De museumificatie van house, ze hadden het niet zo letterlijk hoeven nemen. Maar ergens een logische uitkomst van een proces dat ik voor het eerst ontwaarde in 2004 toen ik Jeff Mills en Laurent Garnier in Paradiso samen een set hoorde draaien van louter klassiekers.
(Rembrandt District is natuurlijk een abominatie, een marketingfantasie.)
Ik ben nooit in De School geweest. Mijn jonge collega’s gaan er graag naar toe en ik vind dat ze hun plek moeten hebben zonder een “vroeger was het allemaal beter” zeur in de buurt. Allemaal onpretentieuze figuren overigens die gewoon van feesten en goede dansmuziek houden, als Amsterdammers altijd wat te klagen hebben maar over het algemeen wel tevreden lijken te zijn over de club. Ik heb dus geen enkele emotionele investering in De School, los van een algemene interesse in de staat van muziek en het Amsterdamse clubleven. Maar sinds kort rommelt het rond De School. Ik hoef het niet samen te vatten, dit artikel van 3Voor12 legt het piekfijn uit.
Persoonlijk denk ik dat de leiding dit het beste had kunnen negeren en de storm laten overwaaien. Er komt altijd, meestal binnen een paar dagen, een nieuwe hype om je boos over te maken. Nu de club toch gesloten is, had men in stilte aan een voorzichtige heroriëntatie kunnen werken met een residency voor DJ Stingray. Maar los van strategie, mis ik in de analyses het benoemen van een dieper probleem.
De School is grotendeels een kopie van de beroemde Berlijnse club Berghain, wat bij mij in eerste instantie irritatie oproept. Kunnen Nederlandse hipsters weer niet zelf iets verzinnen? Maar als je even rustig in- en uitademt komt de gedachte op: nou en? Succesvolle clubs zijn altijd gekopieerd, niemand vindt het wiel opnieuw uit en echte innovaties zijn schaars, zeker onder de genadeloze dictatuur van het neoliberaal-entertainment-complex. Is De School elitair? Waarschijnlijk wel, maar dat iets bestaat, een creatieve ruimte, waar niets was, is al een prestatie op zich. Het vormt een hele specifieke sociale constructie met bepaalde regels, verwachtingen en omgangsvormen. En die moet matchen met jouw, hier ga ik hardcore sociologie, habitus. Eigenlijk is het enige deurbeleid dat een ware aristocratie nodig heeft iemand met een teller zodat je weet wanneer het te vol raakt.
De School is duidelijk niet de vijand. Het is een exponent van een hyperreële, 21ste eeuwse clubervaring waar ik geen feeling mee heb, maar dat heb ik ook niet met talloze festivals die een bepaalde lifestyle met heel veel bier en biologisch eten verkopen. En daar ligt al een tijd een van de problemen. House is wat mij betreft in de basis een egalitaire muziek, die de relatie tussen artiest en publiek deconstrueert en de collectieve ervaring belangrijker acht dan financieel gewin. Open voor iedereen, minimale security, openlijk drugsgebruik mocht je daar behoefte aan hebben, een plek om te kunnen verdwijnen uit de dagelijkse sleur, ontsnappen aan de druk van het panopticon en het continu ophouden van maskers. Het moet in principe voor iedereen toegankelijk zijn zoals een van de canonieke teksten, ‘My House’ van Chuck Roberts, vastlegde: “You may be black, you may be white; you may be Jew or Gentile. It don't make difference in our House.” Clubs die hier tegen zondigen zijn de moeite gewoon niet waard, nooit geweest ook. De logische conclusie is dan om te stellen dat je zelf een beter feest moet organiseren, dat wat Multigroove begin jaren ‘90 daadwerkelijk deed als antwoord op het snobisme van de Roxy. Maar dat waren andere tijden.
