Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Amsterdam. Alle posts tonen

zondag 7 augustus 2022

De laatste overblijfselen van De Nederlandse Belofte

'It is because you feel that everything you might need is available here? A big store, a supermarket, is a complete world in itself?’
‘I guess so,’ he admitted.
‘So there is nothing to fear,’ the woman said. ‘No need to feel anxiety. You can relax. Find peace, here.’

Philip K. Dick – Time Out of Joint


Een maand terug in Diemen, een minder Proustiaanse ervaring dan ik van te voren had verwacht. Het verschil in perceptie is te groot, als kind leef je in een soort dagdroom, een kleine wereld. Op een warme zomeravond toch maar mijn oude kleuterschool en basisschool bezochtverbouwd maar de structuur hetzelfde geblevenom vervolgens terug naar “huis” te lopen. Al snel passeer ik drie dennenbomen die ik als oude vrienden herken en helemaal niet lijken te zijn veranderd. De rest van de bomen zijn enorm gegroeid. Wat indrukwekkende resultaten oplevert (frappant dat hier geen mysterieuze boomziektes heersen die de populatie aan de andere kant van de A10 continu teisteren.) Speelvelden tussen de flats bevinden zich nu in diepe schaduwen. Het pad tussen mijn oude huis en het treinspoor waar opgewonden Feyenoordfans naar De Meer werden geleid, als er niet eerst een veldslag met Ajacieden of M.E. plaatsvond, wordt nu afgeschermd door hoge bomen die een bospad vormen. Diemen is groen. Het beloofde groen op de maquettes van modernistische wijken van de jaren ‘50 en ‘60 waargemaakt.

 


Tijdens de laatste landelijke verkiezingen kwam D66-lijsttrekker Sigrid Kaag opeens aanzetten met de term De Nederlandse Belofte. Nederlandse politieke partijen hebben al jaren last van campagneleiders die stage hebben gelopen in de Verenigde Staten en daar slechte ideeën opdoen. Dit leek ook weer een fraai staaltje kopieergedrag, veel te pompeus voor de polder. En toch moest ik hier opeens aan de term denken. Zoiets als een Nederlandse Belofte lijkt hier stand te houden. Ik vul dit in als een naoorlogs idee dat een groeiende welvaart voor een opwaartse beweging zorgt waardoor de arbeidersklasse aansluiting vindt bij de middenklasse en iedereen zo een materiële basis heeft voor een redelijk bestaan. Waar iedereen kan rekenen op een sociaal vangnet, betaalbare zorg en een woning. Ruimte lijkt het basiselement van dit overzichtelijke universum, het stratenplan is breed opgezet waardoor bomen in vijftig jaar glorieus kunnen uitdijen. Je loopt in ongeveer een kwartier van de ene kant van het centrum naar het ander maar het lijkt veel groter. Diemen-Zuid dat eind jaren zeventig werd ontwikkeld is al legacy nieuwbouw terwijl de enigszins verborgen tak van Diemen-Noord alleen nog tot in de Diemerpolder kan uitbreiden. Het centrale winkelcentrum biedt alle basisbehoeften van de consumptiemaatschappij terwijl de populaire woensdagmarkt een kleinschalig alternatief biedt. De schaduwkant van de Nederlandse Belofte, de auto, wordt op ingenieuze wijze getolereerd maar beperkt met blauwe zones (alleen ‘s nachts wordt er opeens met piepende banden door de straten gescheurd.) Het is allemaal logisch opgezet en, op een paar details als de spoorwegtunnel, af. Diemen heeft de naam saai te zijn, maar het is vriendelijk en rustig, achteloos multicultureel en op haast mediterrane wijze zichtbaar vergrijzend. Onfuturistisch ook, alleen de gerobotiseerde supermarkt Ochama en het Equinix Data Center dat boven de rij flats en bomen torent als een Cronenberg-gebouw vormen directe aanwijzingen dat de 21ste eeuw bestaat.

 


Diemen kan zo zijn omdat het nog steeds een eigen gemeente is. Het heeft, met het steeds verder uitdijende Amsterdam om zich heen, dan ook iets weg van het dorp van Asterix. Een enclave die stug weerstand biedt en de dingen grotendeels zelf wil regelen. Wat ooit een ouderwets idee leek is in de diepe 21ste eeuw een meesterzet gebleken wanneer in de gemeente Amsterdam Alles Ständische und Stehende verdampft. Naar Frederic Jameson, die in zijn worsteling met de term laatkapitalisme een alternatief poneert, is Amsterdam verworden tot een postmoderne stad die in hoog tempo het multinationalkapitalisme van Über, Airbnb, Blackstone, LiveStyle, EasyJet, RyanAir, Schiphol en Heineken compleet heeft omarmd. In Diemen zie je af en toe een verdwaalde toerist, voor zo ver ik weet is er geen hotel en de horeca beperkt zich tot een klein aantal cafés en restaurants. Parken zijn bedoeld om in te recreëren en tot rust te komen. Omdat je op de fiets binnen vijf minuten in Amsterdam bent, ontstaat een vreemd gevoel alsof je in een stedelijke oase terecht bent gekomen. Niet dat de Oostelijke Eilanden, waar ik hiervoor woonde, hectisch waren. In zekere zin was dat ook een dorp binnen de stad, maar je voelde constant de druk van de genadeloze gentrificatie, de mogelijkheid dat ambtelijke plannen ook hier op elk moment je leefplezier teniet kunnen doen.

Wellicht dat Diemen de grote buurman nederig een werkzaam model kan aanreiken. Lange tijd is het samenvoegen van Nederlandse gemeenten als een wetmatigheid gepresenteerd. Nu Amsterdam met de Westelijke uitbreiding van de Haven-Stad eigenlijk te groot gaat worden voor een centraal bestuur is de tijd aangebroken voor de geatomiseerde stad. Zelfs de stadsdeelcommissies zijn nog te groot en log om een diepgaande verandering te bewerkstelligen die duidelijk nodig is. Geïnspireerd door de nijūsanku van Tokio zouden buurten met de omvang van Diemen of kleiner (bijvoorbeeld de Staatsliedenbuurt, Rivierenbuurt, Betondorp, Jordaan) als eigen eenheden, met een autonoom bestuur en burgemeesterachtige functionaris, moeten opereren. Gericht op leefbaarheid, wonen en socius. Met voor Groot-Amsterdam een gemeentebestuur/burgemeester voor overkoepelende zaken als openbaar vervoer, infrastructuur en wat symbolische taken. Kortere communicatielijnen, overzicht en meer participatie lijken mij de enige manieren om de stad op productieve wijze te redden van haar lot als opgefokt pretpark. In dit scenario kan Amsterdam weer eens anticiperen in plaats van achter de feiten aan te lopen, een echt 21ste eeuwse stad worden. Creatief, groen en vriendelijk. Multinationalkapitalisme zal nog deze eeuw overgaan in terminaal kapitalisme, een zwart gat waar men ver uit de buurt moet blijven of het zal je genadeloos meetrekken in zijn vernietiging.

vrijdag 5 november 2021

De definitieve museumificatie van house

 

De museumificatie van house, ze hadden het niet zo letterlijk hoeven nemen. Maar ergens een logische uitkomst van een proces dat ik voor het eerst ontwaarde in 2004 toen ik Jeff Mills en Laurent Garnier in Paradiso samen een set hoorde draaien van louter klassiekers.

(Rembrandt District is natuurlijk een abominatie, een marketingfantasie.)

zaterdag 25 juli 2020

Tijd voor een Open Universiteit

Ik ben nooit in De School geweest. Mijn jonge collega’s gaan er graag naar toe en ik vind dat ze hun plek moeten hebben zonder een “vroeger was het allemaal beter” zeur in de buurt. Allemaal onpretentieuze figuren overigens die gewoon van feesten en goede dansmuziek houden, als Amsterdammers altijd wat te klagen hebben maar over het algemeen wel tevreden lijken te zijn over de club. Ik heb dus geen enkele emotionele investering in De School, los van een algemene interesse in de staat van muziek en het Amsterdamse clubleven. Maar sinds kort rommelt het rond De School. Ik hoef het niet samen te vatten, dit artikel van 3Voor12 legt het piekfijn uit.

Persoonlijk denk ik dat de leiding dit het beste had kunnen negeren en de storm laten overwaaien. Er komt altijd, meestal binnen een paar dagen, een nieuwe hype om je boos over te maken. Nu de club toch gesloten is, had men in stilte aan een voorzichtige heroriëntatie kunnen werken met een residency voor DJ Stingray. Maar los van strategie, mis ik in de analyses het benoemen van een dieper probleem.

De School is grotendeels een kopie van de beroemde Berlijnse club Berghain, wat bij mij in eerste instantie irritatie oproept. Kunnen Nederlandse hipsters weer niet zelf iets verzinnen? Maar als je even rustig in- en uitademt komt de gedachte op: nou en? Succesvolle clubs zijn altijd gekopieerd, niemand vindt het wiel opnieuw uit en echte innovaties zijn schaars, zeker onder de genadeloze dictatuur van het neoliberaal-entertainment-complex. Is De School elitair? Waarschijnlijk wel, maar dat iets bestaat, een creatieve ruimte, waar niets was, is al een prestatie op zich. Het vormt een hele specifieke sociale constructie met bepaalde regels, verwachtingen en omgangsvormen. En die moet matchen met jouw, hier ga ik hardcore sociologie, habitus. Eigenlijk is het enige deurbeleid dat een ware aristocratie nodig heeft iemand met een teller zodat je weet wanneer het te vol raakt.

