J.G. Ballard - Selected Non-Fiction 1962-2007, edited by Mark Blackclock (The MIT Press, 2023. ISBN 978-0-262-04832-3)
dinsdag 19 december 2023
De 20ste eeuw in de achteruitkijkspiegel
woensdag 8 maart 2023
ae: een handreiking aan de fantasie (draft 7.30)
Een uitstekend moment om dit artikel dat ik destijds voor De Subjectivisten schreef enigszins geremastered en met een bonustrack te publiceren.
0. autechre are original hardcore niggaz who dont need winking indie organ riffs and shit in their songs
zoals gelezen op I
Love Music
xylin room: ik ben een astronaut die is neergestort op een onbekende planeet waar ik noodgedwongen een nieuw leven moet beginnen, voor altijd afgezonderd van de mensheid. Het is een droge planeet. Wit. Ik woon bij een meer gevuld met een mysterieuze zilveren vloeistof. De waterspiegel is altijd glad. Over het oppervlakte rollen talloze vreemde insecten, de enige bewoners van deze wereld. Er is niks te doen behalve jezelf overgeven aan pure nostalgie. In de glinstering van het meer verlies ik mezelf in dagdromen, herinneringen aan dansen. 1991. Rave.
2. Draft 7.30 is gestoken in de mooiste hoes sinds Amber.* De abstractie tot haar logische conclusie uitgewerkt. Geen digitale lelijkheid meer maar drie balken: Groen/Licht Groen/Zwart-Wit Gestreept. Suggestie van een orde die voorbij de directe waarneming ligt. Symbool voor de muziek van Draft 7.30? Of herinneringen aan jaren zeventig behang? Verlopen futurisme.
(* Dat bleek uiteindelijk de hoes van de promo-cassette te zijn. Pas jaren later ontdekte ik tot mijn afgrijzen de werkelijke hoes, ironisch genoeg mijn minst favoriete Autechre-hoes en heel digitaal.)
IV VV IV VV VIII: er wordt iets aangedraaid…en losgelaten waardoor we naar voren schieten. We zweven rustig in positie. De tijd wordt stroperig als resultaat van de collectieve spanning die het zicht op de vijand, verborgen in het asteroïdenveld, veroorzaakt. Dan gaat alles los. Waanzin van onmenselijke snelheid, reacties op gebeurtenissen in de toekomst. En zoals in een goede samoeraifilm is het gevecht bijna meteen voorbij. Een laatste schermutseling en dan kalmte. De bries van de overwinning.
3. Het hoge woord er dan maar in een vroeg stadium uitgooien: Draft 7.30 is geen revolutie in het oeuvre van Autechre. Iedereen brengt zijn eigen breekpunten aan. Draft 7.30 is een evolutie ten opzichte van Confield, het is aan die plaat gebonden zoals Amber dat is met Incunabula, Chiastic Slide met Tri Repetae. Het proces van uitwerken, nuances aanbrengen.
6ie.cr: Engeland 2003 in een alternatieve toekomst waar geen oliecrisis heeft plaatsgevonden, Thatcher nooit de macht heeft gekregen, waar 1987/1988 is blijven doorwerken. Alle utopische dromen belichaamd in futuristische architectuur. Engelse excentriciteit tot norm verheven. Plezier is werk, geen zonde.
4. Meer dan ooit is Arthur Rimbauds beroemde idee van ‘een systematische ontregeling van de zintuigen door rationele middelen’ van toepassing op de muziek van Autechre.
tapr: het geluid van een smeltende piano. De muren geven een vaal schijnsel af. Een smaak van metaal in de mond. Draaien de wijzers van de klok terug? Gedachten vallen weg in een tunnel die oneindig blijkt te zijn.
5. Omdat het vriest, loopt de batterij van mijn walkman sneller leeg. Als ik op play druk om verder naar Draft 7.30 te luisteren, blijft de motor met een laatste krachtsinspanning duwen. Het resultaat is een licht tikkend geluid. Even ben ik verward: “was ik hier gebleven?”
suprripere: een droom zwerft zoekend door de nachtelijke stad. Eindelijk vindt het zijn slachtoffer en wringt zich door je schedel heen. In je hoofd ontpopt de nachtmerrie zich die wild begint te snijden. Geschrokken word je wakker. Je start de routine van de dag en stapt je huis uit. De wereld is gehuld in een gele mist. Overal krioelen kleine machines die alles in puin hakken, gecoördineerd door vormloze wezens van vloeibaar metaal die boven de stad zweven. Naar verloop van tijd beginnen de machines door de realiteit zelf te hakken. De witte vlekken worden steeds groter.
6. Nieuwe geluiden? ‘6ie.cr’ kan met wat goede wil worden opgevat als hun interpretatie van two-step, de enige knipoog naar hedendaagse muziek buiten Autechre’s eigen hermetische geluidswereld om. Wat Draft 7.30 een eigen karakter geeft qua textuur is het op onregelmatige tijdstippen opduiken van ouderwetse geluiden: een klassieke hiphop-loop, een ravemelodie, een melodie in de stijl van Blade Runner.
theme of sudden roundabout. Ik ben verwikkeld in een heftige wedstrijd van een spel dat vergelijkingen vertoond met squash. Mijn tegenstander is een elegante alien. Omdat we aan elkaar gewaagd zijn, bestrijden we elkaar ook met telepathische middelen. Hij probeert me af te leiden met pastorale beelden uit mijn jeugd. Ik tracht zijn gedachten te verstoren met ruis. Dan synchroniseren onze gedachten: het spel zal eeuwig doorgaan, we weten precies waar elke bal zal vallen. We moeten lachen om de absurditeit van het spel en prompt stuitert de bal twee keer. Het universum verdwijnt.
7. Bij elke nieuwe release de vraag: wat is de verhouding tussen ritme en textuur? Het wordt steeds duidelijker dat mijn persoonlijke wensdroom van een Autechre dat de ritmes voor een keer laat rusten en hun gevoel voor melodie in alle openheid laat horen nooit in vervulling zal gaan (zou er ergens een parallelle wereld zijn waar Autechre bezig is de melancholie van Amber album na album te perfectioneren?) Die wensdroom zal niet in vervulling gaan omdat ritme op Draft 7.30 meer dan ooit textuur is: tracks worden onder gestrooid met tikken en gruis. Hoe lang nog voordat Autechre-tracks bestaan uit ritmische ruis?
vl al 5: Detroit, 3018. Een complexe liefdesscène in het schijnsel van de stad. Elke aanraking wordt versterkt door speciale handschoenen, plezier cirkelt in nieuwe patronen over de huid. Rillingen over haar rug die te heftig zijn. Verwarring die op mij overslaat. Er is een soort climax die op heerlijke wijze uitsterft.
8. Terugkerend discussie: de relatie techniek <> gevoel. Het blijft verbazingwekkend om te horen dat Coltrane in zijn tijd een controversieel figuur was die menigmaal werd beschuldigd van krachtpatserij of een overdaad aan techniek dat “het gevoel” zou overschaduwen. Het is een controverse die Autechre achtervolgd, de voortdurende technische innovatie wordt steevast verward met kilte. Toch is er een mysterieuze gloed in hun muziek die moeilijk is te verklaren. Het heeft me altijd bevreemd hoe Autechre epigonen aantrekt, in hoeveelheden die zelfs Aphex Twin of Boards of Canada overtreffen. Wat lijkt te fascineren is de techniek, een uitdaging van het ontrafelen van de methode om vervolgens zelf puzzels te bouwen. Die gloed echter, die ontsnapt.
p.:ntl: een tocht door steden die aan elkaar gegroeid zijn, een onwerkelijke verzameling hoogbouw afgewisseld door industrieterreinen die fungeren als musea. Op de radio heersen Detroit bas en Sheffield gruis totdat de muziek wreed wordt onderbroken door politieke speeches van fundamentalistische aliens. De radio pikt een nieuwe zender op met een speciale live uitzending van een gamelan concert gespeeld door een verzameling Aphex Twin klonen. Het klinkt niet van deze wereld.