Want het ware probleem is de neoliberale stad, gericht op het maximaliseren de geldstromen van toerisme en de consumptie-ervaring, het wegdrukken van mensen met een laag inkomen, gevolgd door die met een middeninkomen. Het wordt steeds lastiger om alternatieve clubs te beginnen en de neoliberale stad duldt geen onbestemde gebouwen waar zulke feesten kunnen plaatsvinden want ongebruikte ruimtes zijn economisch een doodzonde. De politie zal altijd de hoogste prioriteit geven aan het stoppen van feesten in dit soort overgebleven ruimtes. De School is voorlopig een plek gegund in deze constellatie maar laat er geen twijfel over bestaan: het Amsterdamse stadsbestuur functioneert primair in dienst van projectontwikkelaars en zal wanneer het de kans krijgt De School laten platwalsen voor een hotel of een ander high-end project om fout geld in te pompen. Kortom, kies je vijanden en doelwitten zorgvuldig, straks ben je nostalgisch naar je schooltijd
Een nieuwe controverse in de wereld van, ja van wat, house, techno...dance? Daar kom ik nog op terug. Eerlijk gezegd had ik alleen zijdelings van het Giegling label gehoord (een jonge collega is liefhebber en krijgt pretoogjes als weer een 12-inch in gelimiteerde editie kan worden besteld) en van Konstantin al helemaal niet (bewust). Maar al snel werd via social media een fragment uit een interview met Groove gedeeld, dat in eerste instantie prettig wegleest met zijn ideeën over Der Weimar-Spirit, maar waaruit op een gegeven moment blijkt dat de DJ/producer een seksistische hufter is. In het huidige tijdsgewricht kun je vervolgens ten onder gaan aan een soort online heksenjacht, wat een gevaarlijk fenomeen is, al helpen de laffe nepexcuses, waar men tegenwoordig in is gespecialiseerd, niet echt.
De controverse heeft denk ik een aantal interessante implicaties. De (domme) ideeën van Konstantin passen helaas naadloos in het huidige narratief van de blanke man die zich op een aantal vlakken onder druk voelt gezet. De broflake ziet in sommige gevallen spoken, maar in andere heeft hij gewoon te maken met een reële correctie op een eeuwenlange dominantie. Die correctie is al decennia aan de gang, maar blijkbaar worden de effecten van dekolonisering, feminisme, rechtsgelijkheid nu echt invoelbaar. Konstantins woorden verrassen daarom niet echt, zijn eigen utopie lijkt te worden doorprikt.
Maar zouden zijn woorden minder erg zijn als ze door een artiest in een ander genre werden geuit? En wat zegt dat over de relatie tussen de artiest (of denker), zijn werk en politieke gedachten? Om een voorbeeld te geven: Burzum beschouw ik als een meester in zijn genre terwijl ik, enigszins ongemakkelijk, zijn paganistisch-nationalistische ideeën accepteer. Maar in black metal weet je van te voren waar je aan begint. In house en afgeleiden ligt dit veel moeilijker. Dat heeft te maken met de oorsprong van house als een thuis/bescherming voor iedereen, een veilige haven, hoe tijdelijk, die voor minderheden in Chicago van groot belang was. ‘My House’ (1988) van Fingers Inc was en is nog steeds het statement:
Dit idee van universele acceptatie werd in Europa een aantal jaren, met als motor ecstasy, voortgezet als de knuffelutopie van acid en rave. Na 1991 volgde het uiteenvallen van de eenheid in verschillende subgenres die sindsdien zijn geëvolueerd en hun eigen kenmerken vormen, met daarbij horende (vaak onbewuste) sociale uitsluitingsmechanismen. In Duitsland is er altijd een potentieel geweest om van house een lokale volksmuziek te maken en de beruchte woorden van Mark Spoon op MTV (“the blacks have their hip hop and us whites have our techno”) gaven op botte wijze een breuk weer die met een aantal andere ontwikkelingen dansmuziek steeds minder aantrekkelijk hebben gemaakt en uiteindelijk types als Konstantin voortbrengen, een soort kinderlijke dictators die een fantasiebubbel scheppen.
En toch, ik kan me niet voorstellen dat Ricardo Villalobos of de artiesten van Kompakt zulke uitspraken zouden doen. Wat is dan het verschil? Is die wat vale Duitse deephouse een inherent fout genre? En kun je sociaalpolitieke ideeën in muziek herkennen? Dat is een vraag die al meer dan eeuw speelt ten aanzien van Richard Wagner en de vraag of zijn antisemitisme doorsijpelt in zijn muziek. En zo niet, kun je met die wetenschap toch genieten van zijn muziek? Ik denk van wel, zoals Voyage au bout de la nuit uiteindelijk een klassieker van de literatuur is, zonder dat Céline’s politiek achtergrond hier ook maar iets aan kan veranderen. Hoe groter de artiest, hoe sterker zijn kunst zijn politieke beelden tenietdoet. Wat dat betreft is het een geluk dat Hitler een middelmatige schilder en schrijver was. Het is een interessant en waarschijnlijk onbehagelijk denkexperiment om je Hitler voor te stellen als een geniaal schilder, een Picasso die toch besluit om het politieke pad te kiezen*.