De School is duidelijk niet de vijand. Het is een exponent van een hyperreële, 21ste eeuwse clubervaring waar ik geen feeling mee heb, maar dat heb ik ook niet met talloze festivals die een bepaalde lifestyle met heel veel bier en biologisch eten verkopen. En daar ligt al een tijd een van de problemen. House is wat mij betreft in de basis een egalitaire muziek, die de relatie tussen artiest en publiek deconstrueert en de collectieve ervaring belangrijker acht dan financieel gewin. Open voor iedereen, minimale security, openlijk drugsgebruik mocht je daar behoefte aan hebben, een plek om te kunnen verdwijnen uit de dagelijkse sleur, ontsnappen aan de druk van het panopticon en het continu ophouden van maskers. Het moet in principe voor iedereen toegankelijk zijn zoals een van de canonieke teksten, ‘My House’ van Chuck Roberts, vastlegde: “You may be black, you may be white; you may be Jew or Gentile. It don't make difference in our House.” Clubs die hier tegen zondigen zijn de moeite gewoon niet waard, nooit geweest ook. De logische conclusie is dan om te stellen dat je zelf een beter feest moet organiseren, dat wat Multigroove begin jaren ‘90 daadwerkelijk deed als antwoord op het snobisme van de Roxy. Maar dat waren andere tijden.

Want het ware probleem is de neoliberale stad, gericht op het maximaliseren de geldstromen van toerisme en de consumptie-ervaring, het wegdrukken van mensen met een laag inkomen, gevolgd door die met een middeninkomen. Het wordt steeds lastiger om alternatieve clubs te beginnen en de neoliberale stad duldt geen onbestemde gebouwen waar zulke feesten kunnen plaatsvinden want ongebruikte ruimtes zijn economisch een doodzonde. De politie zal altijd de hoogste prioriteit geven aan het stoppen van feesten in dit soort overgebleven ruimtes. De School is voorlopig een plek gegund in deze constellatie maar laat er geen twijfel over bestaan: het Amsterdamse stadsbestuur functioneert primair in dienst van projectontwikkelaars en zal wanneer het de kans krijgt De School laten platwalsen voor een hotel of een ander high-end project om fout geld in te pompen. Kortom, kies je vijanden en doelwitten zorgvuldig, straks ben je nostalgisch naar je schooltijd

woensdag 29 april 2020

Het Eckte Eckte Amsterdam



Vanuit het raam kon ik het zien liggen. De stroken ondergelopen land die overgingen in de duinen, de smalle stranden en daar in zee onmiskenbaar de wereldberoemde rizoom van grachten. Terwijl het vliegtuig een laatste bocht maakte, probeerde ik een gebouw te herkennen, misschien het Rijksmuseum waar ik zo naar verlangde. Na de landing opende ik mijn gids maar weer om het langdradige taxiën te vergeten
Amsterdam II is de perfecte bestemming. Voor het eerst in jaren zult u zich als toerist weer welkom voelen. Hier bent u geen indringer, zult u geen boze blikken meer krijgen, dit is de stad gemaakt voor uw ultieme Amsterdam-ervaring. Kosten nog moeite zijn gespaard om na de pandemieën van de jaren twintig te zorgen voor een veilig toerisme, een unieke ervaring die u nooit zult vergeten. Optimaal shareable en zonder schuldgevoel…
Het begin was er in ieder geval naar. De aankomsthal was efficiënt ingericht voor bezoekers van Amsterdam II. Na de paspoortcontrole lag mijn koffer al te wachten waarna ik de richtingaanwijzing naar de metro volgde. Niet dat er een alternatief voor handen was. Iedereen weet dat je Amsterdam II maar op een manier kunt bereiken. Het door Koolhaas ontworpen metrostation was open en licht, sereen, ook al wachtten er steeds honderden reizigers op een van de metro’s die stipt om de twee minuten arriveerden. Altijd met het juiste aantal beschikbare zitplaatsen omdat de A.I. de stroom passagiers continu monitorde en de wagons waar nodig aanpaste. Verzekerd van een zitplaats stapte iedereen op een geciviliseerde manier in, plaatste de bagage in de daarvoor ontworpen compartimenten en nam vervolgens plaats. Over tien minuten zouden we op Amsterdam Centraal arriveren. Eenmaal in de tunnel las ik verder.
In Amsterdam II vindt u het authentieke Amsterdamgevoel dat verloren leek te zijn gegaan. Alles is hier op schaal nagebouwd met oog voor alle historische details. Grachten, musea, gebouwen en natuurlijk roemruchte coffeeshops zijn niet van origineel te onderscheiden. En er is meer dan het beroemde centrum. Ook wijken als de Indische Buurt, de Rivierenbuurt en de Baarsjes bieden een alternatief met verborgen juweeltjes en inspirerende momenten om met iedereen te delen. Dat echte gevoel van Amsterdamse vrijheid, al eeuwenlang uniek in de wereld.
Amsterdam Centraal, daar waar de stad nu eindigt. Ik moest niet vergeten om een van deze dagen de noordkant van het station te bezoeken die in oude staat was nagebouwd en waar men in de weekends met auto’s kon worden opgepikt om mee te liften naar acidfeesten in loodsen. Maar eerst eens mijn ‘pegels’ ophalen bij de toeristeninformatie. Volgens de gids kreeg elke bezoeker honderd pegels, ouderwets papiergeld waarmee je illegale transacties kon naspelen. Ik laadde meteen mijn gids op met Amsterdam Games, een soort virtuele tours waarmee je interactief avonturen kon beleven, V.R. compatibel. Eenmaal buiten volgde ik de nieuwelingen richting het Damrak. Ondanks de voorbereiding en de expliciete waarschuwingen van de reisgids was de confrontatie met auto’s choquerend. Geen wonder dat het stadsleven vroeger zo ongezond was, mensen werden gewoon vergiftigd en psychisch geterroriseerd. Het scheen dat personeel sommige auto’s nog gebruikte om zich te verplaatsen maar ze waren zelfrijdend en vormden daarom geen enkel gevaar voor de voetganger, een klein compromis ten kostte van volledige authenticiteit. Bovendien merkte ik meteen op dat er genoeg ander gevaar loerde in de vorm van fietsers. Een jonge vrouw in kort rokje, een detail dat me in een flits afleidde, passeerde me rakelings.
“Uitkijken, lul!”
Schitterend.

Ik liep met stevige stappen de adrenaline uit mijn lichaam, al snel op mijn gemak gesteld door de kaaswinkels, rastashirts en echte FEBO. Zoveel keuze, maar ik had begrepen dat de bamischijf onmisbaar was. Inderdaad, de kruidige zoutigheid vormde een explosie van geluk, een tastbaar bewijs dat ik eindelijk in Amsterdam was. Hier zou ik dan eindelijk mijzelf kunnen zijn, weg van het virtuele kantoor en een leven in monotone hoogbouw. Ik stak de Warmoesstraat over richting de Zeedijk die er ouderwets onguur uitzag, vol louche figuren die in schaduwen rondhingen. Ze zouden toch niet echte heroïneverslaafden gebruiken? Interessant om later uit te zoeken met de pegels. Maar wat een heerlijk sfeertje. En die intense geuren, een bedwelmend mengsel van urine, Aziatische kruiden en gedroogd bier. De geur van het werkelijke leven. Aan het eind van de Zeedijk zag ik mijn hotel, De Waag.

Tevreden keek ik uit over de Nieuwmarkt. Eerst opfrissen en wat dan? Die haringkar? Of toch meteen naar de coffeeshop? Het carillon speelde een medley van ‘Dominator’, ‘French Kiss’ en ‘The Bells’, allemaal oude favorieten van mijn vader, terwijl de avond viel en de terrassen bijna uit zichzelf gevuld werden, alsof iedereen zijn rol vol overgave speelde. Na een paar snelle biertjes en halve White Widow-joint liet ik mij in een roes door de menigte meeslepen langs de grachten, ons collectief vergapend aan de uitdagende, soms verveelde, vrouwen achter de ramen. Zouden ze allemaal echt zijn en hier wonen? Er gingen al lange tijd geruchten de ronde dat een merendeel van Japanse makelij was. Wat mij betreft een briljante marketingcampagne, al die mannen die wel even gingen bewijzen dat ze het verschil konden merken. Een andere keer, ik was te ver heen en had geen zin in gênante taferelen. Nee, ik volgde het geroezemoes, dat vriendelijke mengsel van talen en gelach, soms een overgevende Engelsman omzeilend, soms een te grote auto die zich in vaste rondjes door de mensenmassa begaf. Op de Armbrug nam ik nog een laatste hijs van de joint. Dat had ik niet moeten doen. Waarom liep iedereen opeens op mij af? Mijn aderen leken vanuit mijn nek naar de uiteinden van mijn vingers te bevriezen. Wat deed iedereen hier eigenlijk? Al die gezichten waren maskers, versteend in verlangen. Wat lag er achter die maskers? Mensen? Machines? Wat deed ik hier eigenlijk? Ik hield mezelf voor de gek. Alles was nep. Je trapte er zo makkelijk in. Zo goed gedaan, maar compleet nep. Gelukkig bevond ik me in de buurt van mijn hotel en ik worstelde me door de menigte, ervan overtuigd dat ik elk moment als een cliché languit op straat kon liggen.