9. Ik had het over een gloed. Wanneer Autechre deze weet te vangen zijn ze de soulband van de 21ste eeuw. Natuurlijk hebben we het niet over soul als gemanierd overzingen maar als een glimp van iets voorbij jezelf, de ruimte tussen mens en machine. Het leek altijd een proces van vangen, een methode die met een duistere logica wegtikt totdat plotseling de beats wegvallen en een subliem geluid/melodie zich bevrijdt en vervolgens in volle glorie schijnt. Die methode gebruiken ze op Draft 7.30 vrijwel niet meer. De interesse is verlegd naar het invoegen van op het eerste gehoor incompatibele ritmes, die naar verloop van tijd toch synchroon lopen. Draft 7.30 lijkt Autechre’s meest ontzielde plaat, de tracks klinken als afstandelijke denkexperimenten. Toch blijkt met name de tweede helft van de plaat gevuld met prachtige melodieën die meer dan vroeger verweven zijn door het hele nummer. Desondanks lijkt de soul van Autechre steeds meer te worden bewogen door gevoelens van verlies, negatie en dreiging. Als ze niet uitkijken raken ze hun mooiste titel kwijt aan opkomende man Jan Jelinek wiens kraakjes zich minder aantrekken van wiskundige vondsten en direct op zoek gaan naar de warme gloed van verlangen en verwondering die de in het lichaam gedistribueerde ziel veroorzaakt. Microsoul.
v-proc: een ruimtestation gespecialiseerd in de verwerking van vuil achtergelaten door ontelbare lanceringen van kolonisatieshuttles werkt op volle toeren. Het pompende ritme van het proces is perfect. In de werkploeg maken de rasta’s de dienst uit op muziekgebied. Druk blowend zetten ze een gigantische gettoblaster neer en met geconcentreerde blikken timen ze het begin van de muziek zodat op het moment dat de metalen dub de ruimte in wordt geslingerd deze exact is gesynchroniseerd met het geluid van de lopende banden en machines. Ooit hopen we op een soundclash met een rivaliserend ruimtestation vol gitaarjengelende bleekneusjes.
10. Maar wat willen ze eigenlijk? Een deconstructie van electro? Een lange studie naar pre-oedipale auditieve werelden voltooien? De schoonheid van wiskunde eren? De mooiste suggestie blijft natuurlijk de meest onverwachte: Autechre’s eigen omschrijving van hun muziek als nieuwe folk. Een slimme omzeiling van hun mechanische/dehumaniserende imago. Autechre wordt daardoor ook heel Engels: ze bouwen steeds maar weer nieuwe soundtracks voor wat Eno zo treffend Another Green World noemde. Engels groen geïnfecteerd met de moderne kathedralen van viaducten, verwaarloosde tuinsteden, de romantiek van wegroestende industrie, een vervlogen empire van droomkoloniën.
reniform plus: zonsondergang over de smaragd gekleurde oceaan. Radioactieve deeltjes van neerstortende ruimtestations stuiteren door de hemel. Een magisch schouwspel van licht. Ik kus haar en het voelt echt, ook al kan ik in mijn fantasie haar mechanische hart horen tikken. Tijd valt uit elkaar, versnelt en wordt vervolgens vloeibaar. Plotseling rennen we door het zand richting zee. Het maakt toch allemaal niets meer uit. Hoe zal het water voelen?
11. Twintig jaar later. De keurige heruitgave in uitklaphoes (derde in reeks van vier die niet door The Designers Republic werd ontworpen…“I Was Today Years Old”) met daarin twee kloeke vinylschijven (dat had ik in 2003 nooit voorspeld.) De onvermijdelijke vraag: hoe klinkt Draft 7:30 in de toekomst? Goed, minder complex dan ik me kan herinneren. Een reden waarom ik destijds naar fictie greep was dat ik moeilijk grip kreeg op de muziek. En dat is ergens nog steeds het geval. Het is fraaie muziek, onmiskenbaar Autechre, maar het is misschien hun meest “anonieme” plaat naast Exai (2013). Ik durf wel toe te geven dat wanneer iemand me de plaat in een Pepsi-test had laten horen ik waarschijnlijk in eerste instantie geen nummer had kunnen herkennen. Zoals ik wel kan met tracks van Quaristic, Oversteps of NTS Sessions (Autechre-titels begin ik niet eens over, ik kan alleen ‘Basscadet’ en een aantal titels van Amber moeiteloos noemen.) Nu ik de tekst heb herlezen herken ik een aantal nummers in de beschrijving al denk ik ook soms “Je hoorde hier wat in?” De ambient Autechre heb ik uiteindelijk gekregen. En dat heeft hun muziek uiteindelijk goed gedaan door voor meer contrast te zorgen. Verder lijkt een periode van twintig jaar weinig waarde meer te bevatten. Voorheen onvermijdelijk een breuk tussen tijdperken, oude en nieuwe geluiden, nu gewoon een aantal Autechre-platen geleden. Draft 7:30 klinkt ook niet ouderwets, ware het een lost tape zou je hem stiekem na PLUS (2020) kunnen uitgeven en dan zou het alleen een handvol hardcore liefhebbers opvallen. Ik weet niet zo goed wat dat betekent. Zijn we gewend geraakt aan Autechre, hebben ze sinds Confield (2001) een bepaalde manier van musiceren verfijnd die geen grote omslag kan veroorzaken of hebben ze de laatste twee decennia te weinig concurrentie gehad? Misschien maakt het niet meer uit en worden we binnenkort overspoeld door een nieuwe golf van gegeneerde kloons, moeten we ons opmaken voor de Turing test van muziek die de deur opent naar een overdaad van het bekende. Een alles tot stilstand brengende atemporaliteit waarin de mens langzaam wegzakt.
donderdag 8 december 2022
Andor | Een Star Wars voor ons
dinsdag 7 december 2021
GCOM: Voor de planetarium dromers
Heeft futurisme nog bestaansrecht in muziek? Tom Middleton heeft in zijn eentje het Global Communication-project getransformeerd tot GCOM (Galactic Communication) om oude dromen te doen herleven. De kalme mondiale verbinding van 76:14 heeft plaats gemaakt voor een kosmisch ambitie in de vorm van een waar conceptalbum. E2-XO handelt over de ontdekking van exoplaneten en de mogelijke reizen naar deze leefbare planeten. In de uitgebreide tekst van het mooi uitgewerkte boekwerk vol illustraties die mij deden denken aan de onvolprezen Spectrum encyclopedie uit mijn jeugd, noemt Middleton zijn inspiratiebronnen: Carl Sagan, Vangelis, zijn Franse collega Qebrus maar ook het idee dat het antropoceen een uitweg vereist, een serieuze kolonisatie van andere planeten. E2-XO is de soundtrack van zowel de sonde die nieuwe werelden verkent als het denkbeeldige ruimteschip dat de bemanning naar de dichtstbijzijnde exoplaneet Teegarden B vervoert.
