de twijfels in samenwerking met een geniepige hoofdpijn terug. Alles begon me tegen te staan en tegelijkertijd groeide het verlangen om het echte Amsterdam te zien. Maar hoe kwam ik daar? Ik moest de neiging onderdrukken om het een bewoner van de simulatie te vragen. Niemand was te vertrouwen en waarschijnlijk hadden ze geen idee. Verveeld zwierf ik langs de “Amstel” totdat ook deze in de Noordzee eindigde. Ondertussen onderzocht ik andere mensen. Wie was toerist? Wie acteur? Werker? Androïde? En kon iemand me uit deze miserabele vakantie redden? Ik staarde wezenloos in het onaangeroerde glas Heineken. Was het eigenlijk wel echt Heineken, of gewoon een of ander goedkope namaak? Zou ik ooit het verschil kunnen proeven?
“Jij zoekt even iets anders.”
“Ik heb even nergens zin in,” antwoordde ik met moeite.
“Jawel man, ik ken die blik wel.” Met tegenzin keek ik op naar de jonge barman die zich voorover boog.
“Jij bent niet de eerste, pik. Echt niet.”
Met een zelfvoldane glimlach zette hij een glas jenever naast mijn vaasje. Ik zuchtte.
“Drink nou maar op, man. Dan vertel ik ondertussen wat je dwarszit.”
Ik sloeg het glas achterover, klaar voor een voorgekookte volkswijsheid. In ieder geval voelde de alcoholrilling fijn aan.
“Jij wil het ware Amsterdam zien, toch?”
Hij knikte tevreden met zijn hoofd nadat hij mijn verrassing had geregistreerd.
“Dat bedoel ik.”
Achteloos begon hij op een bierviltje te schrijven. En op luidere toon vervolgde hij: “Ik heb nog wel een adresje voor je. Een ouwe gabber van me.”
Hij schonk me een tweede jenever in en fluisterde ondertussen: “Dit adres. Daar woont mijn zus. Ze weet de weg. Gaat je natuurlijk wel wat kosten. Ze legt het allemaal uit. Even onthouden en dan mieter je dat viltje met je zogenaamde dronken kop jolig in de gracht.”
Ik hield mijn glas omhoog, kreeg een knipoog terug waarna hij zich omdraaide om een andere klant te helpen.

De volgende ochtend haastte ik me naar de Bloemgracht om bij het aangewezen adres aan te bellen. De deur opende naar een steile trap waar aan de bovenkant een jonge vrouw verscheen.
“Pakketje voor de buren zeker?”
Ik herhaalde van het inmiddels verzopen bierviltje: “Kunt u het aannemen? Het is uit het buitenland. Anders gaat het naar het hoofdpostkantoor.”
Ze knikte.
“Dat zou zonde zijn. Kom maar naar boven.”
Het appartement zag er sfeervol uit. Houten vloer, scheef, overal planten. Een grote poster van Betty Blue aan de muur. Zelf ingericht of gewoon voor werknemers ontworpen?
“Koffie?”
Ze was natuurlijk mooi op een lokaal nonchalante manier. Lang en toch schoenen met hoge hakken, te groot shirt met een verwassen anime-karakter uit een film die ik in mijn jeugd had gezien. In alles een air dat ze geen zin had in gezeik.
“We vertrekken vannacht. Je kunt nu de helft betalen en de andere wanneer we in Amsterdam aankomen. Gewoon doen wat ik zeg en dan komt alles goed. Je mag er zo lang blijven als je wilt, maar ik raad je aan om hem na een paar dagen weer te peren. De boete als je gesnapt wordt is niet mals en moet je meteen betalen. Bovendien,” en hier zocht ze bewust mijn blik op, “pottenkijkers zoals jij willen ook opeens verdwijnen.”
Ik wende mijn ogen af en probeerde de stilte maar op te vullen met een slok koffie. Inmiddels was een kat op mijn schoot gaan liggen.
“Oh, en ik ga niet met je naar bed.”