* Ik noem het voorbeeld niet toevallig. Hitler speelt een aparte rol in China Miéville's The Last Days of New Paris, een fascinerende novelle over politiek en kunst.
Ultimately, however, it is the image of the artist, alone at night in his own studio, with the machines warmly glowing, the record button permanently on with nothing but themselves and their imagination, having the freedom and technology to be creative, that the Detroit techno ethos takes musically from Prince.
Technoproducer Kirk Degiorgio schreef een mooi artikel voor The Wire over de invloed van Prince op Detroit techno, met misschien als grootste verrassing het feit dat de 14-jarige Hawtin fan was. Het is een fascinerend onderwerp waar men nog veel dieper op in zou moeten gaan. Zaterdag was ik in de Progress Bar waar tussen alle krakende en piepende electronica opeens 'When Doves Cry' verscheen, wat ik nooit op zulk volume had gehoord en nog steeds buitengewoon vreemd klinkt (vreemder dan alles wat er aan avant-gardistische electronica omheen werd gedraaid.) Eerder werd ik gewezen op de manier waarop Felix Da Housecat 'Erotic City' in een mix verwerkte, wat op zich niet hoeft te verbazen, dit was immers de vrijheid die electroclash zich toe-eigende, om dansmuziek meer te openen voor andere invloeden ('Dirty Mind' en 'America' hoor ik nu ook als mogelijk mixbaar.)
Wat me weer doet denken aan die andere Chicago-producer die in de laatste jaren in de vergetelheid dreigt te raken, Green Velvet. Drie geleden bracht hij een single uit waarvan de naam mij altijd is bijgebleven maar die ik nooit had beluisterd, 'Bigger than Prince', meer Green Velvet dan Prince uiteindelijk, al is er een moment dat je via The Black Album-minimalisme, een soort aanzet hoort tot een rave Prince (wellicht dat het archief van Prince voor verrassingen kan zorgen, al vermoed ik dat we daar uiteindelijk weinig van gaan horen.)
Ik kreeg een tijdje geleden van een vriend het boek Amsterdam: A History of the World’s Most Liberal City en toen ik er eenmaal aan begon, heb ik het in hoog tempo uitgelezen. Soms maakt een buitenstaander veel duidelijk. Relatieve buitenstaander want Russell Shorto, directeur van het John Adams Instituut, woont al een tijd in de stad. Vreemd hoe dat gaat, om opeens je eigen nieuwsgierigheid, antiautoritarisme en tolerantie in historisch perspectief te zien, een traditie. Als Amsterdammer vormt het boek dan ook een injectie van trots, want de stad wordt gepresenteerd als bron van ongeveer alle vooruitgang op het gebied van ideeën sinds de Renaissance.
Tegen het einde moet Shorto er wat snel een einde aan maken en springt hij van begin jaren zeventig (“But in Amsterdam, the 1960s didn’t end.”) rap naar multicultureel drama gejammer. Wat hierdoor gemist wordt, is een periode die ooit de geschiedenis zal ingaan als een mini-Gouden Periode, namelijk de jaren negentig, waarin mogelijk de zaden werden geplant voor een echte continuïteit van de Amsterdamse Cultuur. Ik vond het vrij opvallend dat Shorto, die vrijwel overal in meegaat en zich uitstekend heeft gedocumenteerd, het fenomeen kraken totaal niet begrijpt en ook de Nieuwmarktrellen vergeet. Zonder dat laatste en de verijdelde plannen om autowegen dwars door de stad te leggen, was Amsterdam veel van zijn museale charme kwijtgeraakt. Het kraken zou in 1980 natuurlijk een synthese vormen met eeuwenlang anti-Oranjesentiment, maar veel belangrijker een soort reset van de stad forceren. Het is nu moeilijk voor te stellen maar Amsterdam was in 1990 een soort kinderloze stad, klaar voor een hergeboorte. Toen datzelfde jaar een aantal Ajaxspelers tijdens het kampioenfeest op het Leidseplein “Hasj, coke en pillen!” scandeerden, was dat een bevestiging van iets dat al een paar jaar broedde.