Na een dergelijke introductie begint de plaat bijna ironisch bombastisch met cinemasonische strijkers, alsof je in een planetarium hebt plaatsgenomen en een diepe stem bij de eerste glinsteringen vertelt dat je op het punt staat om een reis te maken langs de wonderen van de kosmos. Het is een track die ik eigenlijk nooit meer hoef te horen. Gelukkig gaat hij vervolgens meteen los op zijn samenwerking met Qebrus, de mysterieuze Franse producer die op jonge leeftijd overleed en door Middleton liefdevol als een grote inspiratie wordt omgeschreven. Daarmee krijgt ook de dynamiek van het album vorm, een afwisseling van Vangelisachtige melodieën, ambient en intens futuristische muziek, de meest zelfbewuste sciencefiction ritmiek sinds cd2 van Two Pages.
E2-XO zou geïnterpreteerd kunnen worden als een opwelling van nostalgie naar de toekomst van weleer (ruimtereizen en vernieuwende dansmuziek) maar voelt vooral als serieuze speculatie dat de tijd van terugkijken ten einde loopt, dat het futuristische elan van jungle, waarvan de meeste tracks nog steeds klinken alsof ze vandaag werden uitbracht, weer naar de voorgrond moet treden. Haast ongemerkt komt de kolonisatie van andere werelden steeds dichterbij. Dit alles komt met name samen op ‘XO (Wolf 1061 C)’, het logische vervolg op de tijd-ruimtevervormingen van Photek, J Majik, Source Direct en 4 Hero, alsof 1998 en 2021 naar elkaar toebuigen en een periode van stagnatie doen verdwijnen.
Een album dat we nodig hadden, zeker niet perfect (zelf had ik de twee klassiek georiënteerde stukken graag ingeruild voor de complete 16-minuten (vinyl)versie van afluister ‘Beyond the Milky Way’) maar een krachtige remedie tegen de entropie van retromania. De hoopvolle droom van golden age sciencefiction nieuw leven ingeblazen. Een onverwachte hergeboorte aangezien sciencefiction tegenwoordig veel pessimistischer is over allerlei zaken, vooral ruimtereizen. Kim Stanley Robinsons Aurora (2015) is met name ontnuchterend over de afstanden tussen planeten en de problemen die komen kijken bij het overbruggen daarvan met generatieschepen. Exoplaneten presenteren een diep verlangen om opnieuw te kunnen beginnen, het deze keer als mensheid wel goed te doen. Zoals het er op het moment voorstaat zal echter elk project geïnfecteerd worden met neoliberale of libertaire memen Elke kolonisatie die succesvol wil zijn zal eerst moeten afrekenen met de ziekte die laatkapitalisme is of de volgende wereld opnieuw vernietigen. In die zin is het misschien maar beter dat de mens in zijn natuurlijke staat totaal ongeschikt is voor de reis over extreem lange afstanden. En is dat ook waarom het machinale geluid dat E2-XO overheerst zo treffend is. Het zullen machines zijn, al dan niet geladen met bewustzijn en DNA, die uiteindelijk de nieuwe aarde zullen betreden om misschien een moment meewarig terug te denken aan de dromen van hun primitieve voorgangers op een dode planeet.
maandag 8 november 2021
Museïficatie en wat afleidende gedachten aan de hand van Google
Een omgekeerde recapitulatie, wat het tegenovergesteld is van een levende herinnering - het is een fanatiek memorisatie, een fascinatie voor herdenkingen, rehabilitaties, culturele museïficatie, een catelogisering van gedenkplaatsen, de verheerlijking van de erfenis. In feite staat deze obsessie met het herleven en het doen heleven van alles - deze obsessionele neurose, deze geforceerde herinnering - gelijk aan het wegsterven van de herinnering - een wegsterven van de feitelijke geschiedenis, een wegsterven van de gebeurtenis in de informatieruimte. Dit komt neer op het klonen van het verleden zelf tot een artificiële dubbelganger, het komt neer op het bevriezen van het verleden in schijnnauwkeurigheid die het nooit werkelijk recht zal doen.
Baudrillard in De vitale illusie (2000). De term museïficatie trok vanzelfsprekend meteen mijn aandacht, maar hij lijkt er omheen al vroeg retromania te omschrijven. Dit in het kader van het nieuwe millennium waarbij Baudrillard een van zijn beroemde riffs herhaalt, "De Golfoorlog heeft nooit plaatsgevonden" wordt hier "Het jaar 2000 heeft nooit plaatsgevonden."
donderdag 1 juli 2021
Liefdeloos universum | een korte introductie
Perfecte timing. Terwijl ik dit schrijf maak ik me op voor mijn eerste vaccinatie en komt toch op individueel niveau een einde aan een unieke periode, waarbij ik even in het midden laat of dit een tijdelijke pauze zal zijn. Nu ik mijzelf een terugblik gun, mag ik persoonlijk niet klagen over deze afgelopen zestien maanden. Teruggetrokken in een soort uitgebalanceerde luxe kon ik meer lezen, veel meer films kijken en de mentale ruimte vinden om rustig te schrijven. Dat resulteerde in twee verhalen die zeer prettig waren om te schrijven en die, om diverse redenen, ook alleen door mij op dat moment geschreven konden worden. Daarna besefte ik dat nu het moment was om een bundel met korte sciencefictionverhalen samen te stellen. En zowaar lukte het me daarna om een verhaal waar ik al jaren mee worstelde af te maken zodat de basis stond.
Uiteindelijk heb ik gekozen om de bundel zo minimalistisch mogelijk te maken, bijna als een 12-inch uit de vroege jaren van house (al had ik hier nog verder in kunnen gaan, bijvoorbeeld door het ISBN-nummer te graveren, de verhalen geen titels te geven, misschien zelf mijn naam weg te laten. Maar dat is misschien voor een ander boek.) Terwijl ik bezig was met de definitieve selectie van de verhalen stelde ik me steeds meer een album voor, met lange stukken, een paar miniaturen en knetterend avantgarde-stuk, geen frontloading, maar spreiding. Maar als een soort inlegvel met liner notes wil ik hier toch wat achtergrondinformatie geven over elk verhaal.
De toekomst van house. Een van de verhalen uit de coronaperiode. Met de gestage archivering van elektronische dansmuziek uit de jaren negentig in fraaie remasters en boxsets is die muziek de afgelopen tijd zeer aanwezig, op directe wijze wanneer hij klinkt uit de boxen maar ook als fenomeen om over na te denken. Waarbij onwillekeurig de vraag opkomt: waarom klinkt die muziek nog zo futuristisch? Omdat de muzikanten uit de toekomst kwamen natuurlijk. De rest hoefde ik, een bepaalde logica volgend, alleen maar uit te schrijven.
De esthetische terroristen. Nog steeds het verhaal waar ik zelf het meest om moet lachen. Ik denk dat ik het ergens in 2005 of 2006 heb geschreven, wat verklaart waarom ik de War on Terror met zoveel plezier op de hak neem. Al gaat het wel degelijk over een serieus Spaans probleem van onverschilligheid dat mij als halve buitenstaander altijd heeft gefascineerd.
De afwezigheid van licht. Een verhaal dat ik in opdracht van het Sonic Acts festival schreef en nog in een Engelse vertaling heb opgedragen in De Balie. Je merkt duidelijk dat ik destijds veel over Alexander de Grote las. Sowieso, een verhaal met aardig wat autobiografische details, de scène met de opa en het nieuwsgierige kind ben ik zelf bij het kasteel van Benavente.
De brandende kerk. Ergens in 2008-2009 geschreven toen ik de overstap probeerde te maken naar schrijven op typemachines, hier nog een elektronische die al snel kuren kreeg, waarna ik overging op een rode Olivetti Dora die ik nog steeds gebruik in de eerste fase van het schrijfproces. Een verhaal dat vanzelfsprekend is begonnen met het beeld van een kerk die maar blijft branden. Dat moet onderzocht worden zodat er allerlei Spaanse mythologie, zelfverzonnen of niet, aan kan worden gehangen.
