Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label retromania. Alle posts tonen
Posts tonen met het label retromania. Alle posts tonen

woensdag 29 april 2020

Het Eckte Eckte Amsterdam



Vanuit het raam kon ik het zien liggen. De stroken ondergelopen land die overgingen in de duinen, de smalle stranden en daar in zee onmiskenbaar de wereldberoemde rizoom van grachten. Terwijl het vliegtuig een laatste bocht maakte, probeerde ik een gebouw te herkennen, misschien het Rijksmuseum waar ik zo naar verlangde. Na de landing opende ik mijn gids maar weer om het langdradige taxiën te vergeten
Amsterdam II is de perfecte bestemming. Voor het eerst in jaren zult u zich als toerist weer welkom voelen. Hier bent u geen indringer, zult u geen boze blikken meer krijgen, dit is de stad gemaakt voor uw ultieme Amsterdam-ervaring. Kosten nog moeite zijn gespaard om na de pandemieën van de jaren twintig te zorgen voor een veilig toerisme, een unieke ervaring die u nooit zult vergeten. Optimaal shareable en zonder schuldgevoel…
Het begin was er in ieder geval naar. De aankomsthal was efficiënt ingericht voor bezoekers van Amsterdam II. Na de paspoortcontrole lag mijn koffer al te wachten waarna ik de richtingaanwijzing naar de metro volgde. Niet dat er een alternatief voor handen was. Iedereen weet dat je Amsterdam II maar op een manier kunt bereiken. Het door Koolhaas ontworpen metrostation was open en licht, sereen, ook al wachtten er steeds honderden reizigers op een van de metro’s die stipt om de twee minuten arriveerden. Altijd met het juiste aantal beschikbare zitplaatsen omdat de A.I. de stroom passagiers continu monitorde en de wagons waar nodig aanpaste. Verzekerd van een zitplaats stapte iedereen op een geciviliseerde manier in, plaatste de bagage in de daarvoor ontworpen compartimenten en nam vervolgens plaats. Over tien minuten zouden we op Amsterdam Centraal arriveren. Eenmaal in de tunnel las ik verder.
In Amsterdam II vindt u het authentieke Amsterdamgevoel dat verloren leek te zijn gegaan. Alles is hier op schaal nagebouwd met oog voor alle historische details. Grachten, musea, gebouwen en natuurlijk roemruchte coffeeshops zijn niet van origineel te onderscheiden. En er is meer dan het beroemde centrum. Ook wijken als de Indische Buurt, de Rivierenbuurt en de Baarsjes bieden een alternatief met verborgen juweeltjes en inspirerende momenten om met iedereen te delen. Dat echte gevoel van Amsterdamse vrijheid, al eeuwenlang uniek in de wereld.
Amsterdam Centraal, daar waar de stad nu eindigt. Ik moest niet vergeten om een van deze dagen de noordkant van het station te bezoeken die in oude staat was nagebouwd en waar men in de weekends met auto’s kon worden opgepikt om mee te liften naar acidfeesten in loodsen. Maar eerst eens mijn ‘pegels’ ophalen bij de toeristeninformatie. Volgens de gids kreeg elke bezoeker honderd pegels, ouderwets papiergeld waarmee je illegale transacties kon naspelen. Ik laadde meteen mijn gids op met Amsterdam Games, een soort virtuele tours waarmee je interactief avonturen kon beleven, V.R. compatibel. Eenmaal buiten volgde ik de nieuwelingen richting het Damrak. Ondanks de voorbereiding en de expliciete waarschuwingen van de reisgids was de confrontatie met auto’s choquerend. Geen wonder dat het stadsleven vroeger zo ongezond was, mensen werden gewoon vergiftigd en psychisch geterroriseerd. Het scheen dat personeel sommige auto’s nog gebruikte om zich te verplaatsen maar ze waren zelfrijdend en vormden daarom geen enkel gevaar voor de voetganger, een klein compromis ten kostte van volledige authenticiteit. Bovendien merkte ik meteen op dat er genoeg ander gevaar loerde in de vorm van fietsers. Een jonge vrouw in kort rokje, een detail dat me in een flits afleidde, passeerde me rakelings.
“Uitkijken, lul!”
Schitterend.

Ik liep met stevige stappen de adrenaline uit mijn lichaam, al snel op mijn gemak gesteld door de kaaswinkels, rastashirts en echte FEBO. Zoveel keuze, maar ik had begrepen dat de bamischijf onmisbaar was. Inderdaad, de kruidige zoutigheid vormde een explosie van geluk, een tastbaar bewijs dat ik eindelijk in Amsterdam was. Hier zou ik dan eindelijk mijzelf kunnen zijn, weg van het virtuele kantoor en een leven in monotone hoogbouw. Ik stak de Warmoesstraat over richting de Zeedijk die er ouderwets onguur uitzag, vol louche figuren die in schaduwen rondhingen. Ze zouden toch niet echte heroïneverslaafden gebruiken? Interessant om later uit te zoeken met de pegels. Maar wat een heerlijk sfeertje. En die intense geuren, een bedwelmend mengsel van urine, Aziatische kruiden en gedroogd bier. De geur van het werkelijke leven. Aan het eind van de Zeedijk zag ik mijn hotel, De Waag.

Tevreden keek ik uit over de Nieuwmarkt. Eerst opfrissen en wat dan? Die haringkar? Of toch meteen naar de coffeeshop? Het carillon speelde een medley van ‘Dominator’, ‘French Kiss’ en ‘The Bells’, allemaal oude favorieten van mijn vader, terwijl de avond viel en de terrassen bijna uit zichzelf gevuld werden, alsof iedereen zijn rol vol overgave speelde. Na een paar snelle biertjes en halve White Widow-joint liet ik mij in een roes door de menigte meeslepen langs de grachten, ons collectief vergapend aan de uitdagende, soms verveelde, vrouwen achter de ramen. Zouden ze allemaal echt zijn en hier wonen? Er gingen al lange tijd geruchten de ronde dat een merendeel van Japanse makelij was. Wat mij betreft een briljante marketingcampagne, al die mannen die wel even gingen bewijzen dat ze het verschil konden merken. Een andere keer, ik was te ver heen en had geen zin in gênante taferelen. Nee, ik volgde het geroezemoes, dat vriendelijke mengsel van talen en gelach, soms een overgevende Engelsman omzeilend, soms een te grote auto die zich in vaste rondjes door de mensenmassa begaf. Op de Armbrug nam ik nog een laatste hijs van de joint. Dat had ik niet moeten doen. Waarom liep iedereen opeens op mij af? Mijn aderen leken vanuit mijn nek naar de uiteinden van mijn vingers te bevriezen. Wat deed iedereen hier eigenlijk? Al die gezichten waren maskers, versteend in verlangen. Wat lag er achter die maskers? Mensen? Machines? Wat deed ik hier eigenlijk? Ik hield mezelf voor de gek. Alles was nep. Je trapte er zo makkelijk in. Zo goed gedaan, maar compleet nep. Gelukkig bevond ik me in de buurt van mijn hotel en ik worstelde me door de menigte, ervan overtuigd dat ik elk moment als een cliché languit op straat kon liggen.

Ik had in tijden niet zo diep geslapen. De vorige nacht niet meer dan flarden uit een nare droom. En toch, eenmaal voor de imitatie van De Nachtwacht keerden de twijfels in een wat zachtaardigere vorm terug. Amsterdam II had zo verleidelijk geleken, zo overtuigend, ik had werkelijk in de simulatie geloofd. Ik probeerde met een dubbele dosis kunst weer dat gevoel van de aankomst te hervinden. En zowaar, Van Gogh gevolgd door een patatje oorlog deed wonderen. Ik besloot zonder echt doel in de richting van het hotel te wandelen. Ik verzond wat foto’s van streetart vol psychedelische gezichten, drie kruizen en buitenaardse alfabetten naar mijn volgers en op het Rembrandtplein vond ik een speelhal met werkende kasten als Space Harrier en NBA Jam. Het tij leek gekeerd, maar voor de zekerheid liep ik met een grote boog om de coffeeshops heen. Gelukkig kon ik met de Lachuh-app een koerier langs laten komen die alleen pegels accepteerde. De transactie voelde heerlijk fout.
“Vergeet niet om de patronen gewoon op straat te gooien, chef. Zo hoort dat.”
Gezeten aan het water begon ik de ballonnen te vullen. Een bankje verderop zaten twee toeristen gezellig te chinezen en selfies te maken. Ik vulde mijn longen compleet met de eenvoudige verbinding. Elke keer sloot ik mijn ogen en trilde mijn hele wezen mee op het geheime ritme van de stad. Na tien ballonnen was ik er van overtuigd dat Amsterdam het kosmisch centrum van dit universum was.
“Nou nog eentje en dan is het weer genoeg geweest.”
De doos was leeg. Geïrriteerd vertrapte ik het karton en liep vervolgens naar tram 9. In een halfgevulde De Meer spoelde ik een hamburger weg met slap bier terwijl Ajax 1972 op een onwerkelijk groen veld Feyenoord overklaste. Ik moest mezelf forceren om te genieten van de passeerbewegingen van Keizer en de passes met buitenkant voet van Cruijff. Het was zonder twijfel goed gedaan, ook met die oncomfortabele houten bankjes, maar het voelde op meerdere manieren ongemakkelijk. Ik keek naar geesten.