Ik had in tijden niet zo diep geslapen. De vorige nacht niet meer dan flarden uit een nare droom. En toch, eenmaal voor de imitatie van De Nachtwacht keerden de twijfels in een wat zachtaardigere vorm terug. Amsterdam II had zo verleidelijk geleken, zo overtuigend, ik had werkelijk in de simulatie geloofd. Ik probeerde met een dubbele dosis kunst weer dat gevoel van de aankomst te hervinden. En zowaar, Van Gogh gevolgd door een patatje oorlog deed wonderen. Ik besloot zonder echt doel in de richting van het hotel te wandelen. Ik verzond wat foto’s van streetart vol psychedelische gezichten, drie kruizen en buitenaardse alfabetten naar mijn volgers en op het Rembrandtplein vond ik een speelhal met werkende kasten als Space Harrier en NBA Jam. Het tij leek gekeerd, maar voor de zekerheid liep ik met een grote boog om de coffeeshops heen. Gelukkig kon ik met de Lachuh-app een koerier langs laten komen die alleen pegels accepteerde. De transactie voelde heerlijk fout.
“Vergeet niet om de patronen gewoon op straat te gooien, chef. Zo hoort dat.”
Gezeten aan het water begon ik de ballonnen te vullen. Een bankje verderop zaten twee toeristen gezellig te chinezen en selfies te maken. Ik vulde mijn longen compleet met de eenvoudige verbinding. Elke keer sloot ik mijn ogen en trilde mijn hele wezen mee op het geheime ritme van de stad. Na tien ballonnen was ik er van overtuigd dat Amsterdam het kosmisch centrum van dit universum was.
“Nou nog eentje en dan is het weer genoeg geweest.”
De doos was leeg. Geïrriteerd vertrapte ik het karton en liep vervolgens naar tram 9. In een halfgevulde De Meer spoelde ik een hamburger weg met slap bier terwijl Ajax 1972 op een onwerkelijk groen veld Feyenoord overklaste. Ik moest mezelf forceren om te genieten van de passeerbewegingen van Keizer en de passes met buitenkant voet van Cruijff. Het was zonder twijfel goed gedaan, ook met die oncomfortabele houten bankjes, maar het voelde op meerdere manieren ongemakkelijk. Ik keek naar geesten.

De volgende ochtend keerden de twijfels in samenwerking met een geniepige hoofdpijn terug. Alles begon me tegen te staan en tegelijkertijd groeide het verlangen om het echte Amsterdam te zien. Maar hoe kwam ik daar? Ik moest de neiging onderdrukken om het een bewoner van de simulatie te vragen. Niemand was te vertrouwen en waarschijnlijk hadden ze geen idee. Verveeld zwierf ik langs de “Amstel” totdat ook deze in de Noordzee eindigde. Ondertussen onderzocht ik andere mensen. Wie was toerist? Wie acteur? Werker? Androïde? En kon iemand me uit deze miserabele vakantie redden? Ik staarde wezenloos in het onaangeroerde glas Heineken. Was het eigenlijk wel echt Heineken, of gewoon een of ander goedkope namaak? Zou ik ooit het verschil kunnen proeven?
“Jij zoekt even iets anders.”
“Ik heb even nergens zin in,” antwoordde ik met moeite.
“Jawel man, ik ken die blik wel.” Met tegenzin keek ik op naar de jonge barman die zich voorover boog.
“Jij bent niet de eerste, pik. Echt niet.”
Met een zelfvoldane glimlach zette hij een glas jenever naast mijn vaasje. Ik zuchtte.
“Drink nou maar op, man. Dan vertel ik ondertussen wat je dwarszit.”
Ik sloeg het glas achterover, klaar voor een voorgekookte volkswijsheid. In ieder geval voelde de alcoholrilling fijn aan.
“Jij wil het ware Amsterdam zien, toch?”
Hij knikte tevreden met zijn hoofd nadat hij mijn verrassing had geregistreerd.
“Dat bedoel ik.”
Achteloos begon hij op een bierviltje te schrijven. En op luidere toon vervolgde hij: “Ik heb nog wel een adresje voor je. Een ouwe gabber van me.”
Hij schonk me een tweede jenever in en fluisterde ondertussen: “Dit adres. Daar woont mijn zus. Ze weet de weg. Gaat je natuurlijk wel wat kosten. Ze legt het allemaal uit. Even onthouden en dan mieter je dat viltje met je zogenaamde dronken kop jolig in de gracht.”
Ik hield mijn glas omhoog, kreeg een knipoog terug waarna hij zich omdraaide om een andere klant te helpen.

De volgende ochtend haastte ik me naar de Bloemgracht om bij het aangewezen adres aan te bellen. De deur opende naar een steile trap waar aan de bovenkant een jonge vrouw verscheen.
“Pakketje voor de buren zeker?”
Ik herhaalde van het inmiddels verzopen bierviltje: “Kunt u het aannemen? Het is uit het buitenland. Anders gaat het naar het hoofdpostkantoor.”
Ze knikte.
“Dat zou zonde zijn. Kom maar naar boven.”
Het appartement zag er sfeervol uit. Houten vloer, scheef, overal planten. Een grote poster van Betty Blue aan de muur. Zelf ingericht of gewoon voor werknemers ontworpen?
“Koffie?”
Ze was natuurlijk mooi op een lokaal nonchalante manier. Lang en toch schoenen met hoge hakken, te groot shirt met een verwassen anime-karakter uit een film die ik in mijn jeugd had gezien. In alles een air dat ze geen zin had in gezeik.
“We vertrekken vannacht. Je kunt nu de helft betalen en de andere wanneer we in Amsterdam aankomen. Gewoon doen wat ik zeg en dan komt alles goed. Je mag er zo lang blijven als je wilt, maar ik raad je aan om hem na een paar dagen weer te peren. De boete als je gesnapt wordt is niet mals en moet je meteen betalen. Bovendien,” en hier zocht ze bewust mijn blik op, “pottenkijkers zoals jij willen ook opeens verdwijnen.”
Ik wende mijn ogen af en probeerde de stilte maar op te vullen met een slok koffie. Inmiddels was een kat op mijn schoot gaan liggen.
“Oh, en ik ga niet met je naar bed.”

“Mistig. Zie je ook niet vaak meer. Lekker ouderwets. En handig.”
Het geronk kwam dichterbij. Ze haalde een stoffen zak uit haar jas.
“Sorry, geen rondvaart deze keer.”
Met tegenzin deed ik de zak over mijn hoofd. Ik werd aan mijn linkerbovenarm vastgepakt en in de boot geleid.
“Doe die herrie maar uit. Het is geen pleziervaartje door de grachten of zo.” Geruisloos gingen we op weg. Ik durfde hun geroutineerde stilte niet te doorbreken en gaf me over aan verveling, hopend dat de nerveuze gedachten op een gegeven moment een coherent geheel zouden vormen. Na een tijd gaf ik het op.
“Zijn er mensen zoals ik die er blijven wonen?”
Het was een gedachte die me sinds gisteren bezighield.
“Je hebt er altijd wel een paar. Zonderlingen. De meesten worden op een gegeven moment gepakt, maar er zijn erbij die verliefd worden en een heel leven weten op te bouwen. Het is ook niet alsof er op je wordt gejaagd. Daar houden we niet zo van.”
Blies ze nou rook in mijn gezicht?
“Maar de meeste springers houden het snel voor gezien. Je weet wel, geconfronteerd met de werkelijkheid verwatert de fantasie.”
Ik vond het moeilijk te geloven.
“Wat doe jij eigenlijk in het dagelijks leven? Daar.”
“Oeh, nieuwsgierig. Ik studeer natuurlijk. A.R. informatica”
“Ben je daarom in Amsterdam II. Als stagiair?”
Ze grinnikte.
“Voor het geld. Maar je hebt wel een beetje gelijk. Die hele stad houdt me bezig. Weet je dat de meeste springers uiteindelijk de simulatie missen? Hun hele perceptie is gevormd naar het ideaal. Dat voelt correct, zelfs al hebben ze soms hun twijfels. Nou ja, dat hoef ik jou natuurlijk niet uit te leggen.”
Ik wilde protesteren maar ze was al weer verder aan het uitweiden.
“En we doen in II nog veel te weinig met A.R. Ik bedoel die poging tot gamificatie alleen al. Zo hoog van de toren blazen over authenticiteit en met dingen aankomen als Zelda in Amsterdam. Sad.”
Ik zei maar niet dat ik had uitgekeken naar het exclusieve Damsko Mario Tournament.
“Eigenlijk zouden we een derde Amsterdam moeten bouwen. Dat zie ik wel zitten. Een futuristisch Amsterdam. Liquide. In beweging. Een sensuele stad, een continue overweldiging van de zintuigen. Niet dit commerciële, voorgeprogrammeerde verlangen. Of dat hopeloze zoeken naar authenticiteit. Die dualiteit moet doorbroken worden.”
“Een Nieuw Amsterdam.”
“Precies. We leven in de diepe 21ste eeuw. Tijd voor nieuwe ontdekkingstochten en niet meer die ouwe meuk.”
De weerkaatsing van het geluid veranderde. Licht begon voorzichtig door de mazen van de zak te schijnen.
“We zijn er bijna. Mokum. Ruik je het verschil?”
Ik rook eerlijk gezegd alleen mijn eigen mufheid.
“Geen auto’s.”

Vanzelfsprekend bleef ik hangen. Na twee weken had ik een appartement gevonden in het centrum, aan de rand van wat nu Klein Korea werd genoemd. Ooit, na de pandemie en de leegstroom, gekraakt dus ik moest er wel even werk van maken. Maar ik had tijd zat. Mijn oude smartphone had ik bij aankomst uit voorzorg in ‘t IJ gegooid. Ik las vooral boeken, goedkoop te krijgen in een van de tweedehands boekwinkeltjes die ik op mijn wandelingen tegenkwam. Al snel verwaterde mijn oude leven tot een matige droom waarin je een even saaie als onmogelijke klus moet klaren. Ontdaan van alle druk en status kon ik hier proberen om mijzelf te hervinden. De binnenstad volgde een heel eigen cyclus, een imitatie van een zondagochtend waarbij je vaak het gevoel kreeg dat je de stad voor jezelf had. In het begin moest ik wennen aan de afwezigheid van een bepaalde gloed waarmee Amsterdam II scheen. Hoe kreeg men dat voor elkaar? Was het een special effect, een bepaalde belichting, of een cumulatief resultaat wanneer je alles van geïdealiseerde beelden nabootst? In de levende stad vielen dingen uit elkaar en werden lange tijd genegeerd of met moeite gestut en gecamoufleerd. De vuilnis werd ook maar twee keer per maand opgehaald. Dan, als je een straat inliep kon je plotseling in een relletje terechtkomen waarvan de aanleiding niet was te achterhalen. Aangezien de politie vanwege bezuinigingen zich vooral bezighield met basistaken waren ze vaak geen partij meer. Al snel zag ik de rellen als een ritueel, een herhalende gebeurtenis waarmee de sociale orde werd bevestigd. In bepaalde gevallen leek het nog het meeste op absurdistisch theater. Zoals die keer dat ik het Leidseplein kruiste dat was verdwenen in een enorme rookwolk waar drie jonge mannen, eentje gezeten op een klapstoel, een ander op een versleten bankstel, zwijgend naar keken. Pas toen een tram vrolijk ringelend uit de rook verscheen liet het schouwspel me los en liep ik verward verder, zoekend naar de betekenis van dit alles. Had ik het over rituelen? Ik werd op 30 april op mijn wenken bediend.