Het verhalenveld. Ik denk dat ik destijds speelde met de invloed van Philip K. Dick maar me er bewust van was dat als je dat doet er een heel eigen draai aan moet geven. Hier dus door er een liefdesverhaal van te maken.
De Spaanse keuken. Een satire op de obsessieve aandacht die sterrenkoks tegenwoordig in de media krijgen. Ik lees de portretten in El País Semanal graag omdat het meestal ook goed geschreven artikelen zijn, maar toch heeft het fenomeen en de daar aan gelieerde aandacht voor voedsel iets absurds. Eigenlijk hoefde ik me alleen af te vragen hoe de absurditeit nog een stap verder kan gaan. Een verhaal waar ik menigmaal in ben gestrand omdat ik weer werd afgeleid of de tekst kwijtraakte. Eenmaal op stoom in 2020 kon ik het eindelijk afmaken.
De eindeloze stad. Er was een moment dat ik voor De Subjectivisten experimenteerde met het schrijven van recensies in fictievorm. Zelf leek het me wel een interessante manier om eens anders over een plaat te schrijven omdat je probeert de sfeer die de muziek bij je oproept te vertalen naar een nieuw creatief gebaar. Nu kwamen een tweetal verhalen mij goed uit voor de opbouw die ik voor ogen kreeg. Deze is een korte impressie geïnspireerd door de Methodology: Attic Tapes 74/78 compilatie van Cabaret Voltaire die niet meer in de platenkast staat, dus ik kan niet controleren of de beelden nog goed bij de muziek passen.
De heilige vervaging van Kate Moss (remix). De oudste tekst van de bundel. Ik denk ergens in 1998 geschreven voor een essaybundel van jonge schrijvers die er nooit is gekomen. Dat was nu een mooi artefact geweest. Zonder twijfel mijn meest avant-gardistische “verhaal” en op een of andere manier heel jaren negentig met die verwijzingen naar Cronenberg, ecstasy en rave. Bij herlezing werd ik toch verrast door dat gebruik van het virus. Hoe sciencefiction. Maar het hing destijds in de lucht, als esthetisch idee, met name in de meer duistere varianten van dansmuziek. Het is een bescheiden remix, omdat er wel een aantal dingen moesten worden aangepast om het iets tijdlozer te maken.
Rennend droomt de wolf. Dit verhaal schreef ik voor de Moderne Sprookjes editie van WonderWaan (nr. 17, maart 2011), het fictie-supplement van Holland SF, het tijdschrift waar ik een aantal jaren essays voor schreef. Ik hoef er niet mysterieus over te doen, dit is een cyberpunk-versie van Roodkapje.
Bevroren ochtenden en zomernachten. Dit was oorspronkelijk ook een recensie voor De Subjectivisten, ditmaal van het fraaie album For Frosty Mornings and Summer Nights van Xela. Moet dus in 2003 zijn geschreven. Tijdens het redigeren realiseerde ik me opeens dat het verhaal is opgebouwd uit de tracktitels van de plaat. Toch wel een interessante uitdaging.
Het eckte-eckte Amsterdam. Een verhaal dat waarschijnlijk alleen dankzij corona geschreven kon worden. Als Amsterdammer was de irritatie over het bespottelijke toeristenbeleid vanzelfsprekend al jaren aanwezig. Maar de schoonheid van de lege straten in maart-april 2020, een kleine utopie waarvan je de tijdelijkheid meteen erkende, moet dit verhaal op gang hebben gebracht. En ik kon eindelijk een van mijn favoriete foto’s in een verhaal verwerken, namelijk ‘In afwachting van ontruiming voeren krakers van de Conradstraat een theaterstuk op, waarbij een van de panden in brand gestoken wordt, 18-07-88’ van Bert Verhoeff.
Als e-book is het eenvoudig verkrijgbaar bij amazon.nl. Heel handig voor de schrijver maar zodra er papier in het spel is wordt het, ongetwijfeld door Nederlandse regeltjes, allemaal wat vreemder. Ik heb bijvoorbeeld geen invloed op de bizarre verzendkosten. Wie geïnteresseerd is kan het boek dan ook beter via amazon.de bestellen (en met iDeal betalen), waar het boek goedkoper is en de verzendkosten heel sympathiek (door mij zelf getest.) Helaas lijkt het ecosysteem van uitgeven in vier jaar radicaal te zijn uitgedund. En er waren leuke initiatieven. Ik moet de komende tijd eens op zoek naar mogelijke Nederlandse alternatieven, al vrees ik het ergste.
Of nu te bestellen bij de betere boekhandel!
zaterdag 23 januari 2021
The Ministry of the Future | Vuile handen voor een groene toekomst
Literair gezien is het boek helaas geen hoogvlieger. De eerste 100 pagina’s lezen als een manuscript dat nog moet worden bijgeschaafd, met veel korte zinnen en houterige dialogen, alsof Robinson ongeduldig naar de didactische kern van zijn boek verlangde en snel de setting moest neerzetten. Pas tegen het einde gunt hij zijn hoofdpersoon een lang afscheid dat niet meer wordt gedreven door de ideeën. In die zin is het een hele ouderwetse SF-roman waar de ideeën de literaire vorm overheersen, een balans die sciencefictionschrijvers de afgelopen 50 jaar met moeite hebben proberen te veranderen, misschien niet altijd even enthousiast ontvangen door lezers van het genre, al heeft het op de lange termijn zijn vruchten afgeworpen waardoor sciencefiction ook interessant werd voor meer conventionele auteurs. Als je er een positieve draai aan wilt geven is The Ministry of the Future een soort fictieve non-fictie, een hybride die wetenschappelijke en technologische onderwerpen toegankelijk maakt met behulp van narratief. Fantasie is nodig om scenario’s te bedenken die realistisch aanvoelen en laten zien welke gevolgen bepaalde beslissingen kunnen hebben. Het overkoepelende narratief wordt dan ook aangevuld met kleine hoofdstukken die de vorm hebben van memo’s, transcripties en vermakelijke subjectieve omschrijvingen door bijvoorbeeld chemische processen.
The Ministry of the Future begint met de beschrijving van een dodelijke hittegolf in India. Deze ramp zet alles in beweging. Terwijl India op radicale wijze probeert een herhaling te voorkomen en geen zin heeft om op de rest van de wereld te wachten, richten de Verenigde Naties in 2025 een organisatie op die zich inzet voor de rechten van toekomstige generaties. Vanuit Zurich probeert het “ministerie” onder leiding van de Ierse Mary Murphy op allerlei manieren de stijging van de mondiale temperatuur en daarbij horende zeespiegel tegen te gaan. Een oplossing wordt gezocht in het vastzetten van de schuivende ijsplateaus in Antarctica terwijl Murphy met haar team vanuit het kalme Zwitserland probeert om de wereldeconomie te hervormen.
De omschrijvingen van de negatieve gevolgen van klimaatverandering zijn inlevend en deprimerend. Als waarschuwing werkt The Ministry of the Future vrij effectief. Robinson presenteert een groot aantal oplossingen die in theorie mogelijk zouden moeten zijn, al is het bijvoorbeeld moeilijk te geloven dat financiële instellingen, zelfs als het water iedereen aan de mond staat, hiermee zullen instemmen zoals ze hier uiteindelijk overstag gaan. Om de veranderingen te laten plaatsvinden en aan te tonen dat een andere toekomst mogelijk is, moeten bepaalde personages beslissingen nemen die ik ze in het echte leven lastig zie maken. Wat tijdens het lezen regelmatig tot de conclusie leidt dat de toekomst er zeer donker uitziet. Maar goed, het nut zit hem juist in het denken over oplossingen, het inspireren en dat is een lovenswaardig streven.