De volgende ochtend keerden de twijfels in samenwerking met een geniepige hoofdpijn terug. Alles begon me tegen te staan en tegelijkertijd groeide het verlangen om het echte Amsterdam te zien. Maar hoe kwam ik daar? Ik moest de neiging onderdrukken om het een bewoner van de simulatie te vragen. Niemand was te vertrouwen en waarschijnlijk hadden ze geen idee. Verveeld zwierf ik langs de “Amstel” totdat ook deze in de Noordzee eindigde. Ondertussen onderzocht ik andere mensen. Wie was toerist? Wie acteur? Werker? Androïde? En kon iemand me uit deze miserabele vakantie redden? Ik staarde wezenloos in het onaangeroerde glas Heineken. Was het eigenlijk wel echt Heineken, of gewoon een of ander goedkope namaak? Zou ik ooit het verschil kunnen proeven?
“Jij zoekt even iets anders.”
“Ik heb even nergens zin in,” antwoordde ik met moeite.
“Jawel man, ik ken die blik wel.” Met tegenzin keek ik op naar de jonge barman die zich voorover boog.
“Jij bent niet de eerste, pik. Echt niet.”
Met een zelfvoldane glimlach zette hij een glas jenever naast mijn vaasje. Ik zuchtte.
“Drink nou maar op, man. Dan vertel ik ondertussen wat je dwarszit.”
Ik sloeg het glas achterover, klaar voor een voorgekookte volkswijsheid. In ieder geval voelde de alcoholrilling fijn aan.
“Jij wil het ware Amsterdam zien, toch?”
Hij knikte tevreden met zijn hoofd nadat hij mijn verrassing had geregistreerd.
“Dat bedoel ik.”
Achteloos begon hij op een bierviltje te schrijven. En op luidere toon vervolgde hij: “Ik heb nog wel een adresje voor je. Een ouwe gabber van me.”
Hij schonk me een tweede jenever in en fluisterde ondertussen: “Dit adres. Daar woont mijn zus. Ze weet de weg. Gaat je natuurlijk wel wat kosten. Ze legt het allemaal uit. Even onthouden en dan mieter je dat viltje met je zogenaamde dronken kop jolig in de gracht.”
Ik hield mijn glas omhoog, kreeg een knipoog terug waarna hij zich omdraaide om een andere klant te helpen.

De volgende ochtend haastte ik me naar de Bloemgracht om bij het aangewezen adres aan te bellen. De deur opende naar een steile trap waar aan de bovenkant een jonge vrouw verscheen.
“Pakketje voor de buren zeker?”
Ik herhaalde van het inmiddels verzopen bierviltje: “Kunt u het aannemen? Het is uit het buitenland. Anders gaat het naar het hoofdpostkantoor.”
Ze knikte.
“Dat zou zonde zijn. Kom maar naar boven.”
Het appartement zag er sfeervol uit. Houten vloer, scheef, overal planten. Een grote poster van Betty Blue aan de muur. Zelf ingericht of gewoon voor werknemers ontworpen?
“Koffie?”
Ze was natuurlijk mooi op een lokaal nonchalante manier. Lang en toch schoenen met hoge hakken, te groot shirt met een verwassen anime-karakter uit een film die ik in mijn jeugd had gezien. In alles een air dat ze geen zin had in gezeik.
“We vertrekken vannacht. Je kunt nu de helft betalen en de andere wanneer we in Amsterdam aankomen. Gewoon doen wat ik zeg en dan komt alles goed. Je mag er zo lang blijven als je wilt, maar ik raad je aan om hem na een paar dagen weer te peren. De boete als je gesnapt wordt is niet mals en moet je meteen betalen. Bovendien,” en hier zocht ze bewust mijn blik op, “pottenkijkers zoals jij willen ook opeens verdwijnen.”
Ik wende mijn ogen af en probeerde de stilte maar op te vullen met een slok koffie. Inmiddels was een kat op mijn schoot gaan liggen.
“Oh, en ik ga niet met je naar bed.”

“Mistig. Zie je ook niet vaak meer. Lekker ouderwets. En handig.”
Het geronk kwam dichterbij. Ze haalde een stoffen zak uit haar jas.
“Sorry, geen rondvaart deze keer.”
Met tegenzin deed ik de zak over mijn hoofd. Ik werd aan mijn linkerbovenarm vastgepakt en in de boot geleid.
“Doe die herrie maar uit. Het is geen pleziervaartje door de grachten of zo.” Geruisloos gingen we op weg. Ik durfde hun geroutineerde stilte niet te doorbreken en gaf me over aan verveling, hopend dat de nerveuze gedachten op een gegeven moment een coherent geheel zouden vormen. Na een tijd gaf ik het op.
“Zijn er mensen zoals ik die er blijven wonen?”
Het was een gedachte die me sinds gisteren bezighield.
“Je hebt er altijd wel een paar. Zonderlingen. De meesten worden op een gegeven moment gepakt, maar er zijn erbij die verliefd worden en een heel leven weten op te bouwen. Het is ook niet alsof er op je wordt gejaagd. Daar houden we niet zo van.”
Blies ze nou rook in mijn gezicht?
“Maar de meeste springers houden het snel voor gezien. Je weet wel, geconfronteerd met de werkelijkheid verwatert de fantasie.”
Ik vond het moeilijk te geloven.
“Wat doe jij eigenlijk in het dagelijks leven? Daar.”
“Oeh, nieuwsgierig. Ik studeer natuurlijk. A.R. informatica”
“Ben je daarom in Amsterdam II. Als stagiair?”
Ze grinnikte.
“Voor het geld. Maar je hebt wel een beetje gelijk. Die hele stad houdt me bezig. Weet je dat de meeste springers uiteindelijk de simulatie missen? Hun hele perceptie is gevormd naar het ideaal. Dat voelt correct, zelfs al hebben ze soms hun twijfels. Nou ja, dat hoef ik jou natuurlijk niet uit te leggen.”
Ik wilde protesteren maar ze was al weer verder aan het uitweiden.
“En we doen in II nog veel te weinig met A.R. Ik bedoel die poging tot gamificatie alleen al. Zo hoog van de toren blazen over authenticiteit en met dingen aankomen als Zelda in Amsterdam. Sad.”
Ik zei maar niet dat ik had uitgekeken naar het exclusieve Damsko Mario Tournament.
“Eigenlijk zouden we een derde Amsterdam moeten bouwen. Dat zie ik wel zitten. Een futuristisch Amsterdam. Liquide. In beweging. Een sensuele stad, een continue overweldiging van de zintuigen. Niet dit commerciële, voorgeprogrammeerde verlangen. Of dat hopeloze zoeken naar authenticiteit. Die dualiteit moet doorbroken worden.”
“Een Nieuw Amsterdam.”
“Precies. We leven in de diepe 21ste eeuw. Tijd voor nieuwe ontdekkingstochten en niet meer die ouwe meuk.”
De weerkaatsing van het geluid veranderde. Licht begon voorzichtig door de mazen van de zak te schijnen.
“We zijn er bijna. Mokum. Ruik je het verschil?”
Ik rook eerlijk gezegd alleen mijn eigen mufheid.
“Geen auto’s.”

