It was impossible to tell the story because the technology was so weird.Sinds Pattern Recognition niet zo enthousiast geweest over een nieuwe Gibson als The Peripheral. Motherboard heeft een leuk interview met veel aandacht voor geschiedenis. Ergens toch wel jammer dat hij dat hoofdstuk waar hij in het citaat naar verwijst niet heeft doorgezet.
I think if someone had somehow had a dream in which they had seen our smartphone technology as it is today in the 1950s, and they’d written a science fiction story, I doubt they would have been able to publish it. It would be so hard to tell a story while you’re simultaneously describing this thing that these people do with these weird little pocket television sets they all have.
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
Posts tonen met het label geschiedenis. Alle posts tonen
zaterdag 18 oktober 2014
Nieuwe William Gibson in aantocht
dinsdag 4 maart 2014
Amsterdam 1991 mix
In zekere zin is dit een retorische mix omdat er een aantal zaken mee kunnen worden aangekaart. De toekomst verkennen is een ding, maar in hoeverre is dat mogelijk als de historische basis vervalst is. Amsterdam 1991 gaat om een verschuiving in house. En dat was gewoon house, de deling house – techno werd een aantal jaren later opeens gepropageerd, maar bestond toen nog niet. Techno was hoogstens een manier om een lokale variant van house uit Detroit mee aan te duiden. De verschuiving was geenszins typisch Amsterdams, maar de verharding van het geluid die vaak Rotterdams wordt genoemd, was ook in Amsterdam ingezet (of in Utrecht waar Underground Resistance destijds een legendarisch optreden gaf). Bovendien was het een verschuiving die internationaal op verschillende plaatsen werd ingezet. Quazar’s Seven Stars album uit datzelfde jaar begint met een DJ die Amsterdam tot “house capital of the world” uitroept, wat charmant is, maar als een stad aanspraak kon maken op die titel in 1991 was het Gent, thuisbasis van het R&S label (met o.a. Beltram, CJ Bolland, Human Resource).
Terug naar Amsterdam. In kraakpanden, Mazzo, Paradiso en vooral Subtopia (geleid door Jeroen Flamman en Jeff Porter/Abraxas) kon je wekelijks muziek horen veranderen. In de zomer van 1991 werd je als danser getuige van de mutatie van het Mentasm-geluid dat door Joey Beltram was geïntroduceerd, een metalig, zuigend geluid dat door talloze producers werd vervormd tot bizarre spiralen van plezier. En nu dat woord is gevallen, house was een onovertroffen plezier: feesten ademden een sfeer uit die mij altijd deed denken aan een speeltuin, een mengsel van fysieke spanning en ongegeneerde lol. Zonder zelfbewustzijn over verleden of toekomst, in het moment.
Dat moment is lang geleden verdwenen. De terugkeer van alcohol, de verkeerde commercie, gewenning en de versplintering in genres, doorbraken die collectieve toewijding aan het moment. De smartphone heeft, veel later, definitief een weg terug afgesloten. Er is altijd een realistische zijde van mij geweest die dat heeft geaccepteerd, popmuziek is op zijn sterkst in explosies van nieuwe vormen en dat eens in je leven meemaken is waarlijk leven. ‘The Realm’ van C’hantal wist het eloquent te verwoorden: an act of sensation with no limits or boundaries. En soms heb je gewoonweg geluk, heb je precies de juiste leeftijd in een vreemde periode. John Higgs in dat KLF boek verwoordt het zeer helder:
We can date the end of that era, what Hobsbawm called the ‘Age of Extremes’, to the end of the Cold War in 1991, and we can date the start of the information era to the first popular web browser in 1994. What, then, should we make of those years in between? They are boundary years, comparable to what anthropologists call a liminal state. They were a period when the old rules were gone, but before the new order was formed. They were a period, in other words, when normal certainties did not apply, when anything was possible and the strange was commonplace.Let the bass kick.
donderdag 28 november 2013
Welke verleden?