In de aanloop naar die dinsdag kon je moeilijk ontsnappen aan de elektriciteit die in de lucht hing. Mijn zakken puilde elke dag uit van flyers waarop speciale raves werden aangekondigd. Original 1990 Style of Oud Acid Festijn, vormgegeven met vrolijke kleuren, pilvormige mannetjes en aantrekkelijke cybervrouwen. Koninginnedag stelde in Amsterdam, met zijn dedain voor commercialiteit, niets meer voor. In plaats daarvan was de ooit uit de hand gelopen Dag van de Stadsrepubliek door de jaren heen uitgegroeid tot een officieuze feestdag met als hoogtepunt het naspelen van de Slag om de Blauwbrug. De meeste inwoners waren te jong om de ware toedracht en omstandigheden te herinneren maar dat maakte weinig uit omdat in het chaotische tafereel midden in de stad een symbolische betekenis lag die de kern leek te raken van het Amsterdammer zijn. De ervaring had geleerd dat de herschepping met echte wapenstokken, waterkanonnen en stenen meer slachtoffers veroorzaakte dan de oorspronkelijke gebeurtenis. Vandaar dat de als politieagenten verkleedde bewoners met zachte knuppels werden bewapend en de stenen van kunststof waren gemaakt. En toch, eenmaal op gang werkte het gejoel, de dreigementen die uit speakers schalden, het gestamp, het steeds maar herhalende “Geen woning, geen kroning!” gevolgd door de rookbommen, in op het oerwoud van de psyche. De uit de rook marcherende mobiele eenheid veranderde me van nieuwsgierige toeschouwer in deelnemer en ik rende naar een stapel keien die vervolgens vol overgave naar de vijand werden gegooid. Volgens de afspraak trok deze zich op een gegeven moment theatraal terug waarna we juichend de brug op renden. Ik viel een onbekende in de armen terwijl een brandende autoband langs ons rolde. Het voelde alsof ik zelf in vlam stond, levend, op de juiste plek.

Die avond heerste er een feestelijke stemming in de stad. Ik liet me, gedreven door een schier oneindige witte lijn, van café, naar feest, naar café meeslepen.
“Waarom wonen er nog met mensen met geld in de stad?”
Ik passte de joint door. Een van mijn rellende kompanen schreeuwde over de bas die alle drank in de glazen deed golven: “Die hebben er altijd gewoond.”
“Maar ze hoeven hier toch niet meer te wonen? Niemand gaat meer naar kantoor. Dat soort geld wordt nog alleen virtueel gemaakt.”
“Je hebt gewoon veel oude families. Die weten niet anders. Maar...”
Hij gaf me een rietje voor de volgende lijnen.
“Ze houden ook gewoon van de spanning. Wie wil er nou in een villawijk wonen? Domme lui. Iemand met pretenties en statuur zoekt de tijdelijke confrontatie. De mogelijkheid van geweld en seks, van domineren en vernedering. Dat is altijd de succesformule: geld en ruïnes. Dat realiseerde men zich na de plagen. Toerisme slaat alles plat. Allemaal voorgekauwde lifestyles zonder creativiteit. En dat is on-Amsterdams. Een te grote middenklasse in combinatie met toerisme vormde een soort barrière en die is gereduceerd. En zo keert de spanning terug. Kijk om je heen, veel van deze jongeren gaan naar de beste scholen. Hun ouders zijn slippendragers van de oude elite, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, dat werk. Ze wonen allemaal in Zuid of op de Eilanden. En geloof me dat is niet vervelend wonen. Maar je blijft dicht bij het vuur. Dat hoort ook bij je opvoeding. Snap je?”
De cocaïne deed zijn sloopwerk. Vagelijk tussen de sterretjes door vroeg ik me af waar hij zelf woonde, al had ik zo een vermoeden.

Na een idyllische zomer begon het exact vanaf 1 september te regenen. De meeste Amsterdammers waren voorbereid en menigmaal kreeg ik de tip om te investeren in goede regenkleding.
“Al is het een oude legerjas uit de dumpstore. Dit gaat zeker tot eind maart zo door.”
Gekleed in een Zweeds exemplaar, volgens de verkoper bedoeld voor een N.A.V.O.-missie in Zuid-Oost Azië, probeerde ik me aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Die bevielen me al snel niet. Ik probeerde stemmige foto’s te maken van weerspiegelend neon in plassen, het Rijksmuseum dat in een stortregen leek te verdwijnen, stoïcijnse vrouwen in trenchcoats uit de vorige eeuw. Ze deden het aardig op mijn Insta. Een beetje niche omdat je weinig kanten op kon filteren met dat alles overheersende grijs. Haast onvermijdelijk liepen de likes daarna terug. Was dat niet een weerspiegeling van mijn eigen gesteldheid?

“Wat is er eigenlijk buiten Amsterdam?”
Het café wasemde een unieke geur van vochtig hout, drogende kleren, bier en wiet. Een van mijn buren, geboren en getogen, daar twijfelde niemand aan, antwoordde: “Ik ben sinds mijn achtste of zo niet meer buiten de A10 geweest, toen kon je daar nog gewoon over rijden. Echt waar. Maar volgens mij niet zoveel. De meeste polders schijnen blank te staan. Je hebt dat hele stuk wat onleefbaar is toen die te snel gebouwde minireactor plof deed. Wanneer wat dat ook alweer? ‘32?
“2034.”
“Nou ja, dat dus. 2034. Gelukkig stond er toen een noordenwind anders waren we hier ook allemaal de Sjaak geweest. Blijft eigenlijk Almere-Lelystad over. Toch de grootste stad van het land.”
Bij dat laatste woord maakt hij ouderwetse citaatgebaren.
“Lijkt mij niks hoor, 6 miljoen mensen, geen echt centrum. Van die, zeg maar, burgerlijke types. Kortom...”
Iedereen begreep zijn voorzet.
“Geef mij maar Amsterdam!”
Dit alles gevolgd door enthousiaste teugen bier. Ik kon geen kant op. Wat was ik nu? Gevangene? Had ik mezelf verbannen? Kon ik me Amsterdammer noemen? De regen nestelde zich langzaam maar zeker in mijn ziel. Ik was de weg kwijt. Het enige wat me op de been hield was de gedachte aan de lente, een leven zonder regen. Maar was er een alternatief als ik dat niet volhield? Uiteindelijk hoefde ik zelf geen keuze te maken.

Even stopte de regen wat het teken was om toch iets te gaan doen, al was het maar een paar foto’s nemen. Halverwege de brug dacht ik zowaar een zonnestraal waar te nemen. Ik bleef staan om de Herengracht te bekijken. Ik wist het licht te kaderen dat over het water dartelde en voelde weer die tinteling van vrijheid. Uit het niets stonden er drie mannen om me heen. Onopvallend gekleed in lange jassen, ik had dit soort figuren nog nooit eerder in de stad gezien.
“Zo meneertje, identiteitsbewijs.”
Ik wist meteen dat het voorbij was. Stom, sommige dingen veranderen nooit. Gelaten liet ik mij, aan beide armen vastgegrepen, meenemen. Zo werd ik in straf tempo langs de gracht richting het Centraal Station geleid. Af en toe ving ik een meewarige blik op van een bewoner die uit het raam hing of ons passeerde. En anders was er wel een “Hard voor je, ouwe.” van een kruisende fietser. Het deed me allemaal niks omdat het voelde alsof ik door een bubbel werd omhuld. Met elke stap verdween al het gevoel langzaam uit mijn wezen. Aangekomen bij het CS liepen we door een tunnel wat me uit mijn meelijwekkende trance haalde.
“Gaan jullie me vermoorden?”
Waarom niet het onvermijdelijke uitspreken? Zouden ze me wurgen? Neerschieten en mijn lichaam in ‘t IJ dumpen? Een van de agenten kon een glimlach niet onderdrukken.
“We vermoorden hier helemaal niemand.”
Zijn collega keek geconcentreerd voor zich uit, maar vulde aan: “Dat is gewoon een eng verhaal om pottenkijkers en radioactieve kakkerlakken af te schrikken.”
De derde agent die voorop liep moest grinniken.
“Sterke verhalen.”
Bij het water aangekomen wachtte al een politieboot. Aan boord werd ik aan een paal vastgeketend. Ik was de enige passagier. Een van de agenten tikte tegen het raam van de stuurkamer.
“Enkeltje Disneyland voor deze meneer.”
Zelfbewust nam ik nog een keer de stad in mij op. Programmeerde ik alvast een gevoel van nostalgie voor toekomstig gebruik? Op het moment dat we langs een pier voeren zag ik haar staan. Rokend alsof ze ergens op wachtte. Ik rekte me zo goed als ik kon over de rand en hoefde haar niet eens te roepen. Haar gezicht verraadde geen emotie en alleen haar wenkbrauwen liet ze cynisch omhoog gaan om daarna op haar horloge te tikken. Al snel verdween ze uit zicht, ik was toe aan vakantie.