Wat The Ministry of the Future zonder twijfel een uniek karakter geeft, is de manier waarop het—zonder een duidelijke morele afwijzing van de auteur—een taboe-onderwerp bespreekbaar maakt, namelijk de rol van geweld in de bestrijding van klimaatverandering. Al vroeg wordt in India de ecoterroristische organisatie Children of Kali opgericht die koppige tegenstanders van verandering uit de weg ruimen. Wanneer de maatregelen van het ministerie in eerste instantie te weinig opleveren twijfelt Murphy over haar wettelijke slagkracht. Robinson laat knap in het midden of het ministerie een ondergrondse tak krijgt om op illegale wijze sabotage uit te voeren en mogelijk als doodseskader functioneert, zonder dat Murphy hier echt vanaf weet zodat ze geruchten altijd geloofwaardig kan ontkennen. Onvermijdelijk leidt dit tot tegenaanslagen op het ministerie. Het is uiteindelijk de uitvinding van de, niet eens zo vergezochte, pebble mob missile, een goedkope zwerm AI-drones, overal ter wereld ingezet om elkaar het leven zuur te maken, die eigenlijk de grote doorbraak forceert omdat het de militaire machtsverhoudingen compleet egaliseert (en bijvoorbeeld mogelijk maakt om elke tanker tot zinken te brengen.)
woensdag 29 april 2020
Het Eckte Eckte Amsterdam
Vanuit het raam kon ik het zien liggen. De stroken ondergelopen land die overgingen in de duinen, de smalle stranden en daar in zee onmiskenbaar de wereldberoemde rizoom van grachten. Terwijl het vliegtuig een laatste bocht maakte, probeerde ik een gebouw te herkennen, misschien het Rijksmuseum waar ik zo naar verlangde. Na de landing opende ik mijn gids maar weer om het langdradige taxiën te vergeten
Amsterdam II is de perfecte bestemming. Voor het eerst in jaren zult u zich als toerist weer welkom voelen. Hier bent u geen indringer, zult u geen boze blikken meer krijgen, dit is de stad gemaakt voor uw ultieme Amsterdam-ervaring. Kosten nog moeite zijn gespaard om na de pandemieën van de jaren twintig te zorgen voor een veilig toerisme, een unieke ervaring die u nooit zult vergeten. Optimaal shareable en zonder schuldgevoel…Het begin was er in ieder geval naar. De aankomsthal was efficiënt ingericht voor bezoekers van Amsterdam II. Na de paspoortcontrole lag mijn koffer al te wachten waarna ik de richtingaanwijzing naar de metro volgde. Niet dat er een alternatief voor handen was. Iedereen weet dat je Amsterdam II maar op een manier kunt bereiken. Het door Koolhaas ontworpen metrostation was open en licht, sereen, ook al wachtten er steeds honderden reizigers op een van de metro’s die stipt om de twee minuten arriveerden. Altijd met het juiste aantal beschikbare zitplaatsen omdat de A.I. de stroom passagiers continu monitorde en de wagons waar nodig aanpaste. Verzekerd van een zitplaats stapte iedereen op een geciviliseerde manier in, plaatste de bagage in de daarvoor ontworpen compartimenten en nam vervolgens plaats. Over tien minuten zouden we op Amsterdam Centraal arriveren. Eenmaal in de tunnel las ik verder.
In Amsterdam II vindt u het authentieke Amsterdamgevoel dat verloren leek te zijn gegaan. Alles is hier op schaal nagebouwd met oog voor alle historische details. Grachten, musea, gebouwen en natuurlijk roemruchte coffeeshops zijn niet van origineel te onderscheiden. En er is meer dan het beroemde centrum. Ook wijken als de Indische Buurt, de Rivierenbuurt en de Baarsjes bieden een alternatief met verborgen juweeltjes en inspirerende momenten om met iedereen te delen. Dat echte gevoel van Amsterdamse vrijheid, al eeuwenlang uniek in de wereld.Amsterdam Centraal, daar waar de stad nu eindigt. Ik moest niet vergeten om een van deze dagen de noordkant van het station te bezoeken die in oude staat was nagebouwd en waar men in de weekends met auto’s kon worden opgepikt om mee te liften naar acidfeesten in loodsen. Maar eerst eens mijn ‘pegels’ ophalen bij de toeristeninformatie. Volgens de gids kreeg elke bezoeker honderd pegels, ouderwets papiergeld waarmee je illegale transacties kon naspelen. Ik laadde meteen mijn gids op met Amsterdam Games, een soort virtuele tours waarmee je interactief avonturen kon beleven, V.R. compatibel. Eenmaal buiten volgde ik de nieuwelingen richting het Damrak. Ondanks de voorbereiding en de expliciete waarschuwingen van de reisgids was de confrontatie met auto’s choquerend. Geen wonder dat het stadsleven vroeger zo ongezond was, mensen werden gewoon vergiftigd en psychisch geterroriseerd. Het scheen dat personeel sommige auto’s nog gebruikte om zich te verplaatsen maar ze waren zelfrijdend en vormden daarom geen enkel gevaar voor de voetganger, een klein compromis ten kostte van volledige authenticiteit. Bovendien merkte ik meteen op dat er genoeg ander gevaar loerde in de vorm van fietsers. Een jonge vrouw in kort rokje, een detail dat me in een flits afleidde, passeerde me rakelings.
“Uitkijken, lul!”
Schitterend.
Ik liep met stevige stappen de adrenaline uit mijn lichaam, al snel op mijn gemak gesteld door de kaaswinkels, rastashirts en echte FEBO. Zoveel keuze, maar ik had begrepen dat de bamischijf onmisbaar was. Inderdaad, de kruidige zoutigheid vormde een explosie van geluk, een tastbaar bewijs dat ik eindelijk in Amsterdam was. Hier zou ik dan eindelijk mijzelf kunnen zijn, weg van het virtuele kantoor en een leven in monotone hoogbouw. Ik stak de Warmoesstraat over richting de Zeedijk die er ouderwets onguur uitzag, vol louche figuren die in schaduwen rondhingen. Ze zouden toch niet echte heroïneverslaafden gebruiken? Interessant om later uit te zoeken met de pegels. Maar wat een heerlijk sfeertje. En die intense geuren, een bedwelmend mengsel van urine, Aziatische kruiden en gedroogd bier. De geur van het werkelijke leven. Aan het eind van de Zeedijk zag ik mijn hotel, De Waag.
Tevreden keek ik uit over de Nieuwmarkt. Eerst opfrissen en wat dan? Die haringkar? Of toch meteen naar de coffeeshop? Het carillon speelde een medley van ‘Dominator’, ‘French Kiss’ en ‘The Bells’, allemaal oude favorieten van mijn vader, terwijl de avond viel en de terrassen bijna uit zichzelf gevuld werden, alsof iedereen zijn rol vol overgave speelde. Na een paar snelle biertjes en halve White Widow-joint liet ik mij in een roes door de menigte meeslepen langs de grachten, ons collectief vergapend aan de uitdagende, soms verveelde, vrouwen achter de ramen. Zouden ze allemaal echt zijn en hier wonen? Er gingen al lange tijd geruchten de ronde dat een merendeel van Japanse makelij was. Wat mij betreft een briljante marketingcampagne, al die mannen die wel even gingen bewijzen dat ze het verschil konden merken. Een andere keer, ik was te ver heen en had geen zin in gênante taferelen. Nee, ik volgde het geroezemoes, dat vriendelijke mengsel van talen en gelach, soms een overgevende Engelsman omzeilend, soms een te grote auto die zich in vaste rondjes door de mensenmassa begaf. Op de Armbrug nam ik nog een laatste hijs van de joint. Dat had ik niet moeten doen. Waarom liep iedereen opeens op mij af? Mijn aderen leken vanuit mijn nek naar de uiteinden van mijn vingers te bevriezen. Wat deed iedereen hier eigenlijk? Al die gezichten waren maskers, versteend in verlangen. Wat lag er achter die maskers? Mensen? Machines? Wat deed ik hier eigenlijk? Ik hield mezelf voor de gek. Alles was nep. Je trapte er zo makkelijk in. Zo goed gedaan, maar compleet nep. Gelukkig bevond ik me in de buurt van mijn hotel en ik worstelde me door de menigte, ervan overtuigd dat ik elk moment als een cliché languit op straat kon liggen.