Vanzelfsprekend bleef ik hangen. Na twee weken had ik een appartement gevonden in het centrum, aan de rand van wat nu Klein Korea werd genoemd. Ooit, na de pandemie en de leegstroom, gekraakt dus ik moest er wel even werk van maken. Maar ik had tijd zat. Mijn oude smartphone had ik bij aankomst uit voorzorg in ‘t IJ gegooid. Ik las vooral boeken, goedkoop te krijgen in een van de tweedehands boekwinkeltjes die ik op mijn wandelingen tegenkwam. Al snel verwaterde mijn oude leven tot een matige droom waarin je een even saaie als onmogelijke klus moet klaren. Ontdaan van alle druk en status kon ik hier proberen om mijzelf te hervinden. De binnenstad volgde een heel eigen cyclus, een imitatie van een zondagochtend waarbij je vaak het gevoel kreeg dat je de stad voor jezelf had. In het begin moest ik wennen aan de afwezigheid van een bepaalde gloed waarmee Amsterdam II scheen. Hoe kreeg men dat voor elkaar? Was het een special effect, een bepaalde belichting, of een cumulatief resultaat wanneer je alles van geïdealiseerde beelden nabootst? In de levende stad vielen dingen uit elkaar en werden lange tijd genegeerd of met moeite gestut en gecamoufleerd. De vuilnis werd ook maar twee keer per maand opgehaald. Dan, als je een straat inliep kon je plotseling in een relletje terechtkomen waarvan de aanleiding niet was te achterhalen. Aangezien de politie vanwege bezuinigingen zich vooral bezighield met basistaken waren ze vaak geen partij meer. Al snel zag ik de rellen als een ritueel, een herhalende gebeurtenis waarmee de sociale orde werd bevestigd. In bepaalde gevallen leek het nog het meeste op absurdistisch theater. Zoals die keer dat ik het Leidseplein kruiste dat was verdwenen in een enorme rookwolk waar drie jonge mannen, eentje gezeten op een klapstoel, een ander op een versleten bankstel, zwijgend naar keken. Pas toen een tram vrolijk ringelend uit de rook verscheen liet het schouwspel me los en liep ik verward verder, zoekend naar de betekenis van dit alles. Had ik het over rituelen? Ik werd op 30 april op mijn wenken bediend.

In de aanloop naar die dinsdag kon je moeilijk ontsnappen aan de elektriciteit die in de lucht hing. Mijn zakken puilde elke dag uit van flyers waarop speciale raves werden aangekondigd. Original 1990 Style of Oud Acid Festijn, vormgegeven met vrolijke kleuren, pilvormige mannetjes en aantrekkelijke cybervrouwen. Koninginnedag stelde in Amsterdam, met zijn dedain voor commercialiteit, niets meer voor. In plaats daarvan was de ooit uit de hand gelopen Dag van de Stadsrepubliek door de jaren heen uitgegroeid tot een officieuze feestdag met als hoogtepunt het naspelen van de Slag om de Blauwbrug. De meeste inwoners waren te jong om de ware toedracht en omstandigheden te herinneren maar dat maakte weinig uit omdat in het chaotische tafereel midden in de stad een symbolische betekenis lag die de kern leek te raken van het Amsterdammer zijn. De ervaring had geleerd dat de herschepping met echte wapenstokken, waterkanonnen en stenen meer slachtoffers veroorzaakte dan de oorspronkelijke gebeurtenis. Vandaar dat de als politieagenten verkleedde bewoners met zachte knuppels werden bewapend en de stenen van kunststof waren gemaakt. En toch, eenmaal op gang werkte het gejoel, de dreigementen die uit speakers schalden, het gestamp, het steeds maar herhalende “Geen woning, geen kroning!” gevolgd door de rookbommen, in op het oerwoud van de psyche. De uit de rook marcherende mobiele eenheid veranderde me van nieuwsgierige toeschouwer in deelnemer en ik rende naar een stapel keien die vervolgens vol overgave naar de vijand werden gegooid. Volgens de afspraak trok deze zich op een gegeven moment theatraal terug waarna we juichend de brug op renden. Ik viel een onbekende in de armen terwijl een brandende autoband langs ons rolde. Het voelde alsof ik zelf in vlam stond, levend, op de juiste plek.

Die avond heerste er een feestelijke stemming in de stad. Ik liet me, gedreven door een schier oneindige witte lijn, van café, naar feest, naar café meeslepen.
“Waarom wonen er nog met mensen met geld in de stad?”
Ik passte de joint door. Een van mijn rellende kompanen schreeuwde over de bas die alle drank in de glazen deed golven: “Die hebben er altijd gewoond.”
“Maar ze hoeven hier toch niet meer te wonen? Niemand gaat meer naar kantoor. Dat soort geld wordt nog alleen virtueel gemaakt.”
“Je hebt gewoon veel oude families. Die weten niet anders. Maar...”
Hij gaf me een rietje voor de volgende lijnen.
“Ze houden ook gewoon van de spanning. Wie wil er nou in een villawijk wonen? Domme lui. Iemand met pretenties en statuur zoekt de tijdelijke confrontatie. De mogelijkheid van geweld en seks, van domineren en vernedering. Dat is altijd de succesformule: geld en ruïnes. Dat realiseerde men zich na de plagen. Toerisme slaat alles plat. Allemaal voorgekauwde lifestyles zonder creativiteit. En dat is on-Amsterdams. Een te grote middenklasse in combinatie met toerisme vormde een soort barrière en die is gereduceerd. En zo keert de spanning terug. Kijk om je heen, veel van deze jongeren gaan naar de beste scholen. Hun ouders zijn slippendragers van de oude elite, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, dat werk. Ze wonen allemaal in Zuid of op de Eilanden. En geloof me dat is niet vervelend wonen. Maar je blijft dicht bij het vuur. Dat hoort ook bij je opvoeding. Snap je?”
De cocaïne deed zijn sloopwerk. Vagelijk tussen de sterretjes door vroeg ik me af waar hij zelf woonde, al had ik zo een vermoeden.

Na een idyllische zomer begon het exact vanaf 1 september te regenen. De meeste Amsterdammers waren voorbereid en menigmaal kreeg ik de tip om te investeren in goede regenkleding.
“Al is het een oude legerjas uit de dumpstore. Dit gaat zeker tot eind maart zo door.”
Gekleed in een Zweeds exemplaar, volgens de verkoper bedoeld voor een N.A.V.O.-missie in Zuid-Oost Azië, probeerde ik me aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Die bevielen me al snel niet. Ik probeerde stemmige foto’s te maken van weerspiegelend neon in plassen, het Rijksmuseum dat in een stortregen leek te verdwijnen, stoïcijnse vrouwen in trenchcoats uit de vorige eeuw. Ze deden het aardig op mijn Insta. Een beetje niche omdat je weinig kanten op kon filteren met dat alles overheersende grijs. Haast onvermijdelijk liepen de likes daarna terug. Was dat niet een weerspiegeling van mijn eigen gesteldheid?

“Wat is er eigenlijk buiten Amsterdam?”
Het café wasemde een unieke geur van vochtig hout, drogende kleren, bier en wiet. Een van mijn buren, geboren en getogen, daar twijfelde niemand aan, antwoordde: “Ik ben sinds mijn achtste of zo niet meer buiten de A10 geweest, toen kon je daar nog gewoon over rijden. Echt waar. Maar volgens mij niet zoveel. De meeste polders schijnen blank te staan. Je hebt dat hele stuk wat onleefbaar is toen die te snel gebouwde minireactor plof deed. Wanneer wat dat ook alweer? ‘32?
“2034.”
“Nou ja, dat dus. 2034. Gelukkig stond er toen een noordenwind anders waren we hier ook allemaal de Sjaak geweest. Blijft eigenlijk Almere-Lelystad over. Toch de grootste stad van het land.”
Bij dat laatste woord maakt hij ouderwetse citaatgebaren.
“Lijkt mij niks hoor, 6 miljoen mensen, geen echt centrum. Van die, zeg maar, burgerlijke types. Kortom...”
Iedereen begreep zijn voorzet.
“Geef mij maar Amsterdam!”
Dit alles gevolgd door enthousiaste teugen bier. Ik kon geen kant op. Wat was ik nu? Gevangene? Had ik mezelf verbannen? Kon ik me Amsterdammer noemen? De regen nestelde zich langzaam maar zeker in mijn ziel. Ik was de weg kwijt. Het enige wat me op de been hield was de gedachte aan de lente, een leven zonder regen. Maar was er een alternatief als ik dat niet volhield? Uiteindelijk hoefde ik zelf geen keuze te maken.