(Amsterdam, 2020)

Download als epub.

zaterdag 24 maart 2018

De toekomst van Amsterdam



Met de langverwachte overwinning van GroenLinks bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen breekt een cruciale periode aan voor de hoofdstad. Nu we de diepe 21ste eeuw inglijden moet Amsterdam serieus worden omgevormd tot een moderne stad. De gemeente Amsterdam zal de rest van de eeuw uitgroeien tot een miljoenenstad die richting het westen wordt uitgebreid, in oostelijke richting uiteindelijk ‘t Gooi en in het noorden Purmerend zal assimileren Kortom, een conglomeraat met verschillende kernen.

Dat is nog een vergezicht. Daarentegen zullen de komende jaren in de huidige stad een aantal drastische maatregelen moeten worden genomen waar de lokale politiek al decennia om heen draait. In de binnenstad botsen drie grote groepen: automobilisten, toeristen en fietsers (scooterrijders vormen een geval apart.) Een van deze drie is duidelijk teveel en moet verdwijnen. De reflex is dan om de makkelijkste groep te slachtofferen: de fietsers (hier en daar, in altijd behulpzame media, al voorzichtig zwart gemaakt.) Onmogelijk, want fietsers bestaan voor het grootste gedeelte uit inwoners van de stad zelf (al zijn er ongetwijfeld politici en projectontwikkelaars die eigenlijk liever een stad zien zonder inwoners.) Toeristen worden op hun beurt graag door bewoners gedemoniseerd en de toeristenindustrie heeft onmiskenbaar voor een aantal problemen gezorgd maar is economisch te belangrijk om terug te draaien. Het logische doelwit is dus de auto die teveel ruimte inneemt, gevaarlijk is en vooral vervuilend. Bovendien loopt het tijdperk van de fossiele brandstof ten einde en hoe eerder men zich aan die situatie aanpast hoe groter de voorsprong op andere steden en gebieden die in achterhaalde technologieën blijven volharden.


De binnenstad van Amsterdam is natuurlijk altijd ongeschikt geweest voor de hoeveelheid autoverkeer die is opgekomen sinds de jaren ‘60. In een vlaag van optimisme wilde men destijds dan maar de stad ombouwen tot een autostad. Door dat idee is met de Nieuwmarktrellen van 1975 definitief een streep getrokken en het blijft teleurstellend dat een superlinks stadsbestuur (met CPN!) toen niet heeft kunnen inzien dat de binnenstad autovrij moest worden (ironisch genoeg was de oorzaak van de rellen een gecombineerde aanleg van autoweg en metrolijn waarvoor de wijk gesloopt zou worden.) Sindsdien is langzaam begonnen met het terugdringen van de auto, maar volgens goede Amsterdamse traditie in stappen vol compromissen en uitzonderingen waardoor de kern van het probleem niet verdween en chaotische verkeersstromen zijn ontstaan. Het autoverkeer neemt niet af en daarmee lijkt de verbetering van de luchtkwaliteit, ondanks betere roetfilters en de groeiende populariteit van hybride en elektrische auto's te worden geneutraliseerd door de opkomst van de scooter (en de aanmerende cruiseschepen).

Nu GroenLinks een sturende rol gaat spelen, moet het zijn coalitiegenoten dwingen om de auto in fases terug te dringen. Bepaalde buurten en straten moeten snel autovrij gemaakt worden, ik denk hier in eerste instantie aan de meest absurde locaties zoals de complete Nieuwmarktbuurt, de Negen Straatjes, Nes en Haarlemmerdijk. De parkeergarage bij de Bijenkorf moet op den duur gesloopt worden, alleen al omdat dit een blijvend excuus is om onnodig auto’s tot het hart van de stad te laten doordringen. En over een bepaalde periode zal dit gebied worden uitgebreid via de grachten totdat het gebied dat loopt tot de Sarphatistraat – Weteringschans – Marnixstraat autovrij is. Hybride taxi’s zullen mogen blijven rijden door een select aantal straten en hiermee kan meteen een einde worden gemaakt aan de (nachtelijke) overlast van Über. Vanzelfsprekend hoort hier een verbeterd en (veel) goedkoper openbaar vervoer bij. Zonder autoverkeer zullen trams efficiënter opereren. Bestaande metrolijnen kunnen doorgetrokken en gesplitst worden om buurten beter bereikbaar te maken.

Dat betekent natuurlijk niet dat toerisme ongemoeid mag blijven. Airbnb zal nog strakker moeten worden ingeperkt en anders verdwijnen. De bouw van hotels moet gestopt worden. De voorzichtige ingreep op de winkelverhuur zal strakker moeten worden waardoor een serieuze terugdringing van toeristische onzinwinkels kan plaatsvinden. One-offs, kleine initiatieven, mysterieuze winkels die men per ongeluk ontdekt, moeten weer een kans krijgen. Alles hoeft niet plat en uitgekauwd te zijn. De Amsterdammer wil ook weer zijn stad herontdekken.

Dit zijn voor de meeste Amsterdammers geen controversiële onderwerpen, je had als kiezer meer dan genoeg keuze uit partijen die het op grote lijnen met elkaar eens zijn over dit soort onderwerpen. Hotels, ondergrondse garages, nieuwe kantoorruimte zijn overbodig in een stad die smacht naar betaalbare woningen. De rest: onderwijs en vergroening kunnen bij een uitgekiende coalitie zonder veel moeite daarna tot speerpunten worden gemaakt. Op deze manier ontstaat een stevige basis voor een extreem leefbare stad die de grotere uitdagingen van de 21ste eeuw –klimaatverandering, vergrijzing en vergaande digitalisering in al zijn vormen- met redelijk gemak aankan. Het is dat of een stinkend pretpark.

vrijdag 8 januari 2016

Extravagantie en het geheim

Ik kwam laatst in de kelder van een tweedehandsboekwinkel Closing Time tegen, een zeer curieus boek van Norman O. Brown dat ik helemaal niet kende. Brown heeft een cruciale invloed op mij gehad, maar een boek over Finnegans Wake en Vico? Ik legde het terug, bedacht dat ik meteen spijt zou krijgen en legde het definitief op een bevredigende stapel boeken. De volgende passage liet me na lezing niet los:

I sometimes think I see that civilizations originate in the disclosure of some mystery, some secret; and expand with the progressive publication of their secret; and end in exhaustion when there is no longer any secret, when the mystery has been divulged, that is to say profaned. The whole story is illustrated in the difference between ideogram and alphabet. The alphabet is indeed a democratic triumph; and the enigmatic ideogram, as Ezra Pound has taught us, is a piece of mystery, a piece of poetry, not yet profaned. And so there comes a time—I believe we are in such a time—when civilization has to be renewed by the discovery of new mysteries, by the undemocratic but sovereign power of the imagination, by the undemocratic power which makes poets the unacknowledged legislators of mankind, the power which makes all things new.

Ik moest er al snel weer aan denken toen ik in DJ Broadcast een artikel las over extravagantie in het nachtleven, een manmoedige worsteling met de uitgaanscultuur die ooit was en nu duidelijk anders is. Ik ben het niet overal mee eens (deurbeleid is wezenlijk on-Amsterdams) maar heb vooral het idee dat men om de hete brij draait. Men wil een bepaald publiek creëren en kan daar geen effectieve strategie voor bedenken. En de oplossing heb ik al eerder gegeven: de alcoholvrije club. Daarmee scheid je in een keer, op vriendelijke wijze, je publiek. Maar dit is verbonden aan een bredere problematiek. Een alcoholvrije club is economisch moeilijk te realiseren. Je zult het als organisator/uitbater vooral doen in dienst van een allesverzengende liefde voor muziek en die liefde moet beantwoord worden door het publiek. Dat per se naar binnen wil omdat er iets unieks te horen is en dus dronken van geluid wordt. En daar zit precies het grote probleem: die muziek is niet voorhanden. Er bestaat niets wat men niet weet, geen geheime kennis. Alles wat je nu kunt horen tijdens de nacht is nog steeds gebaseerd op muziek van dertig jaar geleden. En zelfs al zou iets nieuws ontstaan, weet iedereen het vrijwel direct. Zonder geheim, geen ontdekking. Zonder geheim ook geen Ander, geen levensstijl die begrepen moet worden.


Is er een uitweg mogelijk? Op het moment lijkt het lastig. Er was een moment mid-jaren negentig waar de mogelijkheden van Internet gecombineerd werden met de organisatie van kleinschalige feesten als 4 Acid Eyes Only. Informatie werd online verspreid, een busje wachtte mensen op bij een treinstation waarna men naar een volstrekt onopvallende locatie werd gebracht waar acid in al zijn vormen werd gedraaid (en LSD—in geciviliseerde doses—in grote bakken drank voor handen was, bier vrijwel niet.) In zekere zin vormde dit al de eerste retrobeweging in dansmuziek, maar als bijna fundamentalistisch housefeest was het ook een uiterst krachtige ervaring. Helder in zijn eenvoud: acid, rook, stroboscoop. Geen dj’s van naam vanzelfsprekend en toch heb ik daar een Engelse chillout-dj verreweg de beste ambient/jungle-set ooit horen draaien. Dat was duidelijk een product van een zeer karakteristieke constellatie van cultuur en technologie (iedereen kan zelf uittekenen waarom bovenstaand scenario tegenwoordig onmogelijk is) die niet meer terugkomt, zoals The Paradise Garage en Hacienda niet meer zullen terugkeren.