In 2013, the Beatles exist almost solely to be commemorated.
Stephen Deuser in Salon, het is niet mooier samen te vatten. Of 'I Want To Hold Your Hand' daadwerkelijk andere liedjes uit dat jaar overschaduwd, waag ik te betwijfelen. Ik moest er juist vandaag aan denken hoe nostalgie/retromania ook een bepaalde geschiedenis kiest. Neem als voorbeeld de manier waarop radio het verleden kadert en sommige "gouwe ouwe" compleet negeert. Hits als 'Groove is in the Heart', 'Right in the Night' of 'Last Train to Transcentral' zijn inmiddels meer dan twintig jaar oud maar niet uitgenodigd op het nostalgiefeest. Ik vraag me af waarom? Probeert men de sporen uit te wissen van muziek die men toen al tandenknarsend moest draaien? Of klinken dat soort nummers eigenlijk nog steeds modern en moet men concluderen dat we niet zoveel zijn opgeschoten? En bepaalde artiesten als Adele en Amy Whitehouse hebben slim op dit sentiment ingespeeld, met een instant-retro die naadloos kan worden ingepast in het officiële verleden. Herinneringen van anderen zijn het niet waard om te herleven.
donderdag 21 november 2013
Bob Stanley - Yeah Yeah Yeah: een afgesloten hoofdstuk?
Bob Stanley
– Yeah Yeah Yeah: The Story of Pop
Faber & Faber, 776 pagina’s
Is popmuziek uitgeput? Is daarbij niet alles inmiddels gezegd,
gewogen en gecombineerd? Kortom, hebben we nog behoefte aan een Grote
Geschiedenis der Popmuziek? Want is pop niet juist grotendeels ten onder gegaan
aan het gewicht van geschiedenis, een overdaad aan kennis? Allemaal waar en
toch is Bob Stanley een van de weinige personen die mij van te voren nog kon
enthousiasmeren voor een onderneming al deze. Hij had het namelijk altijd al in
zich. Denk terug aan de binnenhoes van Foxbase
Alpha (1991), het debuutalbum van Saint Etienne, met de collage (plakplaatjes?)
van popsterren van weleer: Ray Davies, Françoise Hardy, Barry Gibb, Jimi
Hendrix, Dennis Wilson, etc. Op de andere kant een groter portret van Mickey
Dolenz van The Monkees. Later volgden eclectische mix-cd’s als The Trip (2004) en compilaties van
obscure Britse psychedelische folk. Bob Stanley is zondermeer een connaisseur
van popmuziek.
En schrijver. Voordat hij met
Saint Etienne een carrière als popmuzikant begon, schreef Stanley voor NME en Melody Maker. Er zijn in de loop der jaren veel overzichten,
geschiedenissen en encyclopedieën over popmuziek geschreven, maar met
uitzondering van Nick Cohn & Guy Peelaert in Rock Dreams (1974) weten die boeken zelden de energie en betovering
van pop te vangen. Yeah Yeah Yeah is
eigenlijk een geschiedenis van de korte periodes in popmuziek dat een nieuwe
vorm verschijnt, een archeologie van enthousiasme, de flits, de kick. Het
resultaat is een hyperkinetische tekst. Stanley is niet geïnteresseerd in de
manier waarop carrières worden volgehouden, comebacks en reünietours zijn
vrijwel compleet afwezig. Nee, hij is een popfan, hij houdt van hitlijsten,
popprogamma’s als Top of the Pops, radio
waar het nieuwe opeens klinkt, de eenmalige single kan net zoveel plezier
herbergen als een klassiek album. Yeah
Yeah Yeah is in die zin een afgesloten geschiedenis van een cultuur die
niet meer bestaat. Pop in het analoge systeem kende een manier
van verspreiding waarin essentiële punten voor reflexie en barrières waren verwerkt en dit
stelsel is sinds de opkomst van Napster radicaal veranderd. In 'Excess All Areas' omschrijft Reynolds de kracht van het analoge systeem perfect:
The passing of the Analogue System makes it possible to see the benefits of the Mono-Mainstream (TV networks, major labels, government-run public broadcasting). This apparatus created mass experiences, mobilizations of energy and desire. But it also brought into being undergrounds, subcultures that grew in the darkness, outside mediation. In time, these would break through into the mainstream, via certain libidinally charged thresholds (in UK terms, the weekly music press, Top Of The Pops, Radio One). They would change pop and be changed by it. It was hard to break through, but if those barricades could be surmounted, things would then get propelled into mainstream consciousness and couldn’t be ignored. This antagonistic symbiosis of underground and overground resulted in a dialectical process of renewal and recuperation that kept music moving.