Ik had in tijden niet zo diep geslapen. De vorige nacht niet meer dan flarden uit een nare droom. En toch, eenmaal voor de imitatie van De Nachtwacht keerden de twijfels in een wat zachtaardigere vorm terug. Amsterdam II had zo verleidelijk geleken, zo overtuigend, ik had werkelijk in de simulatie geloofd. Ik probeerde met een dubbele dosis kunst weer dat gevoel van de aankomst te hervinden. En zowaar, Van Gogh gevolgd door een patatje oorlog deed wonderen. Ik besloot zonder echt doel in de richting van het hotel te wandelen. Ik verzond wat foto’s van streetart vol psychedelische gezichten, drie kruizen en buitenaardse alfabetten naar mijn volgers en op het Rembrandtplein vond ik een speelhal met werkende kasten als Space Harrier en NBA Jam. Het tij leek gekeerd, maar voor de zekerheid liep ik met een grote boog om de coffeeshops heen. Gelukkig kon ik met de Lachuh-app een koerier langs laten komen die alleen pegels accepteerde. De transactie voelde heerlijk fout.
“Vergeet niet om de patronen gewoon op straat te gooien, chef. Zo hoort dat.”
Gezeten aan het water begon ik de ballonnen te vullen. Een bankje verderop zaten twee toeristen gezellig te chinezen en selfies te maken. Ik vulde mijn longen compleet met de eenvoudige verbinding. Elke keer sloot ik mijn ogen en trilde mijn hele wezen mee op het geheime ritme van de stad. Na tien ballonnen was ik er van overtuigd dat Amsterdam het kosmisch centrum van dit universum was.
“Nou nog eentje en dan is het weer genoeg geweest.”
De doos was leeg. Geïrriteerd vertrapte ik het karton en liep vervolgens naar tram 9. In een halfgevulde De Meer spoelde ik een hamburger weg met slap bier terwijl Ajax 1972 op een onwerkelijk groen veld Feyenoord overklaste. Ik moest mezelf forceren om te genieten van de passeerbewegingen van Keizer en de passes met buitenkant voet van Cruijff. Het was zonder twijfel goed gedaan, ook met die oncomfortabele houten bankjes, maar het voelde op meerdere manieren ongemakkelijk. Ik keek naar geesten.
De volgende ochtend keerden de twijfels in samenwerking met een geniepige hoofdpijn terug. Alles begon me tegen te staan en tegelijkertijd groeide het verlangen om het echte Amsterdam te zien. Maar hoe kwam ik daar? Ik moest de neiging onderdrukken om het een bewoner van de simulatie te vragen. Niemand was te vertrouwen en waarschijnlijk hadden ze geen idee. Verveeld zwierf ik langs de “Amstel” totdat ook deze in de Noordzee eindigde. Ondertussen onderzocht ik andere mensen. Wie was toerist? Wie acteur? Werker? Androïde? En kon iemand me uit deze miserabele vakantie redden? Ik staarde wezenloos in het onaangeroerde glas Heineken. Was het eigenlijk wel echt Heineken, of gewoon een of ander goedkope namaak? Zou ik ooit het verschil kunnen proeven?
“Jij zoekt even iets anders.”
“Ik heb even nergens zin in,” antwoordde ik met moeite.
“Jawel man, ik ken die blik wel.” Met tegenzin keek ik op naar de jonge barman die zich voorover boog.
“Jij bent niet de eerste, pik. Echt niet.”
Met een zelfvoldane glimlach zette hij een glas jenever naast mijn vaasje. Ik zuchtte.
“Drink nou maar op, man. Dan vertel ik ondertussen wat je dwarszit.”
Ik sloeg het glas achterover, klaar voor een voorgekookte volkswijsheid. In ieder geval voelde de alcoholrilling fijn aan.
“Jij wil het ware Amsterdam zien, toch?”
Hij knikte tevreden met zijn hoofd nadat hij mijn verrassing had geregistreerd.
“Dat bedoel ik.”
Achteloos begon hij op een bierviltje te schrijven. En op luidere toon vervolgde hij: “Ik heb nog wel een adresje voor je. Een ouwe gabber van me.”
Hij schonk me een tweede jenever in en fluisterde ondertussen: “Dit adres. Daar woont mijn zus. Ze weet de weg. Gaat je natuurlijk wel wat kosten. Ze legt het allemaal uit. Even onthouden en dan mieter je dat viltje met je zogenaamde dronken kop jolig in de gracht.”
Ik hield mijn glas omhoog, kreeg een knipoog terug waarna hij zich omdraaide om een andere klant te helpen.
De volgende ochtend haastte ik me naar de Bloemgracht om bij het aangewezen adres aan te bellen. De deur opende naar een steile trap waar aan de bovenkant een jonge vrouw verscheen.
“Pakketje voor de buren zeker?”
Ik herhaalde van het inmiddels verzopen bierviltje: “Kunt u het aannemen? Het is uit het buitenland. Anders gaat het naar het hoofdpostkantoor.”
Ze knikte.
“Dat zou zonde zijn. Kom maar naar boven.”
Het appartement zag er sfeervol uit. Houten vloer, scheef, overal planten. Een grote poster van Betty Blue aan de muur. Zelf ingericht of gewoon voor werknemers ontworpen?
“Koffie?”
Ze was natuurlijk mooi op een lokaal nonchalante manier. Lang en toch schoenen met hoge hakken, te groot shirt met een verwassen anime-karakter uit een film die ik in mijn jeugd had gezien. In alles een air dat ze geen zin had in gezeik.
“We vertrekken vannacht. Je kunt nu de helft betalen en de andere wanneer we in Amsterdam aankomen. Gewoon doen wat ik zeg en dan komt alles goed. Je mag er zo lang blijven als je wilt, maar ik raad je aan om hem na een paar dagen weer te peren. De boete als je gesnapt wordt is niet mals en moet je meteen betalen. Bovendien,” en hier zocht ze bewust mijn blik op, “pottenkijkers zoals jij willen ook opeens verdwijnen.”
Ik wende mijn ogen af en probeerde de stilte maar op te vullen met een slok koffie. Inmiddels was een kat op mijn schoot gaan liggen.
“Oh, en ik ga niet met je naar bed.”
“Mistig. Zie je ook niet vaak meer. Lekker ouderwets. En handig.”
Het geronk kwam dichterbij. Ze haalde een stoffen zak uit haar jas.
“Sorry, geen rondvaart deze keer.”
Met tegenzin deed ik de zak over mijn hoofd. Ik werd aan mijn linkerbovenarm vastgepakt en in de boot geleid.
“Doe die herrie maar uit. Het is geen pleziervaartje door de grachten of zo.” Geruisloos gingen we op weg. Ik durfde hun geroutineerde stilte niet te doorbreken en gaf me over aan verveling, hopend dat de nerveuze gedachten op een gegeven moment een coherent geheel zouden vormen. Na een tijd gaf ik het op.