Een windstille periode is vanzelfsprekend nooit definitief. De extravagantie van de homoscene is, denk ik, passé omdat homoseksualiteit in grote steden en media genormaliseerd is en daarom niet meer dat buitengewone mengsel van avantgarde-vreemdheid-esthetiek kanaliseert. Er bestaat kortom geen alternatieve levensstijl meer. Ik kan me een scenario voorstellen waarin het radicale clubleven weer tot leven komt wanneer de eerste cyborgs verschijnen. Eerst kleine sporen van mens-machines die langzaam extremer zullen worden en op zoek gaan naar gelijkgestemden, naar betekenis, identiteit en genot. Een nieuwe extravagantie, een nieuw mysterieus rondzwerven.

dinsdag 5 januari 2016

Een korte geschiedenis van het volgende Amsterdam

Ik kreeg een tijdje geleden van een vriend het boek Amsterdam: A History of the World’s Most Liberal City en toen ik er eenmaal aan begon, heb ik het in hoog tempo uitgelezen. Soms maakt een buitenstaander veel duidelijk. Relatieve buitenstaander want Russell Shorto, directeur van het John Adams Instituut, woont al een tijd in de stad. Vreemd hoe dat gaat, om opeens je eigen nieuwsgierigheid, antiautoritarisme en tolerantie in historisch perspectief te zien, een traditie. Als Amsterdammer vormt het boek dan ook een injectie van trots, want de stad wordt gepresenteerd als bron van ongeveer alle vooruitgang op het gebied van ideeën sinds de Renaissance.

Tegen het einde moet Shorto er wat snel een einde aan maken en springt hij van begin jaren zeventig (“But in Amsterdam, the 1960s didn’t end.”) rap naar multicultureel drama gejammer. Wat hierdoor gemist wordt, is een periode die ooit de geschiedenis zal ingaan als een mini-Gouden Periode, namelijk de jaren negentig, waarin mogelijk de zaden werden geplant voor een echte continuïteit van de Amsterdamse Cultuur. Ik vond het vrij opvallend dat Shorto, die vrijwel overal in meegaat en zich uitstekend heeft gedocumenteerd, het fenomeen kraken totaal niet begrijpt en ook de Nieuwmarktrellen vergeet. Zonder dat laatste en de verijdelde plannen om autowegen dwars door de stad te leggen, was Amsterdam veel van zijn museale charme kwijtgeraakt. Het kraken zou in 1980 natuurlijk een synthese vormen met eeuwenlang anti-Oranjesentiment, maar veel belangrijker een soort reset van de stad forceren. Het is nu moeilijk voor te stellen maar Amsterdam was in 1990 een soort kinderloze stad, klaar voor een hergeboorte. Toen datzelfde jaar een aantal Ajaxspelers tijdens het kampioenfeest op het Leidseplein “Hasj, coke en pillen!” scandeerden, was dat een bevestiging van iets dat al een paar jaar broedde.




Een jaar later begint het album Seven Stars van Quazar met een radio-DJ die opmerkt dat alle tracks in de dancelijst “upbeat housetracks” zijn om te concluderen “Because as we know Amsterdam is house nation of the world.” De stad beschikte op dat moment over een geweldige verzameling platenwinkels en het was eenvoudig om housefeesten te organiseren, vaak in kraakpanden die veel toegankelijker waren dan de snobistische discotheken. De lokale chemici verhoogden de productie met hoogwaardige formules. En Quazar noem ik niet per ongeluk want wat het geheel afmaakte was Gert van Veen, lid van Quazar, maar ook muziekjournalist voor De Volkskrant. Elke vrijdag kon je vol verwachting de muziekpagina van de krant openslaan waar Van Veen compromisloos de laatste houseplaten recenseerde. Een aantal grotere artikelen en interviews uit die tijd (waaronder een zeer vroeg gesprek met Underground Resistance) bundelde hij tot Welcome to the Future wat een goed tijdsbeeld geeft, maar niet de kick kent van die vers-van-de-pers informatie (grotendeels pre-internet nog) waarmee hij de lokale ideoloog van house werd.

Langzaam zou de stad transformeren, in veel aspecten moderniseren en op een conventionele manier leefbaarder worden (de kinderwagens keerden zowaar terug.) De euforie van house zou kanaliseren tot een gereguleerde industrie. De lol van lachgasbalonnen voor een piek tijdens de eerste Awakeningsfeesten in de Westergasfabriek met lekkend dak zou stilletjes verdwijnen. De benoeming in 1994 van verdwaalde zedenprediker Schelto Patijn tot burgemeester hielp niet. Ik herinner me nog een feest in Paradiso rond die tijd waar de VJ een animatie projecteerde van Patijn die op de beat met zijn vingertje wees. Niemand trok zich er wezenlijk iets van aan, maar de tweede helft van de jaren negentig kende een andere sfeer, minder euforisch, meer gedreven door nieuwsgierigheid (de acceptatie van jungle) en een samengaan met opkomend internetoptimisme.

In 2000 vertrok Van Veen bij De Volkskrant. Zijn taak zat er duidelijk op. Wat betreft muziek maakte de krant een contrareformatie door naar onversneden rockisme die vreemd genoeg de bredere reactionaire omslag van de krant aankondigde. Internet zou de verspreiding van informatie over muziek, snel gevolgd door muziek zelf, overnemen. Ik denk dat voor Amsterdam daarna cultureel een zekere windstille periode aanbrak waar men collectief geen raad mee wist (house was natuurlijk nooit alleen maar dansmuziek, maar een complete technologische levensstijl/ideeënstroom.) De oude discotheken werden een voor een gesloten (of brandde af) en het continuüm Club 11 – Trouw (en nu De School) moest de vlam levend houden, inmiddels voor een nieuwe generatie. Het is allemaal wat kalmer, in zichzelf gekeerd en wellicht geciviliseerder.

Toch denk ik dat Amsterdam er beter voor staat dan vijf tot tien jaar geleden. Ondanks het gezeik op toeristen en hipsters leeft de stad meer. In zekere zin lijkt Amsterdam zich op te maken voor een technologische sprong die de komende decennia gaat plaatsvinden en waarvan de informatiestructuur met de AMS-IX en supersnel Internet al jaren geleden is gelegd. Na het lezen van Shorto’s boek lijkt het me duidelijk dat Amsterdam zich als digitale vrijhaven moet profileren, een volgende en onvermijdelijke transformatie van het traditionele mengsel van vrijheidsdrang en zakelijkheid. Een baken dat een alternatief vormt voor Haagse paranoiabureaucratie en daarachter opererende Angelsaksische controlestaten. Kortom, Amsterdam moet zichzelf de oceaan van silicium toe-eigenen. Die haar altijd heeft toebehoord.

woensdag 6 augustus 2014

Amsterdamse gracht circa 2101?


Uit de serie post-apocalyptische schilderijen van John Walters en Peter Baustdaeter. De Amsterdamse grachten twintig jaar nadat de mensheid is verdwenen. Op io9 zijn nog veel meer bewerkte stadsgezichten te vinden. Zo te zien is Avila het meest robuust.

vrijdag 27 juni 2014

Een positieve ontwikkeling


Omdat onder het mom van "we benoemen alleen de ontwikkelingen" begrijpelijk een neutrale toon dient te worden aangehouden, zal ik het maar even vanuit een cultureel persepctief een zeer postitieve ontwikkeling noemen. Uit de resultaten van het Antenne onderzoek 2013 van Jellinek Preventie en het Bonger Instituut:

Het reguliere clubcircuit staat onder druk. Slimme jonge ondernemers organiseren feesten op alternatieve locaties, vooral buiten het centrum van de stad. Deze trend is al een tijdje aan de gang. In 2013 zien we een stroomversnelling en het sleutelwoord is nu: ‘rave’. Raves zijn kleine dance events die niet gebonden zijn aan een vaste locatie of een vaste avond. Ze variëren van kleine festivals tot semilegale feestjes, binnen of in de open lucht. Er zijn uitgaanders die zweren bij raves, andere gaan liever naar clubs. Maar deze circuits zijn niet strikt gescheiden: er zijn ravers die wel eens naar een club gaan en clubbers die ook raves bezoeken.
en:

De dosering van ecstasypillen was in 2013 historisch hoog: gemiddeld 148 mg MDMA per pil. Er was veel variatie in de dosering, maar bijna twee op de drie pillen (64%) waren hoog gedoseerd (> 140 mg MDMA).
 Eens kijken of dat beleefd duffe biersfeertje kan worden weggeblazen.

dinsdag 4 maart 2014

Amsterdam 1991 mix


Ik heb een tijd getwijfeld over een nieuwe “historische” mix. Waarom niet een tijd en plaats nemen waar ik zelf bij ben geweest? Parallel hieraan sleutelde ik aan een bijdrage voor Perfects.nl die ik voorrang heb gegeven omdat het een breder beeld geeft van popmuziek in 1991 (middenin zul je een reeks tracks vinden die met deze mix wordt uitgebreid.)

In zekere zin is dit een retorische mix omdat er een aantal zaken mee kunnen worden aangekaart. De toekomst verkennen is een ding, maar in hoeverre is dat mogelijk als de historische basis vervalst is. Amsterdam 1991 gaat om een verschuiving in house. En dat was gewoon house, de deling house – techno werd een aantal jaren later opeens gepropageerd, maar bestond toen nog niet. Techno was hoogstens een manier om een lokale variant van house uit Detroit mee aan te duiden. De verschuiving was geenszins typisch Amsterdams, maar de verharding van het geluid die vaak Rotterdams wordt genoemd, was ook in Amsterdam ingezet (of in Utrecht waar Underground Resistance destijds een legendarisch optreden gaf). Bovendien was het een verschuiving die internationaal op verschillende plaatsen werd ingezet. Quazar’s Seven Stars album uit datzelfde jaar begint met een DJ die Amsterdam tot “house capital of the world” uitroept, wat charmant is, maar als een stad aanspraak kon maken op die titel in 1991 was het Gent, thuisbasis van het R&S label (met o.a. Beltram, CJ Bolland, Human Resource).