Even stopte de regen wat het teken was om toch iets te gaan doen, al was het maar een paar foto’s nemen. Halverwege de brug dacht ik zowaar een zonnestraal waar te nemen. Ik bleef staan om de Herengracht te bekijken. Ik wist het licht te kaderen dat over het water dartelde en voelde weer die tinteling van vrijheid. Uit het niets stonden er drie mannen om me heen. Onopvallend gekleed in lange jassen, ik had dit soort figuren nog nooit eerder in de stad gezien.
“Zo meneertje, identiteitsbewijs.”
Ik wist meteen dat het voorbij was. Stom, sommige dingen veranderen nooit. Gelaten liet ik mij, aan beide armen vastgegrepen, meenemen. Zo werd ik in straf tempo langs de gracht richting het Centraal Station geleid. Af en toe ving ik een meewarige blik op van een bewoner die uit het raam hing of ons passeerde. En anders was er wel een “Hard voor je, ouwe.” van een kruisende fietser. Het deed me allemaal niks omdat het voelde alsof ik door een bubbel werd omhuld. Met elke stap verdween al het gevoel langzaam uit mijn wezen. Aangekomen bij het CS liepen we door een tunnel wat me uit mijn meelijwekkende trance haalde.
“Gaan jullie me vermoorden?”
Waarom niet het onvermijdelijke uitspreken? Zouden ze me wurgen? Neerschieten en mijn lichaam in ‘t IJ dumpen? Een van de agenten kon een glimlach niet onderdrukken.
“We vermoorden hier helemaal niemand.”
Zijn collega keek geconcentreerd voor zich uit, maar vulde aan: “Dat is gewoon een eng verhaal om pottenkijkers en radioactieve kakkerlakken af te schrikken.”
De derde agent die voorop liep moest grinniken.
“Sterke verhalen.”
Bij het water aangekomen wachtte al een politieboot. Aan boord werd ik aan een paal vastgeketend. Ik was de enige passagier. Een van de agenten tikte tegen het raam van de stuurkamer.
“Enkeltje Disneyland voor deze meneer.”
Zelfbewust nam ik nog een keer de stad in mij op. Programmeerde ik alvast een gevoel van nostalgie voor toekomstig gebruik? Op het moment dat we langs een pier voeren zag ik haar staan. Rokend alsof ze ergens op wachtte. Ik rekte me zo goed als ik kon over de rand en hoefde haar niet eens te roepen. Haar gezicht verraadde geen emotie en alleen haar wenkbrauwen liet ze cynisch omhoog gaan om daarna op haar horloge te tikken. Al snel verdween ze uit zicht, ik was toe aan vakantie.

(Amsterdam, 2020)

Download als epub.

dinsdag 11 juni 2019

Fascisme en retromania

Fascisme staat weer op de agenda, of je het nu laf alt-right of populisme noemt, neofascisme beweegt gestaag richting de schijnwerpers, waarbij kranten, televisie en social media in veel landen een zeer discutabele rol spelen (die van grotendeels onkritisch doorgeefluik.) Is dit een nieuw soort fascisme of een nostalgische terugblik van mensen die gebukt gaan onder future shock? Is fascisme een retrobeweging? Of heeft retromania inherente fascistische trekjes?

Laten we beginnen met de original gangsta’s: het fascisme van de eerste helft van de 20ste eeuw. Ik denk dat met name de Duitse variant een soort hybride vormde tussen moderniteit en mystificatie. De manifeste boodschap van dit fascisme werd opgebouwd uit een samenraapsel van mythen, sagen, occultisme en duistere legendes, een bespottelijk verhaal over een superieur ras met Calimero-neigingen. Maar de latente boodschap was een van moderniteit, een ode aan technologische vooruitgang van snelwegen, treinen, zeppelins, vliegvelden, nieuwe steden, Olympische Spelen, radio, televisie en pseudowetenschap. Dit fascisme beweegt langs twee polen, gekanaliseerd door een unieke seksuele cocktail van sadisme en homo-erotiek. Fascisme is het rationeel inzetten van irrationaliteit, maar nooit een eenvoudige terugkeer naar oude waarden.

In het Italiaanse fascisme is dit nog veel explicieter. De kunstbeweging Futurismo met zijn obsessies voor snelheid, vernieuwing, lawaai en geweld presenteert een esthetische breuk waar Mussolini moeiteloos op kon voortborduren. Er is zonder twijfel een aantrekkelijke kant aan fascisme, een mengsel van zekerheid, broederschap en vooruitgang die menigeen zal hebben aangetrokken ver voordat een Kristallnacht plaatsvond, ver voordat de demonische prijs betaald moest worden van een praktijk van uitroeiing. Er gebeurt eindelijk wat. In die zin is er juist een fascistische lading aan vooruitgang toe te kennen. Sciencefiction is niet voor niets bezaaid met fascistische motieven: fantasieën over maatschappijen waar democratie als inefficiënt is opgedoekt, glanzende steden, conflicten tussen interplanetaire rassen en verheerlijking van de strijdbare held. Of wel, het nieuwe dat het oude wegvaagt.

Is eenzelfde soort fascisme zich in onze tijd aan het manifesteren? Is er een beweging die een dergelijk modernisme combineert met mystificatie? Ik betwijfel het. De mystificatie is overduidelijk aanwezig, een cocktail van nationale mythes, verering van masculiniteit, de welhaast mystieke kracht van vlees, anti-wetenschap en angst voor vreemdelingen. Maar het neofascisme van nu lijkt weinig op te hebben met technologie, vindt een bepaald technologisch niveau gewoon (Internet, vliegen, auto’s) maar lijkt geen bindend verhaal te presenteren van vooruitgang, van een betere maatschappij. Het fascisme lijkt op deze manier, net als kapitalisme, gebonden aan fossiele brandstoffen, het kan geen wereld voorbij fossiele brandstoffen voorstellen. Wat dan ook verklaart waarom deze bewegingen een diepgewortelde haat kennen voor groene politiek en ecologie, de ware futuristen van de 21ste eeuw. Het neofascisme is wat dat betreft de perfecte metgezel, de enforcer, van het neoliberalisme, de grote ontmantelaar van grote maatschappelijke projecten. Het laatste nihilisme, op planetair niveau.

Zonder vooruitstrevend perspectief blijft vanzelfsprekend het verleden over. In het culturele domein ontvouwt zich wel degelijk de retromania van huidige neofascistische bewegingen. Dit soort bewegingen en politici hebben zonder twijfel allemaal een verschillende lokale en persoonlijke insteek: Wilders zal zelden over cultuur spreken, Baudet is heel expliciet en fundamentalistisch in zijn retromania. Het is een interessant en noodzakelijk project om deze vorm van retromania scherp in kaart te brengen. Er bestaat inmiddels een commercieel-naïeve vorm van retromania die politiek compleet ongevaarlijk is en vooral culturele vernieuwing afremt, denk hierbij aan de wonderbaarlijke stoet van uitgerangeerde artiesten die als “grote namen” op muziekfestivals zijn te aanschouwen. Het is lichtelijk gênant maar doet niemand kwaad. Dit in tegenstelling tot de manier waarop Britpop in de jaren negentig werd ingezet om het multicultureel modernisme van rave te saboteren. Britpop, met zijn nostalgie naar een Engeland zonder migranten en hun rare muziek, kan inmiddels niet meer los worden gezien van Brexit, wat in wezen een neofascistisch project is, een typisch Britse variant die de klassenmaatschappij moet consolideren in een controlestaat die graag wil wedijveren met die van de Verenigde Staten en China. De retromania van Britpop vormde het culturele ideaal van een deel van de samenleving dat de toekomst wil vergeten. Omdat de Britse poptraditie zo lang succesvol is geweest kon Britpop tijdelijk uitgroeien tot een krachtig fenomeen dat zijn gelijke niet kent in andere landen of taalgebieden (al is een analyse mogelijk van de manier waarop Nederlandse trance via EDM rave van binnen uit heeft ontdaan van zijn zwarte wortels.)