“Mistig. Zie je ook niet vaak meer. Lekker ouderwets. En handig.”
Het geronk kwam dichterbij. Ze haalde een stoffen zak uit haar jas.
“Sorry, geen rondvaart deze keer.”
Met tegenzin deed ik de zak over mijn hoofd. Ik werd aan mijn linkerbovenarm vastgepakt en in de boot geleid.
“Doe die herrie maar uit. Het is geen pleziervaartje door de grachten of zo.” Geruisloos gingen we op weg. Ik durfde hun geroutineerde stilte niet te doorbreken en gaf me over aan verveling, hopend dat de nerveuze gedachten op een gegeven moment een coherent geheel zouden vormen. Na een tijd gaf ik het op.
“Zijn er mensen zoals ik die er blijven wonen?”
Het was een gedachte die me sinds gisteren bezighield.
“Je hebt er altijd wel een paar. Zonderlingen. De meesten worden op een gegeven moment gepakt, maar er zijn erbij die verliefd worden en een heel leven weten op te bouwen. Het is ook niet alsof er op je wordt gejaagd. Daar houden we niet zo van.”
Blies ze nou rook in mijn gezicht?
“Maar de meeste springers houden het snel voor gezien. Je weet wel, geconfronteerd met de werkelijkheid verwatert de fantasie.”
Ik vond het moeilijk te geloven.
“Wat doe jij eigenlijk in het dagelijks leven? Daar.”
“Oeh, nieuwsgierig. Ik studeer natuurlijk. A.R. informatica”
“Ben je daarom in Amsterdam II. Als stagiair?”
Ze grinnikte.
“Voor het geld. Maar je hebt wel een beetje gelijk. Die hele stad houdt me bezig. Weet je dat de meeste springers uiteindelijk de simulatie missen? Hun hele perceptie is gevormd naar het ideaal. Dat voelt correct, zelfs al hebben ze soms hun twijfels. Nou ja, dat hoef ik jou natuurlijk niet uit te leggen.”
Ik wilde protesteren maar ze was al weer verder aan het uitweiden.
“En we doen in II nog veel te weinig met A.R. Ik bedoel die poging tot gamificatie alleen al. Zo hoog van de toren blazen over authenticiteit en met dingen aankomen als Zelda in Amsterdam. Sad.”
Ik zei maar niet dat ik had uitgekeken naar het exclusieve Damsko Mario Tournament.
“Eigenlijk zouden we een derde Amsterdam moeten bouwen. Dat zie ik wel zitten. Een futuristisch Amsterdam. Liquide. In beweging. Een sensuele stad, een continue overweldiging van de zintuigen. Niet dit commerciële, voorgeprogrammeerde verlangen. Of dat hopeloze zoeken naar authenticiteit. Die dualiteit moet doorbroken worden.”
“Een Nieuw Amsterdam.”
“Precies. We leven in de diepe 21ste eeuw. Tijd voor nieuwe ontdekkingstochten en niet meer die ouwe meuk.”
De weerkaatsing van het geluid veranderde. Licht begon voorzichtig door de mazen van de zak te schijnen.
“We zijn er bijna. Mokum. Ruik je het verschil?”
Ik rook eerlijk gezegd alleen mijn eigen mufheid.
“Geen auto’s.”

Vanzelfsprekend bleef ik hangen. Na twee weken had ik een appartement gevonden in het centrum, aan de rand van wat nu Klein Korea werd genoemd. Ooit, na de pandemie en de leegstroom, gekraakt dus ik moest er wel even werk van maken. Maar ik had tijd zat. Mijn oude smartphone had ik bij aankomst uit voorzorg in ‘t IJ gegooid. Ik las vooral boeken, goedkoop te krijgen in een van de tweedehands boekwinkeltjes die ik op mijn wandelingen tegenkwam. Al snel verwaterde mijn oude leven tot een matige droom waarin je een even saaie als onmogelijke klus moet klaren. Ontdaan van alle druk en status kon ik hier proberen om mijzelf te hervinden. De binnenstad volgde een heel eigen cyclus, een imitatie van een zondagochtend waarbij je vaak het gevoel kreeg dat je de stad voor jezelf had. In het begin moest ik wennen aan de afwezigheid van een bepaalde gloed waarmee Amsterdam II scheen. Hoe kreeg men dat voor elkaar? Was het een special effect, een bepaalde belichting, of een cumulatief resultaat wanneer je alles van geïdealiseerde beelden nabootst? In de levende stad vielen dingen uit elkaar en werden lange tijd genegeerd of met moeite gestut en gecamoufleerd. De vuilnis werd ook maar twee keer per maand opgehaald. Dan, als je een straat inliep kon je plotseling in een relletje terechtkomen waarvan de aanleiding niet was te achterhalen. Aangezien de politie vanwege bezuinigingen zich vooral bezighield met basistaken waren ze vaak geen partij meer. Al snel zag ik de rellen als een ritueel, een herhalende gebeurtenis waarmee de sociale orde werd bevestigd. In bepaalde gevallen leek het nog het meeste op absurdistisch theater. Zoals die keer dat ik het Leidseplein kruiste dat was verdwenen in een enorme rookwolk waar drie jonge mannen, eentje gezeten op een klapstoel, een ander op een versleten bankstel, zwijgend naar keken. Pas toen een tram vrolijk ringelend uit de rook verscheen liet het schouwspel me los en liep ik verward verder, zoekend naar de betekenis van dit alles. Had ik het over rituelen? Ik werd op 30 april op mijn wenken bediend.