“Zijn er mensen zoals ik die er blijven wonen?”
Het was een gedachte die me sinds gisteren bezighield.
“Je hebt er altijd wel een paar. Zonderlingen. De meesten worden op een gegeven moment gepakt, maar er zijn erbij die verliefd worden en een heel leven weten op te bouwen. Het is ook niet alsof er op je wordt gejaagd. Daar houden we niet zo van.”
Blies ze nou rook in mijn gezicht?
“Maar de meeste springers houden het snel voor gezien. Je weet wel, geconfronteerd met de werkelijkheid verwatert de fantasie.”
Ik vond het moeilijk te geloven.
“Wat doe jij eigenlijk in het dagelijks leven? Daar.”
“Oeh, nieuwsgierig. Ik studeer natuurlijk. A.R. informatica”
“Ben je daarom in Amsterdam II. Als stagiair?”
Ze grinnikte.
“Voor het geld. Maar je hebt wel een beetje gelijk. Die hele stad houdt me bezig. Weet je dat de meeste springers uiteindelijk de simulatie missen? Hun hele perceptie is gevormd naar het ideaal. Dat voelt correct, zelfs al hebben ze soms hun twijfels. Nou ja, dat hoef ik jou natuurlijk niet uit te leggen.”
Ik wilde protesteren maar ze was al weer verder aan het uitweiden.
“En we doen in II nog veel te weinig met A.R. Ik bedoel die poging tot gamificatie alleen al. Zo hoog van de toren blazen over authenticiteit en met dingen aankomen als Zelda in Amsterdam. Sad.”
Ik zei maar niet dat ik had uitgekeken naar het exclusieve Damsko Mario Tournament.
“Eigenlijk zouden we een derde Amsterdam moeten bouwen. Dat zie ik wel zitten. Een futuristisch Amsterdam. Liquide. In beweging. Een sensuele stad, een continue overweldiging van de zintuigen. Niet dit commerciële, voorgeprogrammeerde verlangen. Of dat hopeloze zoeken naar authenticiteit. Die dualiteit moet doorbroken worden.”
“Een Nieuw Amsterdam.”
“Precies. We leven in de diepe 21ste eeuw. Tijd voor nieuwe ontdekkingstochten en niet meer die ouwe meuk.”
De weerkaatsing van het geluid veranderde. Licht begon voorzichtig door de mazen van de zak te schijnen.
“We zijn er bijna. Mokum. Ruik je het verschil?”
Ik rook eerlijk gezegd alleen mijn eigen mufheid.
“Geen auto’s.”
Vanzelfsprekend bleef ik hangen. Na twee weken had ik een appartement gevonden in het centrum, aan de rand van wat nu Klein Korea werd genoemd. Ooit, na de pandemie en de leegstroom, gekraakt dus ik moest er wel even werk van maken. Maar ik had tijd zat. Mijn oude smartphone had ik bij aankomst uit voorzorg in ‘t IJ gegooid. Ik las vooral boeken, goedkoop te krijgen in een van de tweedehands boekwinkeltjes die ik op mijn wandelingen tegenkwam. Al snel verwaterde mijn oude leven tot een matige droom waarin je een even saaie als onmogelijke klus moet klaren. Ontdaan van alle druk en status kon ik hier proberen om mijzelf te hervinden. De binnenstad volgde een heel eigen cyclus, een imitatie van een zondagochtend waarbij je vaak het gevoel kreeg dat je de stad voor jezelf had. In het begin moest ik wennen aan de afwezigheid van een bepaalde gloed waarmee Amsterdam II scheen. Hoe kreeg men dat voor elkaar? Was het een special effect, een bepaalde belichting, of een cumulatief resultaat wanneer je alles van geïdealiseerde beelden nabootst? In de levende stad vielen dingen uit elkaar en werden lange tijd genegeerd of met moeite gestut en gecamoufleerd. De vuilnis werd ook maar twee keer per maand opgehaald. Dan, als je een straat inliep kon je plotseling in een relletje terechtkomen waarvan de aanleiding niet was te achterhalen. Aangezien de politie vanwege bezuinigingen zich vooral bezighield met basistaken waren ze vaak geen partij meer. Al snel zag ik de rellen als een ritueel, een herhalende gebeurtenis waarmee de sociale orde werd bevestigd. In bepaalde gevallen leek het nog het meeste op absurdistisch theater. Zoals die keer dat ik het Leidseplein kruiste dat was verdwenen in een enorme rookwolk waar drie jonge mannen, eentje gezeten op een klapstoel, een ander op een versleten bankstel, zwijgend naar keken. Pas toen een tram vrolijk ringelend uit de rook verscheen liet het schouwspel me los en liep ik verward verder, zoekend naar de betekenis van dit alles. Had ik het over rituelen? Ik werd op 30 april op mijn wenken bediend.
In de aanloop naar die dinsdag kon je moeilijk ontsnappen aan de elektriciteit die in de lucht hing. Mijn zakken puilde elke dag uit van flyers waarop speciale raves werden aangekondigd. Original 1990 Style of Oud Acid Festijn, vormgegeven met vrolijke kleuren, pilvormige mannetjes en aantrekkelijke cybervrouwen. Koninginnedag stelde in Amsterdam, met zijn dedain voor commercialiteit, niets meer voor. In plaats daarvan was de ooit uit de hand gelopen Dag van de Stadsrepubliek door de jaren heen uitgegroeid tot een officieuze feestdag met als hoogtepunt het naspelen van de Slag om de Blauwbrug. De meeste inwoners waren te jong om de ware toedracht en omstandigheden te herinneren maar dat maakte weinig uit omdat in het chaotische tafereel midden in de stad een symbolische betekenis lag die de kern leek te raken van het Amsterdammer zijn. De ervaring had geleerd dat de herschepping met echte wapenstokken, waterkanonnen en stenen meer slachtoffers veroorzaakte dan de oorspronkelijke gebeurtenis. Vandaar dat de als politieagenten verkleedde bewoners met zachte knuppels werden bewapend en de stenen van kunststof waren gemaakt. En toch, eenmaal op gang werkte het gejoel, de dreigementen die uit speakers schalden, het gestamp, het steeds maar herhalende “Geen woning, geen kroning!” gevolgd door de rookbommen, in op het oerwoud van de psyche. De uit de rook marcherende mobiele eenheid veranderde me van nieuwsgierige toeschouwer in deelnemer en ik rende naar een stapel keien die vervolgens vol overgave naar de vijand werden gegooid. Volgens de afspraak trok deze zich op een gegeven moment theatraal terug waarna we juichend de brug op renden. Ik viel een onbekende in de armen terwijl een brandende autoband langs ons rolde. Het voelde alsof ik zelf in vlam stond, levend, op de juiste plek.
Die avond heerste er een feestelijke stemming in de stad. Ik liet me, gedreven door een schier oneindige witte lijn, van café, naar feest, naar café meeslepen.
“Waarom wonen er nog met mensen met geld in de stad?”
Ik passte de joint door. Een van mijn rellende kompanen schreeuwde over de bas die alle drank in de glazen deed golven: “Die hebben er altijd gewoond.”
“Maar ze hoeven hier toch niet meer te wonen? Niemand gaat meer naar kantoor. Dat soort geld wordt nog alleen virtueel gemaakt.”
“Je hebt gewoon veel oude families. Die weten niet anders. Maar...”
Hij gaf me een rietje voor de volgende lijnen.