Retromania vormt een potentiële laag van het neofascisme die als culturele katalysator en rem kan worden ingezet. Maar het heeft geen betekenis zonder onderliggende structuren die sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog lange tijd zijn blijven voortbestaan, vaak in het openbaar zoals de Duitse functionarissen die na de oorlog aanbleven, soms als sinistere schaduwprojecten als Gladio en aanverwante terroristische cellen. Die fascistische structuren moesten zich na afloop van de Koude Oorlog regenereren. Waar we nu mee worden geconfronteerd is een nieuw complex dat waarschijnlijk grotendeels ongepland is ontstaan en sinds 2000 naar de oppervlakte komt, in de vorm van voorheen kansloze politieke partijen die vanuit mediaconstellaties en (semi-)dictaturen worden gestimuleerd. Het huidige fascisme is complexer en moeilijker te identificeren dan de klassieke variant, waarbij men zich ook kan afvragen of het wacht om definitief toe te slaan of zich tevreden stelt met een bescheidenere saboterende rol in dienst van een buitengewoon stug neoliberalisme. In het culturele domein is het daarom zaak avant-gardistische stromingen te steunen en elke vorm van retromania op zijn minst te negeren of voor de zekerheid compleet met grond gelijk te maken.

zaterdag 17 juni 2017

Het was 50 jaar geleden...dat een monument van retromania werd geboren

 
Ik kreeg het een paar jaar gelden al benauwd van het idee dat Sgt. Pepper's Lonely Hearts Club Band 50 jaar zou worden. Met name de vloedgolf aan artikelen die ouwe psychedelische koeien uit de sloot zouden halen, beangstigde me. Maar het lijkt uiteindelijk wel mee te vallen (eerlijk is eerlijk, een prettig bijeffect van de gepersonaliseerde informatiestroom). Pas de heruitgave (een belachelijk overdadig pakket) heeft een bescheiden stroom artikelen veroorzaakt, geen enkele die nieuwsgierigheid wekt, geen enkele belofte van een nieuw inzicht...omdat die er simpelweg niet zijn. Het voelt op een prettige manier obligaat, een ritueel waar niemand in gelooft, de monotone leegte van de hyperrealiteit. Het is retromania verdord, ontdaan van elke charme. Zo licht en onbetekenend dat het zelfs niet meer een bevrijdend potentieel heeft.

Zelf kocht ik 30 jaar geleden uit een soort plichtsbesef de eerste cd-versie van Sgt Pepper's, die op pedante wijze was uitgesteld om samen te vallen met het destijds 20-jarige jubileum (wat is 20 jaar nu? In 1987 leek het wel een artefact uit een andere eeuw.) Al snel lag de cd onbeluisterd in de kast totdat ik hem in een bevrijdend gebaar verkocht. Nooit gemist.

Sgt. Pepper's is een zelfbewuste Grote Plaat, zonder twijfel de eerste, die door de psychedelische cultuur werd afgedwongen en meteen als een self-fulfilling prophecy als zodanig werd omarmd. Die receptie is, denk ik, fataal geweest voor de waardering op lange termijn. Het album is snel op elk niveau ontleed en verzadigd en de status van Pet Sounds (relatief een commerciële tegenvaller) en Smile (destijds onafgemaakt) is door de jaren heen toegenomen. De eerste is veel persoonlijker en universeler, de tweede mythologischer en dieper. Sgt. Pepper's is een artefact dat zichzelf en zijn ambitie viert (van hoes tot spel met stijlen), afstandelijk, zonder dat de vreemde energie, de kinderlijke gewelddadigheid van de jaren zestig, zal kunnen worden herleefd die het mogelijk maakte.

Ik moest er weer aan denken naar aanleiding van dit interview met Herr Direktor Hütter van Kraftwerk GmbH. Interviewer Tim Jonze maakt terloops de opmerking die al een aantal jaren voorzichtig de ronde doet, namelijke dat Kraftwerk invloedrijker is dan The Beatles. Wat mij betreft is invloed (net als verkoopcijfers) niet heel interessant als criterium maar desondanks lijkt mij dit, behalve in kringen van hardcore rockisten, een weinig controversieel idee. The Beatles waren in de jaren zestig zonder twijfel invloedrijk maar na hun ontmanteling zijn ze eigenlijk alleen te gebruiken als pastiche, van fantasierijk (Electric Light Orchestra) tot onhandig (Oasis). Wat ook niet erg is en meer pleit voor het idee dat The Beatles compleet af was, een eigen stijl neerzette die alleen is te benaderen als imitatie waarmee het eigene van bijna elke artiest teniet wordt gedaan. Een sterke artiest als Prince op Around the World in a Day is misschien een van de weinige uitzonderingen.

Er is ongetwijfeld een niveau waarop het pastiche-effect van toepassing is op Kraftwerk. Je hoeft maar naar de eerste helft van DJ Hells laatste album Zukunftsmusik te luisteren voor een recentelijk voorbeeld (zonde want de tweede helft is redelijk fascinerende voodoo-house.) Maar de invloed van Kraftwerk is dieper en structureler en blijft nog steeds doorwerken. Laten we maar eens het beste denken van de (muziek)journalistiek en er van uitgaan dat men, bewust van deze continuïteit, het onkies vindt om nu al massaal te verschijnen met artikelen als “40 jaar Trans Europa Express”, “De Onpeilbare Invloed van Kraftwerk” en natuurlijk "10 Dingen Die Je Niets Wist Van Kraftwerk". Hopelijk blijft dat voorlopig ook zo.

vrijdag 24 juni 2016

De Toekomst van Europa III: Nieuwe Kansen?


“There is no future/In England’s dreaming.”

Omdat veel sympathieke Britten heel erg voor ‘remain’ waren dacht ik de laatste tijd enigszins gelaten dat dit uiteindelijk wel een prima optie was. Maar nu naar het schijnt voor een Brexit is gestemd, ben ik eigenlijk vanuit eigen perspectief wel opgelucht. En ik denk dat menig politicus die de E.U. een warm hart toedraagt, samen met mensen die een ander Europa willen, dit stiekem ook zijn. Er zijn ongetwijfeld een groot aantal haken en ogen aan het hele uittredingstraject: het duurt lang en het Britse parlement moet er over stemmen, maar wanneer het daadwerkelijk wordt doorgezet tekent zich steeds duidelijker af dat de machtspositie van Engeland—later Verenigd Koninkrijk— in Europa, vanaf 1588 in gang gezet, definitief ten einde loopt. Het Verenigd Koninkrijk zal uit elkaar vallen omdat Schotland zich zal afscheiden, wellicht gevolgd door Ulster. Maar belangrijker voor het vasteland van Europa is dat een ongewillig lid van de E.U. vrijwillig zijn macht afstaat. Je las er opvallend weinig over in de aanloop naar het referendum. Hoe het Verenigd Koninkrijk, zeker sinds de opkomst van Thatcher, altijd zat te trollen in de E.U. nooit echt mee wilde doen, veranderingen tegenhield, de meest fundamentalistische neoliberale koers is blijven doordrukken en zich in wezen als een vazalstaat van de Verenigde Staten gedraagt (militair, economisch en op het gebied van surveillance.)

Vanuit het perspectief van hoopvolle Europeanen die wel van open grenzen, economische samenwerking, vrede en welvaart voor zoveel mogelijk mensen houden kan deze “crisis” niet anders dan als een grote kans worden gezien. In die zin is dit een interessant moment om te kijken hoe vooruitziend bepaalde politici zijn en dat zal vrijwel alleen Merkel zijn (geflankeerd door Van der Bellen en misschien Renzi) die eerder de pathetische chantage van Cameron liefdevol liet stranden. Maar veel zal afhangen van Europese burgers zelf die lokaal een einde moeten maken aan neoliberaal beleid. Een gunstige uitslag van de Spaanse verkiezingen zou al een krachtig tegensignaal afgeven. En het Grote Verhaal van de E.U. moet snel veranderen en beter gebracht worden, op zichzelf al een lastige klus met nieuwsmedia die dol zijn op conflicten en problemen. Maar alweer, als je er als individu niets voor wilt doen verdien je uiteindelijk de populist van dienst.

Met pro-Europese Britten (veel jongeren) heb ik te doen, maar aan de andere kant, een prutser als Cameron twee keer tot premier verkiezen? Het kiesstelsel maar niet kunnen hervormen? Dat is vragen om problemen. Hoe moeilijk het ook is om een geloofwaardig alternatief te bieden wanneer media buitenproportioneel gevestigde belangen van dienst zijn. Ik zou zeggen maak gebruik van de overgangsperiode en verhuis naar het Europese vastenland (of Schotland.) Veel is gezegd over de vulgaire angst voor vreemdelingen die is gemobiliseerd in aanloop naar het referendum en dat is een factor, maar de onderliggende wensdroom van een Brexit is natuurlijk een die ontspuit aan retromania. Een intense nostalgie van met name oudere generaties naar een Engeland dat gelukkig niet meer bestaat. De koloniën zijn allang onafhankelijk, de Wereldoorlogen waren niet romantisch, het Engelse voetbalelftal zal nooit meer een groot toernooi winnen, de staalindustrie bestaat niet meer en zonder reggae zou de Britse muziek na 1977 totaal niets voorstellen. De toekomst is open maar zoals ik het zie zullen in Engeland niet eens zo latente tendensen manifest worden: een typische “please, sir” politiestaat, waar Londen nog meer dan nu alles naar zich toetrekt en zich ongegeneerd ontpopt als offshore-hoofdstad van de wereld. Met extra veel regen. Interessant om vanaf een afstand te bezien, maar ik zou er voor geen geld willen wonen.

donderdag 5 mei 2016

Decadente en melancholische retromania

Toen ik bovenstaande aankondiging voorbij zag komen ging ik in paranoide prank-modus meteen uit van een grap. En dat was ook nog best wel een goede grap geweest. Maar dit is de realiteit. Ergens bewonder ik het ook wel, als een ultiem monument van retromania, de laatste bundeling van de wegebbende krachten. Aan de andere kant, van al deze figuren moeten we nog de komende jaren het overlijdensritueel gaan doormaken. Of zal dit na verloop van tijd ook gedevalueerd raken? "Oh, weer een dode rockster uit de vorige eeuw."