Eigenlijk is het verbazingwekkend
dat die periode van ongeveer vijftig jaar twee generaties beslaat. Mijn moeder
irriteerde haar ouders met platen van Elvis en Bill Haley en ik geef nog net
Daft Punk door aan mijn dochters. Yeah
Yeah Yeah maakt duidelijk dat het een unieke periode is geweest waarin
muziek op talloze manieren is veranderd. Pop was een populistische avant-garde,
de ultieme modernistische kunstvorm.
Stanley maakt in principe geen onderscheid tussen rock en pop, meteen een van
de verfrissende aspecten van het boek: de overwaardering van rock in dit soort
geschiedenissen krijgt een noodzakelijke correctie. The Monkees, ABBA en Bee
Gees krijgen hun eigen hoofdstuk terwijl een voorheen vaste hoofdrolspeler als
Zappa in een voetnoot wordt afgehandeld en Radiohead, de Grote Blanke Hoop, in
een enkele zin samengevat.
Want ja, Yeah Yeah Yeah is een subjectief boek en het is Brits. Geen wonder
want Groot-Brittannië is in de popcultuur altijd een essentieel scharnier
tussen de Verenigde Staten en de rest van de wereld geweest. Een Amerikaanse
versie zou waarschijnlijk hopeloos rockistisch zijn en nooit de verbazing over
de vreemdheid van Amerikaanse vormen kunnen vangen. Een van de grote voordelen
is dat je tijdens het lezen vaak moet lachen dankzij magistrale oneliners als “Bruce
Springsteen lyrics had a weight problem”, “Prince was always more playful, at once
generous and controlling, a benevolent dictator – the Tito of pop” of “When
he’s gone, Paul McCartney will be everyone’s favourie Beatle.”Hier voel je de
blijvende invloed van Oscar Wilde op de Engelse taal. Daarnaast is Stanley
gevoelig voor een bepaald soort Britsheid, compleet niet-nationalistisch, maar
meer een soort ambient Engeland. Wanneer dit in muziek verschijnt spits hij
zijn oren en meestal resulteert het ook in intrigerende popmuziek. Als contrast
dient vooral de zon van Californië (bijna is Yeah Yeah Yeah samen te vatten als de geschiedenis van twee weersklimaten).
Een boek als dit schrijven is
lastiger dan het lijkt. In het tijdperk van retromania zijn we immers doodgegooid
met alle verhalen over de popiconen van weleer, kunnen we dankzij talloze rockumentaires,
overdadige biografieën en heruitgaven alles wel tot in de alternatieve studio-takes dromen. Stanley heeft echter
een prachtige oplossing: met opvallend scherp inzicht weet hij net twee, drie
anekdotes te gebruiken die bijvoorbeeld toch een vreemd en plezierig licht op
The Beatles doen schijnen, je weer laten realiseren waarom een bepaalde artiest
zo fris en vernieuwend klonk of waarom Sex Pistols zoveel krachtiger was dan
The Clash. Het bijeffect is dat, ook al denk je de hele popgeschiedenis wel te
hebben gehoord, je niet alleen wordt geconfronteerd met veel obscure of
vergeten hits maar ook weer met hernieuwd plezier kan luisteren naar artiesten
waar je allang op was uitgekeken.