Terug naar Amsterdam. In kraakpanden, Mazzo, Paradiso en vooral Subtopia (geleid door Jeroen Flamman en Jeff Porter/Abraxas) kon je wekelijks muziek horen veranderen. In de zomer van 1991 werd je als danser getuige van de mutatie van het Mentasm-geluid dat door Joey Beltram was geïntroduceerd, een metalig, zuigend geluid dat door talloze producers werd vervormd tot bizarre spiralen van plezier. En nu dat woord is gevallen, house was een onovertroffen plezier: feesten ademden een sfeer uit die mij altijd deed denken aan een speeltuin, een mengsel van fysieke spanning en ongegeneerde lol. Zonder zelfbewustzijn over verleden of toekomst, in het moment.

Dat moment is lang geleden verdwenen. De terugkeer van alcohol, de verkeerde commercie, gewenning en de versplintering in genres, doorbraken die collectieve toewijding aan het moment. De smartphone heeft, veel later, definitief een weg terug afgesloten. Er is altijd een realistische zijde van mij geweest die dat heeft geaccepteerd, popmuziek is op zijn sterkst in explosies van nieuwe vormen en dat eens in je leven meemaken is waarlijk leven. ‘The Realm’ van C’hantal wist het eloquent te verwoorden: an act of sensation with no limits or boundaries. En soms heb je gewoonweg geluk, heb je precies de juiste leeftijd in een vreemde periode. John Higgs in dat KLF boek verwoordt het zeer helder:
We can date the end of that era, what Hobsbawm called the ‘Age of Extremes’, to the end of the Cold War in 1991, and we can date the start of the information era to the first popular web browser in 1994. What, then, should we make of those years in between? They are boundary years, comparable to what anthropologists call a liminal state. They were a period when the old rules were gone, but before the new order was formed. They were a period, in other words, when normal certainties did not apply, when anything was possible and the strange was commonplace.
Let the bass kick.

zondag 30 juni 2013

Een uitweg voor routine: het vervolg

Dat is nog eens snel een hint oppikken: Amsterdams uitgaanspubliek gaat illegaal. Aldus Het Parool. Het verhaal wordt natuurlijk opgehangen aan de drugs, is ook gewoon een factor, net als die bezopen drankprijzen, maar ik vermoed dat er toch een groter plaatje is. Het zal toch niet zo zijn dat een groep mensen totaal uitgekeken is op de totaal gedeodoriseerde voorspelbaarheid? Gewoon iets nieuws willen? Ja, dat willen ze.

(Wel uitkijken met die social media hè. Oom Agent kent De Faceboek ook.)


zaterdag 8 juni 2013

Lezing Tent: complete tekst

Hier de tekst van de lezing die ik heb gegeven op 7 juni op Less Is More, More Or Less in TENT, Rotterdam. Met een aantal afbeeldingen die op de achtergrond werden gebruikt. Trouwe lezers/volgers zullen een aantal riffs herkennen.

Beauty In Decay




I

Jullie moeten me vergeven dat ik met een zeer Amsterdamse anekdote begin. Een tijd geleden stond ik met mijn oudste dochter te wachten op de tram bij de halte Spiegelgracht. Deze ligt recht voor de ingang van het Rijksmuseum. Opeens werd ik overmand door de vraag: hoeveel is er sinds mijn kindertijd (begin jaren zeventig) in dit straatbeeld veranderd? Er is ergens in de loop van de jaren zeventig een heel lelijk gebouw geplaatst tegenover het Rijksmuseum, de trams zijn van kleur veranderd, er zijn heel veel verkeersborden bijgekomen, aan het einde van de straat, naast Paradiso, is twintig jaar geleden een complex gebouwd…sommige gevels zijn schoongemaakt. En dat zijn ongeveer de belangrijkste verschillen. Een gevoel van tijdloosheid overmant je. Dat is zowel een veilig als onbehagelijk gevoel. Nu kun je zeggen: Amsterdam wil een openluchtmuseum zijn…maar dan is het alleen een meer extreme uiting van een cultuur die gevangen lijkt door het verleden.

Er worden nog steeds sondes richting de toekomst gestuurd maar ze lijken geen direct effect te sorteren aangezien het gewicht van het verleden steeds zwaarder drukt. Steeds meer artefacten, kunstwerken uit het verleden, die niets aan kracht hebben ingeboet, zijn beter in kaart gebracht, worden met zorg geconserveerd en compulsief overladen met betekenis. Wat zorgen baart, is wanneer een vorm uit het verleden steeds opnieuw wordt hergebruikt. Sommige creatieve gebieden zijn hier op het moment gevoeliger voor dan andere. Mode heeft zich uit een lange retrocyclus ontworsteld en laat met gebruik van de laatste technologieën en materialen meer nieuwe ideeën toe. De jurken van Iris van Herpen zijn het meest radicale voorbeeld, maar ook gevestigde merken als Balenciaga, Dior en Prada zijn op diverse manieren continu op zoek naar vernieuwing. Een alledaags merk als Nike heeft een perfecte balans gevonden waarin het zijn klassieke modellen respecteert maar ook lijnen lanceert die specifiek gericht zijn op innovatie.

 Literatuur en muziek zijn echter bijna tot stilstand gekomen terwijl er meer muziek wordt gemaakt, meer wordt geschreven dan ooit te voren. In zijn boek Retromania heeft de popcriticus Simon Reynolds uitputtend geanalyseerd hoe de hedendaagse situatie van met name popmuziek een uitkomst is van historische trends. Retrobewegingen en revivals zijn al lange tijd actief. Postmoderne nostalgie kende met het White Album van The Beatles al in 1968 het startsein. Het probleem is dat het verleden de afgelopen jaren alles dreigt te overwoekeren.

 Een belangrijke oorzaak van deze situatie is dat een deel van de creatieve industrie wat betreft internet een adaptatiefase heeft doorgemaakt. Het is onder druk komen te staan, op economisch niveau angstig geworden en richt zich op wat zekerheid biedt. Dat wat al succes heeft gekend. Het belangrijkste product is de eindeloze heruitgave. Eerst als remaster, vervolgens als boxset met alle studiotakes en alternatieve versies, dan als ultieme jubileumcollectie. Daaraan gelieerd is het fenomeen van artiesten die concerten geven waar ze hun beroemdste album integraal spelen. Ook voormalige leiders van de underground als Sonic Youth en Pixies hebben dit model klakkeloos gevolgd. Op deze manier ontstaat een museumficatie van de complete cultuur inclusief genres, als popmuziek, die traditioneel volgens een andere, namelijk vernieuwende dynamiek functioneerde.






Waarom is dit problematisch? Museumficeren van popmuziek uit de jaren ’60, punk, rave… maar ook de radicalere kunstbewegingen als Dada, Surrealisme en het Futurisme is uiteindelijk een verraad plegen aan de kern hiervan. Het verlangen naar een opening, een nieuwe manier van zien of luisteren. Daarnaast is een obsessie met het verleden een karakteristiek onderdeel van de conservatieve politiek. Churchill, Thatcher maar ook Fortuyn, Balkenende en Wilders spraken en spreken graag over een terugkeer naar een verloren staat waarin de maatschappij op alle niveaus overzichtelijk was en schijnbaar perfect werkte. Vernieuwende cultuur zal altijd dit mythische evenwicht doorbreken. Retro neigt naar politiek conservatisme maar inmiddels is het hele politieke spectrum ermee geïnfecteerd: is men ook nostalgisch naar breed maatschappelijk engagement, solidariteit en wenst men bij de recente kroning óók rellen, zoals in 1980. Een overkoepelende retrocultuur is uiteindelijk problematisch omdat we ons op het moment niet op een maatschappelijk optimum bevinden om op stil te staan en zelfgenoegzaam terug te kijken…en vooral niet politiek en cultureel.

 Een mogelijke oorzaak van retromania is zogenaamde future shock zoals de futurist Alvin Toffler het in 1970 in zijn gelijknamige boek beschreef. Zijn argument is dat door een groot aantal technologische veranderingen in te korte tijd, we gedesoriënteerd raken en teruggrijpen naar de zekerheden van het verleden. Een reflex. En die reflex kan onder andere worden overwonnen door juist creatief mee te bewegen met verandering. Dit kan echter mogelijke valkuilen herbergen. Wat is immers makkelijker dan te zeggen “oh, dan gebruiken we de laatste technologieën voor het maken van kunst.” Dit is inderdaad wat in mode nieuwe paden creëert maar in muziek is de computer steeds meer een gevangenis die eindeloze mogelijkheden schenkt maar juist uniforme resultaten produceert.

Het gaat ook om een mentaliteit. Ik gebruik zelf graag de microblogsite Tumblr als een soort moodboard waarmee je op eenvoudige wijze een netwerk kunt bouwen van mensen met eenzelfde interesse en smaak. De afbeeldingen die hier worden geprojecteerd zijn bijvoorbeeld bijna allemaal de afgelopen jaren via Tumblr verzameld. Wat mij opvalt wanneer ik verdwaal door Tumblr is dat veel tieners geobsedeerd zijn door de esthetiek van de jaren ’60, 70 en 80. Als esthetische leerschool is dit geweldig, ze beschikken over een basiskennis van beelden waar ik op dezelfde leeftijd alleen maar van kon dromen. Maar waar leidt deze kennis toe? Blijft men in een nostalgische dagdroom hangen van een tijd die nooit is geleefd en niet zal terugkeren? Of daagt deze kennis uit tot de formatie van nieuwe vormen? En krijgen jongeren daar wel de kans toe? Er zijn bijvoorbeeld jonge muzikanten die gepikeerd reageren wanneer ze worden aangesproken op het feit dat ze teveel in het verleden duiken. Dat graven in het verleden zijn gradaties in aan te brengen maar het gevaar bestaat dat men elkaar teveel op de vingers kijkt. A watched pot never boils zegt het Engelse spreekwoord, helemaal als miljoenen continu de pan in de gaten houden. Een zekere afstand bewaren in plaats van continu hypen en helpen zou een gezonde situatie vormen. De huidige sociaal-technologische constellatie maakt dit echter vrijwel onmogelijk.