In de aanloop naar die dinsdag kon je moeilijk ontsnappen aan de elektriciteit die in de lucht hing. Mijn zakken puilde elke dag uit van flyers waarop speciale raves werden aangekondigd. Original 1990 Style of Oud Acid Festijn, vormgegeven met vrolijke kleuren, pilvormige mannetjes en aantrekkelijke cybervrouwen. Koninginnedag stelde in Amsterdam, met zijn dedain voor commercialiteit, niets meer voor. In plaats daarvan was de ooit uit de hand gelopen Dag van de Stadsrepubliek door de jaren heen uitgegroeid tot een officieuze feestdag met als hoogtepunt het naspelen van de Slag om de Blauwbrug. De meeste inwoners waren te jong om de ware toedracht en omstandigheden te herinneren maar dat maakte weinig uit omdat in het chaotische tafereel midden in de stad een symbolische betekenis lag die de kern leek te raken van het Amsterdammer zijn. De ervaring had geleerd dat de herschepping met echte wapenstokken, waterkanonnen en stenen meer slachtoffers veroorzaakte dan de oorspronkelijke gebeurtenis. Vandaar dat de als politieagenten verkleedde bewoners met zachte knuppels werden bewapend en de stenen van kunststof waren gemaakt. En toch, eenmaal op gang werkte het gejoel, de dreigementen die uit speakers schalden, het gestamp, het steeds maar herhalende “Geen woning, geen kroning!” gevolgd door de rookbommen, in op het oerwoud van de psyche. De uit de rook marcherende mobiele eenheid veranderde me van nieuwsgierige toeschouwer in deelnemer en ik rende naar een stapel keien die vervolgens vol overgave naar de vijand werden gegooid. Volgens de afspraak trok deze zich op een gegeven moment theatraal terug waarna we juichend de brug op renden. Ik viel een onbekende in de armen terwijl een brandende autoband langs ons rolde. Het voelde alsof ik zelf in vlam stond, levend, op de juiste plek.

Die avond heerste er een feestelijke stemming in de stad. Ik liet me, gedreven door een schier oneindige witte lijn, van café, naar feest, naar café meeslepen.
“Waarom wonen er nog met mensen met geld in de stad?”
Ik passte de joint door. Een van mijn rellende kompanen schreeuwde over de bas die alle drank in de glazen deed golven: “Die hebben er altijd gewoond.”
“Maar ze hoeven hier toch niet meer te wonen? Niemand gaat meer naar kantoor. Dat soort geld wordt nog alleen virtueel gemaakt.”
“Je hebt gewoon veel oude families. Die weten niet anders. Maar...”
Hij gaf me een rietje voor de volgende lijnen.
“Ze houden ook gewoon van de spanning. Wie wil er nou in een villawijk wonen? Domme lui. Iemand met pretenties en statuur zoekt de tijdelijke confrontatie. De mogelijkheid van geweld en seks, van domineren en vernedering. Dat is altijd de succesformule: geld en ruïnes. Dat realiseerde men zich na de plagen. Toerisme slaat alles plat. Allemaal voorgekauwde lifestyles zonder creativiteit. En dat is on-Amsterdams. Een te grote middenklasse in combinatie met toerisme vormde een soort barrière en die is gereduceerd. En zo keert de spanning terug. Kijk om je heen, veel van deze jongeren gaan naar de beste scholen. Hun ouders zijn slippendragers van de oude elite, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, dat werk. Ze wonen allemaal in Zuid of op de Eilanden. En geloof me dat is niet vervelend wonen. Maar je blijft dicht bij het vuur. Dat hoort ook bij je opvoeding. Snap je?”
De cocaïne deed zijn sloopwerk. Vagelijk tussen de sterretjes door vroeg ik me af waar hij zelf woonde, al had ik zo een vermoeden.