Een Desert Trip Festival bekritiseert zichzelf al. Veel meer plezier en denkwerk wordt gegenereerd door Ian Penmans recensie van Patti Smiths M Train en Collected Lyrics 1970 -2015 in London Review of Books. De tekst gaat over heel veel thema's maar hoe verder je raakt hoe meer Penman een kritiek formuleert op een melancholische vorm van retromania waar Smith inderdaad door lijkt te zijn bevangen. Patti Smith als museumdirecteur van rock 'n roll, wie had het ooit gedacht. Penman heeft een paar goed getimede grappen maar tegen het einde formuleert hij mooi het bredere probleem, de spanning tussen een verheerlijking van het verleden en de moeite die het kost om nieuwe vormen te creëren:
Smith’s wish-upon-a-star bohemia is all in her head, or up on her bookshelves. It doesn’t, it couldn’t, exist out in the workaday world: the rents are too high, and social media is too quick to smother the first tender shoots of difference. The likes of Harry Smith, Robert Frank or Sun Ra (or indeed 1970s Smith herself) wouldn’t stand a chance of a slowly nurtured career in the New York of today. M Train is fixated with the mourning process one case at a time, but there is surely cause for a wider social mourning that Smith doesn’t begin to voice or articulate.

vrijdag 29 mei 2015

Peak Retromania



Ik denk dat hiermee peak Retromania eindelijk is bereikt. Een soort geslaagde vulgarisering van retro, compleet volgestopt met verwijzingen. Waarom hierna nog verder gaan? Er valt niets meer te herontdekken. De makers van Kung Fury bewijzen ons een dienst: door versnelde overdaad retromania riduciliseren.

Overigens heb ik een paar kaar echt moeten lachen om Kung Fury met zijn verzameling slechte one-liners en verbeelding van de hemel als een videogame.

maandag 24 maart 2014

Vintage websites

Ik werd net geattendeerd op 10 Vintage Museum Web Pages from 90s en twee gedachtelijnen ontvouwen zich. Als eerste, de pagina's roepen bij mij geen nostalgische gevoelens op. Ik vermoed al een tijd dat Internet-herinneringen anders functioneren dat normale herinneringen, bijna alsof het online leven onderbewust plaatsvindt. Wat natuurlijk niet het geval is, maar ik zou daar wel eens een serieuze studie naar willen lezen. Is er daadwerkelijk een andere manier van herinneren? Slaat de hoeveelheid online informatie die door je heen vloeit een hoge mate van bijvoorbeeld visuele herinneringen weg? Is dit gelieerd aan het vreemde atemporele gevoel waarbij je geen verschil tussen 2002 of 2007 onderscheidt? Ik was bijvoorbeeld die prettig vierkante knoppen van Netscape allang vergeten.


Tweede gedachte: zal er ooit retrobeweging ontstaan die zich concentreert op bepaalde periodes van het Internet? Ik vermoed haast van niet, al zou het zoiets als het eindpunt van retromania inluiden. Een soort ouroboros die zich sluit (zonder Internet waren veel aspecten van retromania ondenkbaar en onuitvoerbaar geweest).

Joris Gillet wees mij vervolgens op dit project.

It may seem strange to say this about the likes of "Cute Boy Site" or "Divorced Dads Page," but the remains of the GeoCities web hosting service are a vital part of our cultural legacy. In its dial-up heyday, GeoCities was where non-specialist internet users made their first-ever webpages. Today, it exists as a vast, if partial, repository of the anxieties, hopes, and dreams of those creators, and offers a snapshot of the early popular usage of a now-ubiquitous cultural form, the webpage.
Daar word ik toch al een beetje melancholisch van. De schrijver noemt nog een aantal interessante technische problemen waardoor het moeilijk wordt om de websites tegenwoordig nog op authentieke wijze te kunnen zien.

donderdag 29 augustus 2013

Gehypnotiseerd door de weerspiegeling van retromania

De voorpublicatie van Mark Fishers Ghosts of my life (mooie titel, Japan via Goldie n'est pas?) in The Quietus zorgde gisteren voor een rimpeling in de informatiestroom:

Where is the 21st-century equivalent of Kraftwerk? If Kraftwerk’s music came out of a casual intolerance of the already-established, then the present moment is marked by its extraordinary accommodation towards the past. More than that, the very distinction between past and present is breaking down. In 1981, the 1960s seemed much further away than they do today. Since then, cultural time has folded back on itself, and the impression of linear development has given way to a strange simultaneity. 

Het is elegant geschreven en ik sympathiseer met de strekking van de tekst en toch voelde ik meteen twee belangrijke bezwaren opkomen. Allereerst is het denken in equivalenten achterhaald. We leven in een andere tijd. Er gaat geen nieuwe Beatles of Kraftwerk opstaan. De hele dynamiek van subculturen zoals die tot zeg maar 2001 functioneerde is voorbij, voor altijd. Maar belangrijker, en ergens hoop ik dat het boek in die zin niet nog een laag aan Retromania toevoegt,vindt men ook aan de kritische zijde de cult van het verleden stiekem niet te prettig? Of wel, begint men in het kritische discours ook in cirkels om retromania heen te draaien? Het begint nu toch op te vallen dat heel strategisch in dat soort kringen platen van o.a. James Holden en The Knife worden genegeerd. Ik voel een vreemd korte termijn denken, wel gericht op uitbundige historische parallellen, maar gecombineerd met het vreemde idee dat de huidig situatie permanent is.

vrijdag 26 juli 2013

Et tu Screamadelica


Geen reden waarom dat niet wordt meegezogen in retromania. Screamadelica is 21 september ook alweer 22 jaar oud en Primal Scream heeft ook zo'n duffe "we spelen het album integraal" tour gedaan. Maar toch een onwerkelijk gevoel, niet alleen van de tijd die niet goed lijkt te werken, maar vooral dat het niet nodig is.

woensdag 24 juli 2013

The Dark Universe boek is uit



Het boek voor Sonic Acts XV The Dark Universe is uit. Het ziet er weer prachtig uit. Met bijdrage van ondergetekende. 'In Search of the Lost Future' is een soort introductie/samenvatting van De Toekomst Hervonden met een aantal bekende riffs maar ook nieuwe voorbeelden. Hier vind je meer informatie, voorbeeldpagina's en een link naar de webshop waar je het boek kunt bestellen.


maandag 24 juni 2013

De Rode Draad van 2013?

Uit het uitstekende interview met Boards of Canada in De:Bug:

Simon Reynolds strongly relies on you as the forefathers or originators of certain musical and theoretical concepts of the last ten years, like Hauntology or Hypnagogic Pop. You’re actually the starting point for one aspect of his Retromania concept – making music sound old, worn out, triggering memories etc. Those were things you did and talked about almost 20 years ago and have become the principles of many young producers. What are you thinking about that today?

Mike: That’s still absolutely a driving force in our work. It’s something we love doing, we can never run out of inspiration in this direction, because if you only pay attention to current music then you can’t help sounding pinned down to the fashion of today. But when you allow yourself to explore music from various eras in the past, you can find starting points that were never fully explored, like tangents that didn’t actually occur in the real history of music, and that’s really exciting to me. Especially in the face of so much current music that is becoming indistinguishable because all the producers are basically using the same tools.

zaterdag 8 juni 2013

Lezing Tent: complete tekst

Hier de tekst van de lezing die ik heb gegeven op 7 juni op Less Is More, More Or Less in TENT, Rotterdam. Met een aantal afbeeldingen die op de achtergrond werden gebruikt. Trouwe lezers/volgers zullen een aantal riffs herkennen.