II

Uiteindelijk zal de museumficatie tevergeefs zijn. Neem een iconisch schilderij als De Nachtwacht in gedachte. En laten we nu een sprong in de toekomst nemen. Over ongeveer vier miljard jaar zal het Andromeda sterrenstelsel botsen met ons melkwegstelsel. De zwarte gaten die het centrum vormen van beide stelsels zullen om elkaar heen draaien en uiteindelijk samen een zwart gat vormen dat het centrum zal zijn van een nieuw sterrenstelsel. Wat dit precies zal betekenen voor de Aarde is onduidelijk maar dat maakt uiteindelijk niets uit. Over ongeveer 1.4 miljard jaar is het leven op aarde onmogelijk geworden omdat de zon steeds feller zal schijnen voordat deze weer veel later uitdooft. Over het lot van de mensheid zelf is veel minder zekerheid te geven. Wellicht zullen we evolueren en nog tienduizenden jaren verder leven. Gezien de manier waarop we met de planeet omgaan, zal de mensheid eerder uitsterven. En sommigen hangen het idee aan dat de mens al deze eeuw in een synthese met technologie opgaat en als homo sapiens zal verdwijnen. Ondertussen is het steeds onwaarschijnlijker dat een enkele mens ooit ons zonnestelsel zal verlaten.



Wat betekent dit voor De Nachtwacht? Het lijkt een mooie inspiratiebron voor romantische sciencefictionverhalen. Bijvoorbeeld een interplanetaire exodus van de beroemdste kunstwerken richting een maan van Jupiter, totdat de omstandigheden er zo ongunstig zijn dat verder moet worden getrokken. Om uiteindelijk te eindigen op een buitenaardse kunstmarkt. Welke kunstwerken zouden worden uitgekozen om mee te gaan op deze tocht? Wie beslist dit?... Waarschijnlijker is dat De Nachtwacht altijd op Aarde blijft en dus zal vergaan. In een aantal scenario’s zal het in een leeg museum hangen omdat er geen mens meer bestaat om het te bekijken. Misschien zal het Rijksmuseum onderlopen en het schilderij zijn verhuist naar een hoger gelegen museum als het Louvre. Tot die tijd zal De Nachtwacht keer op keer worden gerestaureerd totdat er geen enkele molecuul meer overblijft die door Rembrandt zelf is aangebracht. Het is een simulacrum geworden.

Een angst dat kunst verloren zal gaan, gekoppeld aan een excessief conservatieproces, vergt op lange termijn enorm veel energie. Terwijl een vitale cultuur verjonging nodig heeft. De realiteit is dat we niet beide kunnen bolwerken. In ieder geval is een ander balans nodig tussen bewaren en verkennen. Hoe is dit te bewerkstelligen? Een mogelijkheid is het stimuleren van een soort hernieuwde vorm van romantiek, een technoromantiek die schoonheid in verval ziet en accepteert. Waarom fascineert Blade Runner ons na al die jaren nog? Omdat de film een beeld schetst van een stad die zowel creatief is als onderhevig aan aftakeling. Dit Los Angeles is niet altijd een pretje om in te wonen maar het is spannend, in beweging, ondanks het belang van herinneringen heeft het verleden geen grip op de stad en bewoners.

Verval is psychisch “gezond” in vergelijking met een maatschappij die risico’s probeert uit te bannen. Verval is op een dieper niveau een onontkoombare realiteit, we vechten onbewust tegen de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat elk systeem neigt naar wanorde. Onze lichamen vechten hier tegen, het complete evolutieproces doet dit totaal doelloos. Maar uiteindelijk zal ook het universum naar alle waarschijnlijkheid een zogenaamde staat van warmtedood bereiken, waar alle materie als het ware uit elkaar is gevallen. Dat is geen tragedie want de kosmos bevindt zich in een continue staat van vernietiging en wedergeboorte. Stervende sterren verspreiden in hun laatste ontploffing het materiaal voor de geboorte van nieuwe sterren. Het accepteren van de relatie tussen verval en creatie heeft een aantal dimensies die wellicht ook helpen om het gevoel van retromania te doorbreken.

Wanneer we aan steden denken waar ooit sterke creatieve scenes opbloeide denken we aan de jaren zeventig waar Londen, Amsterdam, West-Berlijn en vooral New York in verschillende gradaties in verval raakten. De middenklasse verhuisde naar buitenwijken terwijl de financiële centra en musea gewoon bleven functioneren. New York was rond 1975 zowel een middeleeuwse stad met wolkenkrabbers als het financiële centrum van de wereld. In dat spanningsveld van macht, geld, verval en kunst ontwikkelden zich allerlei nieuwe vormen. Het meest radicale voorbeeld blijft echter Detroit. Detroit is vaak een spookstad genoemd, een voorbeeld van hoe de toekomst van elke grote stad er uit zal zien. Maar het was tot de jaren zestig een bloeiende industriestad. Na de rassenrellen van 1968 en de groeiende concurrentie van de Japanse auto-industrie liep Detroit leeg en is daar ondanks talloze lokale initiatieven nooit van hersteld. Het is ook de stad waar techno, waarschijnlijk de laatste muzikale avant-garde, is ontstaan. Een sterke kunst die als noodzaak zich ontworstelt uit de puinhopen en voedt op vergeten dromen.

         Het probleem is natuurlijk dat je een dergelijke creatieve stad in verval niet kan plannen als een soort laboratorium. Detroit is door Amerikaanse overheden aan zijn lot overgelaten vanuit racistische motieven en economische desinteresse. Het is niet iets dat men in de Westerse wereld buiten de Verenigde Staten snel op eenzelfde schaal zal nadoen. Margret Thatcher heeft ooit overwogen Liverpool aan zijn lot over te laten maar dat was blijkbaar toch een brug te ver. Ironisch genoeg zijn het niet stadscentra die verder in verval zijn geraakt, want deze zijn de laatste 25 jaar vrijwel allemaal opgeknapt en herboren als culturele centra die bedrijven en hoge inkomens aantrekken. Het zijn de lokale buitenwijken waar de middenklasse in de jaren zeventig naar vluchtte die vaak in verval zijn geraakt. Dit kan uiteenlopen van de beruchte Parijse banlieue tot het meer bescheiden Bijlmermeer, voorbeelden van complexen waar de originele planning teniet wordt gedaan en een eigen plan wordt getrokken. Wat zij echter missen is de nabijheid van financiële centra, galerieën en musea om een zekere esthetische dynamiek te genereren. Verval is hier afgeschermd in een vaak gewelddadig reservaat met een eigen creativiteit onzichtbaar voor het zoeklicht van media. Totdat een representant van de gevestigde cultuur zich erin interesseert en elementen gebruikt. Waarna de authenticiteit die we verlangen als in een tragedie verdwijnt. Het schoolvoorbeeld is Diplo. Een DJ/producer die graag inspiratie opdoet in de sloppenwijken van Rio de Janeiro en vervolgens zijn muziek volstopt met favela funk. Ongetwijfeld met de beste intenties maar in de vertaling gaat iets, noem het aura, verloren.


III

We zijn gewend geraakt aan het idee dat Nederland af is en dat alles, ook creativiteit gepland is en precies zijn plaats in de maatschappij en de stad krijgt toebedeeld. De vraag is hoe lang dit nog realistisch is vol te houden. Nederland heeft moedwillig de boot gemist op het gebied van duurzame energie en gaat daar de komende decennia de prijs voor betalen. De huizenmarkt en vooral speculatie met kantoorgebouwen zal waarschijnlijk ook niet terugkeren naar de niveaus van voor 2008. Het is niet ondenkbaar dat Nederland tijdelijk weer in een emigratieland zal veranderen. Verval zal lokaal, zonder planning, verschijnen en ik vermoed dat in de spanning die hier ontstaat creatieve openingen mogelijk zullen zijn.



Kan het verleden op een andere, minder naargeestige, wijze worden vermeden? Er is een mogelijkheid dat retroculturen op Hegeliaanse wijze een soort onontkoombare antithese vormen van modernistische bewegingen als punk en techno.  Waarna een volgende synthese onvermijdelijk zal plaatsvinden. De eerste signalen hiervoor worden steeds duidelijker zichtbaar. Het is tegenwoordig wanneer we het over de toekomst van creativiteit hebben haast een verplichting om het over de Maker cultuur te hebben. Het netwerk van digitaal ambacht dat door de meer enthousiaste vertegenwoordigers als een nieuwe industriële revolutie wordt gezien. Het icoon van de Makers is de 3D-printer, waar ik zelf nog sceptisch over ben omdat het, naast hele handig oplossingen voor het maken van specifieke onderdelen, vooralsnog vooral meer plastic troep belooft. Maar de belofte van de Maker cultuur gaat meer om het bieden van een alternatieve creativiteit en een dialoog over de mogelijkheden van een aantal nieuwe technologieën als lasersnijders en robots die steeds betaalbaarder worden. Daarnaast biedt de Maker cultuur nieuwe modellen en manieren om samen te werken. Minder bedrijfsmatig en op 20ste eeuwse managementfilosofie gebaseerd met zijn eeuwige mantra van efficiëntie. Meer op de praktijk van de werkplaats. Meer ook gericht op het vrij uitwisselen van informatie. Dit gebeurt met behulp van een eigen infrastructuur van tijdschriften, festivals, galerieën en creatieve laboratoria.

Hoogstwaarschijnlijk zal de 3D-printer een primitieve tussenvorm zijn, een stap richting nu nog moeilijk voor te stellen machines en artefacten. En dan zullen we in 2040 ongetwijfeld nostalgisch terugblikken op de jaren ’10, het hoofd brekend over de moeite die het kost om vintage Facebook pagina’s van digitale rot te behoeden.