Na een idyllische zomer begon het exact vanaf 1 september te regenen. De meeste Amsterdammers waren voorbereid en menigmaal kreeg ik de tip om te investeren in goede regenkleding.
“Al is het een oude legerjas uit de dumpstore. Dit gaat zeker tot eind maart zo door.”
Gekleed in een Zweeds exemplaar, volgens de verkoper bedoeld voor een N.A.V.O.-missie in Zuid-Oost Azië, probeerde ik me aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Die bevielen me al snel niet. Ik probeerde stemmige foto’s te maken van weerspiegelend neon in plassen, het Rijksmuseum dat in een stortregen leek te verdwijnen, stoïcijnse vrouwen in trenchcoats uit de vorige eeuw. Ze deden het aardig op mijn Insta. Een beetje niche omdat je weinig kanten op kon filteren met dat alles overheersende grijs. Haast onvermijdelijk liepen de likes daarna terug. Was dat niet een weerspiegeling van mijn eigen gesteldheid?

“Wat is er eigenlijk buiten Amsterdam?”
Het café wasemde een unieke geur van vochtig hout, drogende kleren, bier en wiet. Een van mijn buren, geboren en getogen, daar twijfelde niemand aan, antwoordde: “Ik ben sinds mijn achtste of zo niet meer buiten de A10 geweest, toen kon je daar nog gewoon over rijden. Echt waar. Maar volgens mij niet zoveel. De meeste polders schijnen blank te staan. Je hebt dat hele stuk wat onleefbaar is toen die te snel gebouwde minireactor plof deed. Wanneer wat dat ook alweer? ‘32?
“2034.”
“Nou ja, dat dus. 2034. Gelukkig stond er toen een noordenwind anders waren we hier ook allemaal de Sjaak geweest. Blijft eigenlijk Almere-Lelystad over. Toch de grootste stad van het land.”
Bij dat laatste woord maakt hij ouderwetse citaatgebaren.
“Lijkt mij niks hoor, 6 miljoen mensen, geen echt centrum. Van die, zeg maar, burgerlijke types. Kortom...”
Iedereen begreep zijn voorzet.
“Geef mij maar Amsterdam!”
Dit alles gevolgd door enthousiaste teugen bier. Ik kon geen kant op. Wat was ik nu? Gevangene? Had ik mezelf verbannen? Kon ik me Amsterdammer noemen? De regen nestelde zich langzaam maar zeker in mijn ziel. Ik was de weg kwijt. Het enige wat me op de been hield was de gedachte aan de lente, een leven zonder regen. Maar was er een alternatief als ik dat niet volhield? Uiteindelijk hoefde ik zelf geen keuze te maken.

Even stopte de regen wat het teken was om toch iets te gaan doen, al was het maar een paar foto’s nemen. Halverwege de brug dacht ik zowaar een zonnestraal waar te nemen. Ik bleef staan om de Herengracht te bekijken. Ik wist het licht te kaderen dat over het water dartelde en voelde weer die tinteling van vrijheid. Uit het niets stonden er drie mannen om me heen. Onopvallend gekleed in lange jassen, ik had dit soort figuren nog nooit eerder in de stad gezien.
“Zo meneertje, identiteitsbewijs.”
Ik wist meteen dat het voorbij was. Stom, sommige dingen veranderen nooit. Gelaten liet ik mij, aan beide armen vastgegrepen, meenemen. Zo werd ik in straf tempo langs de gracht richting het Centraal Station geleid. Af en toe ving ik een meewarige blik op van een bewoner die uit het raam hing of ons passeerde. En anders was er wel een “Hard voor je, ouwe.” van een kruisende fietser. Het deed me allemaal niks omdat het voelde alsof ik door een bubbel werd omhuld. Met elke stap verdween al het gevoel langzaam uit mijn wezen. Aangekomen bij het CS liepen we door een tunnel wat me uit mijn meelijwekkende trance haalde.
“Gaan jullie me vermoorden?”
Waarom niet het onvermijdelijke uitspreken? Zouden ze me wurgen? Neerschieten en mijn lichaam in ‘t IJ dumpen? Een van de agenten kon een glimlach niet onderdrukken.
“We vermoorden hier helemaal niemand.”
Zijn collega keek geconcentreerd voor zich uit, maar vulde aan: “Dat is gewoon een eng verhaal om pottenkijkers en radioactieve kakkerlakken af te schrikken.”
De derde agent die voorop liep moest grinniken.
“Sterke verhalen.”
Bij het water aangekomen wachtte al een politieboot. Aan boord werd ik aan een paal vastgeketend. Ik was de enige passagier. Een van de agenten tikte tegen het raam van de stuurkamer.
“Enkeltje Disneyland voor deze meneer.”
Zelfbewust nam ik nog een keer de stad in mij op. Programmeerde ik alvast een gevoel van nostalgie voor toekomstig gebruik? Op het moment dat we langs een pier voeren zag ik haar staan. Rokend alsof ze ergens op wachtte. Ik rekte me zo goed als ik kon over de rand en hoefde haar niet eens te roepen. Haar gezicht verraadde geen emotie en alleen haar wenkbrauwen liet ze cynisch omhoog gaan om daarna op haar horloge te tikken. Al snel verdween ze uit zicht, ik was toe aan vakantie.