Een jaar later begint het album Seven Stars van Quazar met een radio-DJ die opmerkt dat alle tracks in de dancelijst “upbeat housetracks” zijn om te concluderen “Because as we know Amsterdam is house nation of the world.” De stad beschikte op dat moment over een geweldige verzameling platenwinkels en het was eenvoudig om housefeesten te organiseren, vaak in kraakpanden die veel toegankelijker waren dan de snobistische discotheken. De lokale chemici verhoogden de productie met hoogwaardige formules. En Quazar noem ik niet per ongeluk want wat het geheel afmaakte was Gert van Veen, lid van Quazar, maar ook muziekjournalist voor De Volkskrant. Elke vrijdag kon je vol verwachting de muziekpagina van de krant openslaan waar Van Veen compromisloos de laatste houseplaten recenseerde. Een aantal grotere artikelen en interviews uit die tijd (waaronder een zeer vroeg gesprek met Underground Resistance) bundelde hij tot Welcome to the Future wat een goed tijdsbeeld geeft, maar niet de kick kent van die vers-van-de-pers informatie (grotendeels pre-internet nog) waarmee hij de lokale ideoloog van house werd.
Langzaam zou de stad transformeren, in veel aspecten moderniseren en op een conventionele manier leefbaarder worden (de kinderwagens keerden zowaar terug.) De euforie van house zou kanaliseren tot een gereguleerde industrie. De lol van lachgasbalonnen voor een piek tijdens de eerste Awakeningsfeesten in de Westergasfabriek met lekkend dak zou stilletjes verdwijnen. De benoeming in 1994 van verdwaalde zedenprediker Schelto Patijn tot burgemeester hielp niet. Ik herinner me nog een feest in Paradiso rond die tijd waar de VJ een animatie projecteerde van Patijn die op de beat met zijn vingertje wees. Niemand trok zich er wezenlijk iets van aan, maar de tweede helft van de jaren negentig kende een andere sfeer, minder euforisch, meer gedreven door nieuwsgierigheid (de acceptatie van jungle) en een samengaan met opkomend internetoptimisme.
In 2000 vertrok Van Veen bij De Volkskrant. Zijn taak zat er duidelijk op. Wat betreft muziek maakte de krant een contrareformatie door naar onversneden rockisme die vreemd genoeg de bredere reactionaire omslag van de krant aankondigde. Internet zou de verspreiding van informatie over muziek, snel gevolgd door muziek zelf, overnemen. Ik denk dat voor Amsterdam daarna cultureel een zekere windstille periode aanbrak waar men collectief geen raad mee wist (house was natuurlijk nooit alleen maar dansmuziek, maar een complete technologische levensstijl/ideeënstroom.) De oude discotheken werden een voor een gesloten (of brandde af) en het continuüm Club 11 – Trouw (en nu De School) moest de vlam levend houden, inmiddels voor een nieuwe generatie. Het is allemaal wat kalmer, in zichzelf gekeerd en wellicht geciviliseerder.
Toch denk ik dat Amsterdam er beter voor staat dan vijf tot tien jaar geleden. Ondanks het gezeik op toeristen en hipsters leeft de stad meer. In zekere zin lijkt Amsterdam zich op te maken voor een technologische sprong die de komende decennia gaat plaatsvinden en waarvan de informatiestructuur met de AMS-IX en supersnel Internet al jaren geleden is gelegd. Na het lezen van Shorto’s boek lijkt het me duidelijk dat Amsterdam zich als digitale vrijhaven moet profileren, een volgende en onvermijdelijke transformatie van het traditionele mengsel van vrijheidsdrang en zakelijkheid. Een baken dat een alternatief vormt voor Haagse paranoiabureaucratie en daarachter opererende Angelsaksische controlestaten. Kortom, Amsterdam moet zichzelf de oceaan van silicium toe-eigenen. Die haar altijd heeft toebehoord.
'Trouwen doe je niet alleen' het artikel van Joris Talens is wat mij betreft met teveel toewijding geschreven om even met een retweet door te geven.
Is de les nu dat elke club een uiterste houdbaarheidsdatum moet
hanteren? Dat lijkt me radicaal. Het succes ligt veel meer in hoe de
club die eindigheid heeft ingevuld en hoe het publiek dat heeft ervaren.
Ik zou opteren voor een herwaardering van gezamenlijke momenten, te
realiseren dat alles in je leven heeft geleid tot exact dit moment. Elke
avond is eindig! Hier, weer een seconde voorbij. En dat te vieren, vrij
van oordeel en cynisme.