In dit
narratief wordt de popgeschiedenis een hectisch zoeken naar nieuwe vormen die de
wereld kortstondig in vuur en vlam zetten, waarna onvermijdelijk een crisis
volgt. Na de dood van Buddy Holly lijkt het echt of rock ’n roll dood is.
Vervolgens is er het cruciale Monterey festival (1967) waar volgens Stanley het
schisma tussen rock en pop plaatsvindt. Pop en rock zullen om de zoveel tijd
een tijdelijke synthese aangaan zoals in glamrock. Met punk lijkt het zelfs even
of het hele spel met nieuwe regels opnieuw wordt gestart. Stanley is vrijwel
wars van nostalgie en realistisch over de uitputting van stijlen, maar op drie
momenten merk je ware teleurstelling. Als eerste dat Smile van The Beach Boys niet in 1966 werd uitgebracht: “…it would
have taken pop down a complete untrodden track.” Vervolgens hoe met new wave de
oude orde zich herstelt en het radicale moment van punk wordt geneutraliseerd.
En als laatste, hoe rave, als een punk in het kwadraat, fragmenteert en zijn
kracht kwijtraakt. Dat laatste geeft meteen aan waar Yeah Yeah Yeah verschilt van vrijwel elke andere popgeschiedenis:
het stopt niet in 1987. Daarvoor is Stanley al eloquent geweest over soul, reggae
en disco, maar veel van de mooiste passages gaan over de periode nadat ‘Jack
Your Body’ in januari 1987 compleet uit het niets de top van de hitlijsten
bereikt, niemand even weet wat er aan de hand is en KLF zich ontpopt als de ultieme popgroep. Het is interessant
dat uiteindelijk Britpop het daarna in Yeah
Yeah Yeah het zwaarst te verduren krijgt. Maar Stanley laat helder zien hoe
beperkt de invloeden waren, hoe achterhaald het beeld van Engeland dat het
propageerde en vooral hoe het zich met behulp van de Engelse muziekkranten voor
een politiek karretje heeft laten spannen.
Het boek werkt bijna als een non-fictie
thriller waarbij je steeds sneller gaat lezen om achter de ontknoping te komen.
Die je eigenlijk al kent. De geschiedenis van pop begon in 1952 met de
introductie van vinyl, de hitlijsten en muziekpers, alle drie na 2000 bezig aan
een proces van degradatie. Waar je aan kunt toevoegen dat de presentatie van
muziek volkomen voorspelbaar is geworden. Het rockconcert zoals uitgevonden
door The Doors en geperfectioneerd door Led Zeppelin is een model dat als een
goed geoliede machine precies op tijd functioneert en waaraan niets wezenlijks
veranderd zal worden. Hetzelfde geldt voor het soundsystem en de discotheek die in house zijn omgevormd tot een efficiënte
consumptiemachine. Als resultaat is de emotionele connectie met popmuziek
afgenomen. Stanley kiest voor een pragmatische oplossing:
Still, the modern pop era was as long as the jazz era; there’s enough in those five decades to spend a lifetime digging through, and even then you’ll never heard all of it. Things changed fast – almost weekly in particularly fertile periods. There was no time for boredom.
Of dit een definitieve situatie vormt is vooralsnog
onduidelijk (en zal elders worden geanalyseerd), Yeah Yeah Yeah is in ieder geval een prachtig overzicht van een
paradigma dat lijkt te zijn afgesloten. Een gids die je doet verdwalen.
zondag 21 juli 2013
Het gewicht van het verleden (voetbal versie)
Nog wat figuren waarbij de dwingende blik van het verleden steeds over de schouder meekijkt. Wel mooi gedaan met die verdwaasde blik alsof ze uit de teletijdmachine van professor Barabas zijn gestapt.
Labels:
geschiedenis,
Real Madrid,
shirt,
voetbal
Locatie:
Madrid, Spanje
Abonneren op:
Posts (Atom)