(Amsterdam, 2020)

Download als epub.

dinsdag 24 maart 2020

Gabi Delgado-López (1958 – 2020)


De eerst helft van de jaren ‘80 behoorden toe aan Deutsch Amerikanische Freundschaft en met de dood van zanger Gabi Delgado-López voelde het meteen alsof dat definitief is gecanoniseerd. Samen met Suicide maakte D.A.F. elektronische muziek duister en gevaarlijk. Met zijn imposant, bijna karikaturaal, zware stem wist Delgado-López een ambivalent persona neer te zetten dat de Duitse romantiek mijnde, nietzscheaans flirtte met oorlog, dans en kracht, seksueel en politiek ambivalent was, nooit de knipoog hanterend waardoor iets als ‘Verschwende deine Jugend’ of 'Alle Gegen Alle' altijd serieus kan worden genomen. Het was de perfecte stem voor de nerveus springende sequencermelodieën in combinatie met de opzwepende drums van Robert Görl.

Precies de juiste muziek op het juiste moment: futuristisch maar rauw, met een punkhouding, stijlvol en intelligent, de dans richting de onvermijdelijke nucleaire holocaust. Die natuurlijk niet kwam en D.A.F. en Delgado-López solo dwong om positiever te gaan klinken, wellicht geforceerd al is zoiets als ‘Brothers’ uit 1986 door de jaren heen mooi gerijpt. De muziek van D.A.F. past bij de moderne ruïne-steden van de jaren 70-80: West-Berlijn, Hamburg, het Oude Amsterdam, steden die aan hun lot waren overgelaten, grijs, hard, ongemakkelijk en creatief. Vandaar dat de muziek van D.A.F. tot zeker midden jaren ‘90 steevast was te horen in Amsterdamse clubs. Ook omdat het duo een aantal bonafide dansklassiekers produceerde. 'Der Mussolini' vanzelfsprekend, al heb ik altijd versteld gestaan hoe ver ‘El Que’ en ‘Ein Bisschen Krieg’ hun tijd vooruit waren. Opzwepend met een heel eigen genot, een ingetogen masculiniteit die zich weet te bevrijden van gêne, geinjecteerd met een homeopathische dosis fascisme, een glimlach omdat men dit herkent en weet te hanteren.

Ik pas voor heldenverering maar moet toegeven dat Delgado-López, nadat ik D.A.F. ontdekte, een tijdlang een belangrijke figuur voor mij was, gewoon een van de weinige mensen waarin ik echt iets herkende. De Spanjaard in het buitenland die cool is en zich onderdompelt in een cultuur en deze eigen maakt, beter begrijpt dan de autochtoon. Vandaar dat het verlies anders voelt dan van een tijdperk dat wordt afgesloten (en toch al jaren niet meer bestond), het is dieper, persoonlijker, alsof een baken is gedoofd.

zondag 15 maart 2020

This is the news! Thrash metal als futurologie

De plaat die het best de huidige situatie verklankt is zonder twijfel Tomorrow’s Harvest van Boards of Canada, met zijn dreigende sfeer en mogelijk positieve einde waan je je, via oude VHS-films, in een traag verlopend rampscenario. En toch, het nummer dat me de laatste jaren achtervolgt is een 36-jarig oude trashmetal-banger. ‘Fight Fire with Fire’ van Metallica dat hun album Ride the Lightning (1984) opent. Het nestelt zich als een slogan in mijn hoofd als reactie op nieuws of zodra ergens een radicale oplossing voor nodig is, bijvoorbeeld de totale vernietiging van Airbnb. Na al die jaren heb ik eens de moeite genomen om het tekstvel erbij te pakken en blijkt het nummer een soort ‘Two Tribes’ van de metal te zijn, je basis jaren ‘80 atoomoorlogscenario. Maar het nummer staat niet op zichzelf, het album waar het onderdeel van maakt ook niet, noch het oeuvre van de band, nee, thrashmetal in dat decennium presenteerde een pessimistisch wereldbeeld dat in 2020 visionair klinkt.