Dit is overigens niet mijn ervaring. Ik vond Trouw vooral afstandelijk en vond het nooit in de buurt komen van hoe ik, zeg maar de rave-ervaring graag zie, die zo in de tijd is ingebed dat deze toch nooit meer terugkeert. Club 11 leidde aan hetzelfde euvel en vreemd genoeg zijn de beste ervaringen in beide clubs sets van James Holden geweest, wat me doet twijfelen of het gebouw er uiteindelijk zoveel toe doet en ik vooral de, komt-ie, mainstream-underground dansmuziek niet meer zo interessant vind (de rest is haarfijn uitgelegd in hoofdstuk twee van De Toekomst Hervonden). Maar dat maakt verder niet uit, ik ben al blij met een niet-cynische interpretatie.
Ik heb een tijd getwijfeld over een nieuwe “historische” mix. Waarom niet een tijd en plaats nemen waar ik zelf bij ben geweest? Parallel hieraan sleutelde ik aan een bijdrage voor Perfects.nl die ik voorrang heb gegeven omdat het een breder beeld geeft van popmuziek in 1991 (middenin zul je een reeks tracks vinden die met deze mix wordt uitgebreid.)
In zekere zin is dit een retorische mix omdat er een aantal zaken mee kunnen worden aangekaart. De toekomst verkennen is een ding, maar in hoeverre is dat mogelijk als de historische basis vervalst is. Amsterdam 1991 gaat om een verschuiving in house. En dat was gewoon house, de deling house – techno werd een aantal jaren later opeens gepropageerd, maar bestond toen nog niet. Techno was hoogstens een manier om een lokale variant van house uit Detroit mee aan te duiden. De verschuiving was geenszins typisch Amsterdams, maar de verharding van het geluid die vaak Rotterdams wordt genoemd, was ook in Amsterdam ingezet (of in Utrecht waar Underground Resistance destijds een legendarisch optreden gaf). Bovendien was het een verschuiving die internationaal op verschillende plaatsen werd ingezet. Quazar’s Seven Stars album uit datzelfde jaar begint met een DJ die Amsterdam tot “house capital of the world” uitroept, wat charmant is, maar als een stad aanspraak kon maken op die titel in 1991 was het Gent, thuisbasis van het R&S label (met o.a. Beltram, CJ Bolland, Human Resource).
Terug naar Amsterdam. In kraakpanden, Mazzo, Paradiso en vooral Subtopia (geleid door Jeroen Flamman en Jeff Porter/Abraxas) kon je wekelijks muziek horen veranderen. In de zomer van 1991 werd je als danser getuige van de mutatie van het Mentasm-geluid dat door Joey Beltram was geïntroduceerd, een metalig, zuigend geluid dat door talloze producers werd vervormd tot bizarre spiralen van plezier. En nu dat woord is gevallen, house was een onovertroffen plezier: feesten ademden een sfeer uit die mij altijd deed denken aan een speeltuin, een mengsel van fysieke spanning en ongegeneerde lol. Zonder zelfbewustzijn over verleden of toekomst, in het moment.
Dat moment is lang geleden verdwenen. De terugkeer van alcohol, de verkeerde commercie, gewenning en de versplintering in genres, doorbraken die collectieve toewijding aan het moment. De smartphone heeft, veel later, definitief een weg terug afgesloten. Er is altijd een realistische zijde van mij geweest die dat heeft geaccepteerd, popmuziek is op zijn sterkst in explosies van nieuwe vormen en dat eens in je leven meemaken is waarlijk leven. ‘The Realm’ van C’hantal wist het eloquent te verwoorden: an act of sensation with no limits or boundaries. En soms heb je gewoonweg geluk, heb je precies de juiste leeftijd in een vreemde periode. John Higgs in dat KLF boek verwoordt het zeer helder:
We can date the end of that era, what Hobsbawm called the ‘Age of Extremes’, to the end of the Cold War in 1991, and we can date the start of the information era to the first popular web browser in 1994. What, then, should we make of those years in between? They are boundary years, comparable to what anthropologists call a liminal state. They were a period when the old rules were gone, but before the new order was formed. They were a period, in other words, when normal certainties did not apply, when anything was possible and the strange was commonplace.
Wanneer je zoiets bekijkt valt helemaal op hoe onpsychedelisch de 21ste eeuw tot nu toe is. Een grootscheepse drooglegging van de geest en die fantasieloze dance-infrastructuur helpt er als een stel laffe collaborateurs aan mee.