Beauty In Decay




I

Jullie moeten me vergeven dat ik met een zeer Amsterdamse anekdote begin. Een tijd geleden stond ik met mijn oudste dochter te wachten op de tram bij de halte Spiegelgracht. Deze ligt recht voor de ingang van het Rijksmuseum. Opeens werd ik overmand door de vraag: hoeveel is er sinds mijn kindertijd (begin jaren zeventig) in dit straatbeeld veranderd? Er is ergens in de loop van de jaren zeventig een heel lelijk gebouw geplaatst tegenover het Rijksmuseum, de trams zijn van kleur veranderd, er zijn heel veel verkeersborden bijgekomen, aan het einde van de straat, naast Paradiso, is twintig jaar geleden een complex gebouwd…sommige gevels zijn schoongemaakt. En dat zijn ongeveer de belangrijkste verschillen. Een gevoel van tijdloosheid overmant je. Dat is zowel een veilig als onbehagelijk gevoel. Nu kun je zeggen: Amsterdam wil een openluchtmuseum zijn…maar dan is het alleen een meer extreme uiting van een cultuur die gevangen lijkt door het verleden.

Er worden nog steeds sondes richting de toekomst gestuurd maar ze lijken geen direct effect te sorteren aangezien het gewicht van het verleden steeds zwaarder drukt. Steeds meer artefacten, kunstwerken uit het verleden, die niets aan kracht hebben ingeboet, zijn beter in kaart gebracht, worden met zorg geconserveerd en compulsief overladen met betekenis. Wat zorgen baart, is wanneer een vorm uit het verleden steeds opnieuw wordt hergebruikt. Sommige creatieve gebieden zijn hier op het moment gevoeliger voor dan andere. Mode heeft zich uit een lange retrocyclus ontworsteld en laat met gebruik van de laatste technologieën en materialen meer nieuwe ideeën toe. De jurken van Iris van Herpen zijn het meest radicale voorbeeld, maar ook gevestigde merken als Balenciaga, Dior en Prada zijn op diverse manieren continu op zoek naar vernieuwing. Een alledaags merk als Nike heeft een perfecte balans gevonden waarin het zijn klassieke modellen respecteert maar ook lijnen lanceert die specifiek gericht zijn op innovatie.

 Literatuur en muziek zijn echter bijna tot stilstand gekomen terwijl er meer muziek wordt gemaakt, meer wordt geschreven dan ooit te voren. In zijn boek Retromania heeft de popcriticus Simon Reynolds uitputtend geanalyseerd hoe de hedendaagse situatie van met name popmuziek een uitkomst is van historische trends. Retrobewegingen en revivals zijn al lange tijd actief. Postmoderne nostalgie kende met het White Album van The Beatles al in 1968 het startsein. Het probleem is dat het verleden de afgelopen jaren alles dreigt te overwoekeren.

 Een belangrijke oorzaak van deze situatie is dat een deel van de creatieve industrie wat betreft internet een adaptatiefase heeft doorgemaakt. Het is onder druk komen te staan, op economisch niveau angstig geworden en richt zich op wat zekerheid biedt. Dat wat al succes heeft gekend. Het belangrijkste product is de eindeloze heruitgave. Eerst als remaster, vervolgens als boxset met alle studiotakes en alternatieve versies, dan als ultieme jubileumcollectie. Daaraan gelieerd is het fenomeen van artiesten die concerten geven waar ze hun beroemdste album integraal spelen. Ook voormalige leiders van de underground als Sonic Youth en Pixies hebben dit model klakkeloos gevolgd. Op deze manier ontstaat een museumficatie van de complete cultuur inclusief genres, als popmuziek, die traditioneel volgens een andere, namelijk vernieuwende dynamiek functioneerde.






Waarom is dit problematisch? Museumficeren van popmuziek uit de jaren ’60, punk, rave… maar ook de radicalere kunstbewegingen als Dada, Surrealisme en het Futurisme is uiteindelijk een verraad plegen aan de kern hiervan. Het verlangen naar een opening, een nieuwe manier van zien of luisteren. Daarnaast is een obsessie met het verleden een karakteristiek onderdeel van de conservatieve politiek. Churchill, Thatcher maar ook Fortuyn, Balkenende en Wilders spraken en spreken graag over een terugkeer naar een verloren staat waarin de maatschappij op alle niveaus overzichtelijk was en schijnbaar perfect werkte. Vernieuwende cultuur zal altijd dit mythische evenwicht doorbreken. Retro neigt naar politiek conservatisme maar inmiddels is het hele politieke spectrum ermee geïnfecteerd: is men ook nostalgisch naar breed maatschappelijk engagement, solidariteit en wenst men bij de recente kroning óók rellen, zoals in 1980. Een overkoepelende retrocultuur is uiteindelijk problematisch omdat we ons op het moment niet op een maatschappelijk optimum bevinden om op stil te staan en zelfgenoegzaam terug te kijken…en vooral niet politiek en cultureel.

 Een mogelijke oorzaak van retromania is zogenaamde future shock zoals de futurist Alvin Toffler het in 1970 in zijn gelijknamige boek beschreef. Zijn argument is dat door een groot aantal technologische veranderingen in te korte tijd, we gedesoriënteerd raken en teruggrijpen naar de zekerheden van het verleden. Een reflex. En die reflex kan onder andere worden overwonnen door juist creatief mee te bewegen met verandering. Dit kan echter mogelijke valkuilen herbergen. Wat is immers makkelijker dan te zeggen “oh, dan gebruiken we de laatste technologieën voor het maken van kunst.” Dit is inderdaad wat in mode nieuwe paden creëert maar in muziek is de computer steeds meer een gevangenis die eindeloze mogelijkheden schenkt maar juist uniforme resultaten produceert.

Het gaat ook om een mentaliteit. Ik gebruik zelf graag de microblogsite Tumblr als een soort moodboard waarmee je op eenvoudige wijze een netwerk kunt bouwen van mensen met eenzelfde interesse en smaak. De afbeeldingen die hier worden geprojecteerd zijn bijvoorbeeld bijna allemaal de afgelopen jaren via Tumblr verzameld. Wat mij opvalt wanneer ik verdwaal door Tumblr is dat veel tieners geobsedeerd zijn door de esthetiek van de jaren ’60, 70 en 80. Als esthetische leerschool is dit geweldig, ze beschikken over een basiskennis van beelden waar ik op dezelfde leeftijd alleen maar van kon dromen. Maar waar leidt deze kennis toe? Blijft men in een nostalgische dagdroom hangen van een tijd die nooit is geleefd en niet zal terugkeren? Of daagt deze kennis uit tot de formatie van nieuwe vormen? En krijgen jongeren daar wel de kans toe? Er zijn bijvoorbeeld jonge muzikanten die gepikeerd reageren wanneer ze worden aangesproken op het feit dat ze teveel in het verleden duiken. Dat graven in het verleden zijn gradaties in aan te brengen maar het gevaar bestaat dat men elkaar teveel op de vingers kijkt. A watched pot never boils zegt het Engelse spreekwoord, helemaal als miljoenen continu de pan in de gaten houden. Een zekere afstand bewaren in plaats van continu hypen en helpen zou een gezonde situatie vormen. De huidige sociaal-technologische constellatie maakt dit echter vrijwel onmogelijk.


II

Uiteindelijk zal de museumficatie tevergeefs zijn. Neem een iconisch schilderij als De Nachtwacht in gedachte. En laten we nu een sprong in de toekomst nemen. Over ongeveer vier miljard jaar zal het Andromeda sterrenstelsel botsen met ons melkwegstelsel. De zwarte gaten die het centrum vormen van beide stelsels zullen om elkaar heen draaien en uiteindelijk samen een zwart gat vormen dat het centrum zal zijn van een nieuw sterrenstelsel. Wat dit precies zal betekenen voor de Aarde is onduidelijk maar dat maakt uiteindelijk niets uit. Over ongeveer 1.4 miljard jaar is het leven op aarde onmogelijk geworden omdat de zon steeds feller zal schijnen voordat deze weer veel later uitdooft. Over het lot van de mensheid zelf is veel minder zekerheid te geven. Wellicht zullen we evolueren en nog tienduizenden jaren verder leven. Gezien de manier waarop we met de planeet omgaan, zal de mensheid eerder uitsterven. En sommigen hangen het idee aan dat de mens al deze eeuw in een synthese met technologie opgaat en als homo sapiens zal verdwijnen. Ondertussen is het steeds onwaarschijnlijker dat een enkele mens ooit ons zonnestelsel zal verlaten.