 

...And Justice For All van Metallica geschreven (de tijd heeft helaas zijn invloed gehad op de opmaak), de plaat die een aantal thema’s van het genre bundelt tot een duistere sociologie. Heavy metal heeft vanaf het begin een negatief mensbeeld uitgedragen waarin geloof een fantasie is, autoriteitenvan ouders en leraren tot overheidniet te vertrouwen zijn, militarisme leidt tot een vroege dood, waanzin altijd kan toeslaan, vrouwen spoorloos verdwenen zijn en een nucleaire holocaust zijn schaduw over alles heen werpt. Dit alles zonder een uitweg te bieden anders dan verslaving of zelfmoord. Thrashmetal, voor een belangrijk deel afkomstig uit Californië, ontdoet metal grotendeels van metafysica (van de Satanische of Lovecraftiaanse soort) en rapporteert aan de andere, stoffige, zijde van de Amerikaanse hyperrealiteit. Een deel van de futuristische lading van thrashmetal is te verklaren door het feit dat het neoliberalisme in de Verenigde Staten met behulp van Reaganomics in rap tempo werd geïmplementeerd nadat het eerst in het laboratorium van Chili onder Pinochet was getest. Reaganomics kende zijn winnaars maar met een prijs, een groeiende kloof tussen arm en rijk en een afbraak van het sociale weefsel. Dit alles ingebed in een racistische en homofobe culture war om evangelische stemmers te paaien en met risicoloze militaire afleidingsmanoeuvres om patriottisme op peil te houden.

In het Verenigd Koninkrijk was de gelijktijdig aan de macht gekomen Thatcher er snel bij om hetzelfde recept toe te passen en in een wat zachtaardige, minder opgefokt militaristische versie zou ook Europa er in de loop van de jaren negentig aan moeten geloven wat ons in de huidige tijd brengt waar een Amerikaans medialandschap is geassimileerd, xenofobie moet afleiden van het falen van neoliberalisme en een terugval dreigt in autoritarisme, nu als surveillancemaatschappij met een dwingende conceptualisering van de sociale norm. In deze maatschappij zijn tegenkrachten meer dan ooit verstrooid, rebellie gekoloniseerd als lifestyle-keuze. Het is aan het individu op klimaatverandering tegen te gaan, om een kleine filantropie te bezigen, om psychisch te overleven zonder (zelf)medicatie, altijd met de dreiging dat de overheid je uit willekeur vermorzelt met inzet van slecht geautomatiseerde regelgeving. Alles wat ...And Justice For All in 1988 (en Dimension Hatröss van Voivod in datzelfde jaar) poneerde.

Het genre was vooruitziend in de diagnose maar bood thrash ook een oplossing? Ten dele, en dan vaak de zeer Amerikaanse oplossing van radicale vrijheid. Dave Mustaine van Megadeth biedt een uitweg als cynisch-hedonistische libertariër, licht paranoïde, alles afwijzend behalve individuele vrijheid. Metallica zou na ...And Justice For All een uitweg zoeken in een mix van emotionaliteit en survivalideologie die een vlucht uit het sociale betekent, een opgaan in de natuur (“So seek the wolf in thyself” – ‘On Wolf and Man’.) Slayer bood op Seasons in the Abyss (1990) de meest duistere variant van de seriemoordenaar, het individu dat boven de wet staat en beslist over leven en dood. Zelfs de meer “woke” bands als Anthrax, Sacred Reich en Sodom weten hun kritiek moeilijk om te buigen naar een positieve collectieve boodschap, toch al een lastige opgave voor muzikanten omdat men al snel prekerig overkomt. In die zin was thrashmetal zelf profetisch in het idee dat er geen alternatief is voor kapitalisme. Maar wil het nog evolueren (wat maar de vraag is in een vergrijzend genre), moet het net als Boards of Canada een wereld na de ramp ontdekken, een blik op de zon werpen, hoe wazig deze ook is, en zich verwonderen over de nieuwe levensvormen die opkomen uit een doodgewaande aarde.