Wat betekent dit voor De Nachtwacht? Het lijkt een mooie inspiratiebron voor romantische sciencefictionverhalen. Bijvoorbeeld een interplanetaire exodus van de beroemdste kunstwerken richting een maan van Jupiter, totdat de omstandigheden er zo ongunstig zijn dat verder moet worden getrokken. Om uiteindelijk te eindigen op een buitenaardse kunstmarkt. Welke kunstwerken zouden worden uitgekozen om mee te gaan op deze tocht? Wie beslist dit?... Waarschijnlijker is dat De Nachtwacht altijd op Aarde blijft en dus zal vergaan. In een aantal scenario’s zal het in een leeg museum hangen omdat er geen mens meer bestaat om het te bekijken. Misschien zal het Rijksmuseum onderlopen en het schilderij zijn verhuist naar een hoger gelegen museum als het Louvre. Tot die tijd zal De Nachtwacht keer op keer worden gerestaureerd totdat er geen enkele molecuul meer overblijft die door Rembrandt zelf is aangebracht. Het is een simulacrum geworden.

Een angst dat kunst verloren zal gaan, gekoppeld aan een excessief conservatieproces, vergt op lange termijn enorm veel energie. Terwijl een vitale cultuur verjonging nodig heeft. De realiteit is dat we niet beide kunnen bolwerken. In ieder geval is een ander balans nodig tussen bewaren en verkennen. Hoe is dit te bewerkstelligen? Een mogelijkheid is het stimuleren van een soort hernieuwde vorm van romantiek, een technoromantiek die schoonheid in verval ziet en accepteert. Waarom fascineert Blade Runner ons na al die jaren nog? Omdat de film een beeld schetst van een stad die zowel creatief is als onderhevig aan aftakeling. Dit Los Angeles is niet altijd een pretje om in te wonen maar het is spannend, in beweging, ondanks het belang van herinneringen heeft het verleden geen grip op de stad en bewoners.

Verval is psychisch “gezond” in vergelijking met een maatschappij die risico’s probeert uit te bannen. Verval is op een dieper niveau een onontkoombare realiteit, we vechten onbewust tegen de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat elk systeem neigt naar wanorde. Onze lichamen vechten hier tegen, het complete evolutieproces doet dit totaal doelloos. Maar uiteindelijk zal ook het universum naar alle waarschijnlijkheid een zogenaamde staat van warmtedood bereiken, waar alle materie als het ware uit elkaar is gevallen. Dat is geen tragedie want de kosmos bevindt zich in een continue staat van vernietiging en wedergeboorte. Stervende sterren verspreiden in hun laatste ontploffing het materiaal voor de geboorte van nieuwe sterren. Het accepteren van de relatie tussen verval en creatie heeft een aantal dimensies die wellicht ook helpen om het gevoel van retromania te doorbreken.

Wanneer we aan steden denken waar ooit sterke creatieve scenes opbloeide denken we aan de jaren zeventig waar Londen, Amsterdam, West-Berlijn en vooral New York in verschillende gradaties in verval raakten. De middenklasse verhuisde naar buitenwijken terwijl de financiële centra en musea gewoon bleven functioneren. New York was rond 1975 zowel een middeleeuwse stad met wolkenkrabbers als het financiële centrum van de wereld. In dat spanningsveld van macht, geld, verval en kunst ontwikkelden zich allerlei nieuwe vormen. Het meest radicale voorbeeld blijft echter Detroit. Detroit is vaak een spookstad genoemd, een voorbeeld van hoe de toekomst van elke grote stad er uit zal zien. Maar het was tot de jaren zestig een bloeiende industriestad. Na de rassenrellen van 1968 en de groeiende concurrentie van de Japanse auto-industrie liep Detroit leeg en is daar ondanks talloze lokale initiatieven nooit van hersteld. Het is ook de stad waar techno, waarschijnlijk de laatste muzikale avant-garde, is ontstaan. Een sterke kunst die als noodzaak zich ontworstelt uit de puinhopen en voedt op vergeten dromen.

         Het probleem is natuurlijk dat je een dergelijke creatieve stad in verval niet kan plannen als een soort laboratorium. Detroit is door Amerikaanse overheden aan zijn lot overgelaten vanuit racistische motieven en economische desinteresse. Het is niet iets dat men in de Westerse wereld buiten de Verenigde Staten snel op eenzelfde schaal zal nadoen. Margret Thatcher heeft ooit overwogen Liverpool aan zijn lot over te laten maar dat was blijkbaar toch een brug te ver. Ironisch genoeg zijn het niet stadscentra die verder in verval zijn geraakt, want deze zijn de laatste 25 jaar vrijwel allemaal opgeknapt en herboren als culturele centra die bedrijven en hoge inkomens aantrekken. Het zijn de lokale buitenwijken waar de middenklasse in de jaren zeventig naar vluchtte die vaak in verval zijn geraakt. Dit kan uiteenlopen van de beruchte Parijse banlieue tot het meer bescheiden Bijlmermeer, voorbeelden van complexen waar de originele planning teniet wordt gedaan en een eigen plan wordt getrokken. Wat zij echter missen is de nabijheid van financiële centra, galerieën en musea om een zekere esthetische dynamiek te genereren. Verval is hier afgeschermd in een vaak gewelddadig reservaat met een eigen creativiteit onzichtbaar voor het zoeklicht van media. Totdat een representant van de gevestigde cultuur zich erin interesseert en elementen gebruikt. Waarna de authenticiteit die we verlangen als in een tragedie verdwijnt. Het schoolvoorbeeld is Diplo. Een DJ/producer die graag inspiratie opdoet in de sloppenwijken van Rio de Janeiro en vervolgens zijn muziek volstopt met favela funk. Ongetwijfeld met de beste intenties maar in de vertaling gaat iets, noem het aura, verloren.


III

We zijn gewend geraakt aan het idee dat Nederland af is en dat alles, ook creativiteit gepland is en precies zijn plaats in de maatschappij en de stad krijgt toebedeeld. De vraag is hoe lang dit nog realistisch is vol te houden. Nederland heeft moedwillig de boot gemist op het gebied van duurzame energie en gaat daar de komende decennia de prijs voor betalen. De huizenmarkt en vooral speculatie met kantoorgebouwen zal waarschijnlijk ook niet terugkeren naar de niveaus van voor 2008. Het is niet ondenkbaar dat Nederland tijdelijk weer in een emigratieland zal veranderen. Verval zal lokaal, zonder planning, verschijnen en ik vermoed dat in de spanning die hier ontstaat creatieve openingen mogelijk zullen zijn.



Kan het verleden op een andere, minder naargeestige, wijze worden vermeden? Er is een mogelijkheid dat retroculturen op Hegeliaanse wijze een soort onontkoombare antithese vormen van modernistische bewegingen als punk en techno.  Waarna een volgende synthese onvermijdelijk zal plaatsvinden. De eerste signalen hiervoor worden steeds duidelijker zichtbaar. Het is tegenwoordig wanneer we het over de toekomst van creativiteit hebben haast een verplichting om het over de Maker cultuur te hebben. Het netwerk van digitaal ambacht dat door de meer enthousiaste vertegenwoordigers als een nieuwe industriële revolutie wordt gezien. Het icoon van de Makers is de 3D-printer, waar ik zelf nog sceptisch over ben omdat het, naast hele handig oplossingen voor het maken van specifieke onderdelen, vooralsnog vooral meer plastic troep belooft. Maar de belofte van de Maker cultuur gaat meer om het bieden van een alternatieve creativiteit en een dialoog over de mogelijkheden van een aantal nieuwe technologieën als lasersnijders en robots die steeds betaalbaarder worden. Daarnaast biedt de Maker cultuur nieuwe modellen en manieren om samen te werken. Minder bedrijfsmatig en op 20ste eeuwse managementfilosofie gebaseerd met zijn eeuwige mantra van efficiëntie. Meer op de praktijk van de werkplaats. Meer ook gericht op het vrij uitwisselen van informatie. Dit gebeurt met behulp van een eigen infrastructuur van tijdschriften, festivals, galerieën en creatieve laboratoria.

Hoogstwaarschijnlijk zal de 3D-printer een primitieve tussenvorm zijn, een stap richting nu nog moeilijk voor te stellen machines en artefacten. En dan zullen we in 2040 ongetwijfeld nostalgisch terugblikken op de jaren ’10, het hoofd brekend over de moeite die het kost om vintage Facebook pagina’s van digitale rot te behoeden.