“Ze houden ook gewoon van de spanning. Wie wil er nou in een villawijk wonen? Domme lui. Iemand met pretenties en statuur zoekt de tijdelijke confrontatie. De mogelijkheid van geweld en seks, van domineren en vernedering. Dat is altijd de succesformule: geld en ruïnes. Dat realiseerde men zich na de plagen. Toerisme slaat alles plat. Allemaal voorgekauwde lifestyles zonder creativiteit. En dat is on-Amsterdams. Een te grote middenklasse in combinatie met toerisme vormde een soort barrière en die is gereduceerd. En zo keert de spanning terug. Kijk om je heen, veel van deze jongeren gaan naar de beste scholen. Hun ouders zijn slippendragers van de oude elite, advocaten, financieel adviseurs, notarissen, dat werk. Ze wonen allemaal in Zuid of op de Eilanden. En geloof me dat is niet vervelend wonen. Maar je blijft dicht bij het vuur. Dat hoort ook bij je opvoeding. Snap je?”
De cocaïne deed zijn sloopwerk. Vagelijk tussen de sterretjes door vroeg ik me af waar hij zelf woonde, al had ik zo een vermoeden.
Na een idyllische zomer begon het exact vanaf 1 september te regenen. De meeste Amsterdammers waren voorbereid en menigmaal kreeg ik de tip om te investeren in goede regenkleding.
“Al is het een oude legerjas uit de dumpstore. Dit gaat zeker tot eind maart zo door.”
Gekleed in een Zweeds exemplaar, volgens de verkoper bedoeld voor een N.A.V.O.-missie in Zuid-Oost Azië, probeerde ik me aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Die bevielen me al snel niet. Ik probeerde stemmige foto’s te maken van weerspiegelend neon in plassen, het Rijksmuseum dat in een stortregen leek te verdwijnen, stoïcijnse vrouwen in trenchcoats uit de vorige eeuw. Ze deden het aardig op mijn Insta. Een beetje niche omdat je weinig kanten op kon filteren met dat alles overheersende grijs. Haast onvermijdelijk liepen de likes daarna terug. Was dat niet een weerspiegeling van mijn eigen gesteldheid?
“Wat is er eigenlijk buiten Amsterdam?”
Het café wasemde een unieke geur van vochtig hout, drogende kleren, bier en wiet. Een van mijn buren, geboren en getogen, daar twijfelde niemand aan, antwoordde: “Ik ben sinds mijn achtste of zo niet meer buiten de A10 geweest, toen kon je daar nog gewoon over rijden. Echt waar. Maar volgens mij niet zoveel. De meeste polders schijnen blank te staan. Je hebt dat hele stuk wat onleefbaar is toen die te snel gebouwde minireactor plof deed. Wanneer wat dat ook alweer? ‘32?
“2034.”
“Nou ja, dat dus. 2034. Gelukkig stond er toen een noordenwind anders waren we hier ook allemaal de Sjaak geweest. Blijft eigenlijk Almere-Lelystad over. Toch de grootste stad van het land.”
Bij dat laatste woord maakt hij ouderwetse citaatgebaren.
“Lijkt mij niks hoor, 6 miljoen mensen, geen echt centrum. Van die, zeg maar, burgerlijke types. Kortom...”
Iedereen begreep zijn voorzet.
“Geef mij maar Amsterdam!”
Dit alles gevolgd door enthousiaste teugen bier. Ik kon geen kant op. Wat was ik nu? Gevangene? Had ik mezelf verbannen? Kon ik me Amsterdammer noemen? De regen nestelde zich langzaam maar zeker in mijn ziel. Ik was de weg kwijt. Het enige wat me op de been hield was de gedachte aan de lente, een leven zonder regen. Maar was er een alternatief als ik dat niet volhield? Uiteindelijk hoefde ik zelf geen keuze te maken.
Even stopte de regen wat het teken was om toch iets te gaan doen, al was het maar een paar foto’s nemen. Halverwege de brug dacht ik zowaar een zonnestraal waar te nemen. Ik bleef staan om de Herengracht te bekijken. Ik wist het licht te kaderen dat over het water dartelde en voelde weer die tinteling van vrijheid. Uit het niets stonden er drie mannen om me heen. Onopvallend gekleed in lange jassen, ik had dit soort figuren nog nooit eerder in de stad gezien.
“Zo meneertje, identiteitsbewijs.”
Ik wist meteen dat het voorbij was. Stom, sommige dingen veranderen nooit. Gelaten liet ik mij, aan beide armen vastgegrepen, meenemen. Zo werd ik in straf tempo langs de gracht richting het Centraal Station geleid. Af en toe ving ik een meewarige blik op van een bewoner die uit het raam hing of ons passeerde. En anders was er wel een “Hard voor je, ouwe.” van een kruisende fietser. Het deed me allemaal niks omdat het voelde alsof ik door een bubbel werd omhuld. Met elke stap verdween al het gevoel langzaam uit mijn wezen. Aangekomen bij het CS liepen we door een tunnel wat me uit mijn meelijwekkende trance haalde.
“Gaan jullie me vermoorden?”
Waarom niet het onvermijdelijke uitspreken? Zouden ze me wurgen? Neerschieten en mijn lichaam in ‘t IJ dumpen? Een van de agenten kon een glimlach niet onderdrukken.
“We vermoorden hier helemaal niemand.”
Zijn collega keek geconcentreerd voor zich uit, maar vulde aan: “Dat is gewoon een eng verhaal om pottenkijkers en radioactieve kakkerlakken af te schrikken.”
De derde agent die voorop liep moest grinniken.
“Sterke verhalen.”
Bij het water aangekomen wachtte al een politieboot. Aan boord werd ik aan een paal vastgeketend. Ik was de enige passagier. Een van de agenten tikte tegen het raam van de stuurkamer.
“Enkeltje Disneyland voor deze meneer.”
Zelfbewust nam ik nog een keer de stad in mij op. Programmeerde ik alvast een gevoel van nostalgie voor toekomstig gebruik? Op het moment dat we langs een pier voeren zag ik haar staan. Rokend alsof ze ergens op wachtte. Ik rekte me zo goed als ik kon over de rand en hoefde haar niet eens te roepen. Haar gezicht verraadde geen emotie en alleen haar wenkbrauwen liet ze cynisch omhoog gaan om daarna op haar horloge te tikken. Al snel verdween ze uit zicht, ik was toe aan vakantie.
(Amsterdam, 2020)
Download als epub.
zaterdag 19 januari 2019
Top 10 albums 2020 – 2029
Terwijl ik mijn winterjas enkele weken later leegde, vond ik het envelopje terug. Al snel deed zich een goede gelegenheid voor, een avond waar ik en de kat alleen thuis waren. Enigszins nerveus plaatste ik een theelepel poeder in een glazen pijp, even die twijfel op de hoge duikplank, en dan toch de brander erop en een flinke hijs. De laatste gewone gedachte die ik me herinner is de verbazing dat het synthetische goedje best lekker smaakte. Wat zich vervolgens openbaarde was zo complex dat het onmogelijk in woorden is te vangen. Mijn armzalige poging om die herinneringen te organiseren is als volgt.
Ik denk dat ik een uur lang met mijn ogen gesloten op de bank heb gelegen. Alles ontvouwde zich visueel in mijn geest, volkomen realistisch. De toekomst opende zich als een multidimensionaal web waar ik, vraag me niet hoe, verschillende momenten tegelijkertijd kon meemaken. Achteraf was ik uitgeput omdat ik fragmenten van ontelbare levens had geleefd en niet alleen van mijzelf, maar ook van talloze onbekenden. En nee, ik heb mijn eigen dood niet meegemaakt. Hoe verder je in de toekomst beweegt des te meer ruis ontstaat, een soort feedback tussen de tijdlijnen die verdere verkenning tegenwerkt. Bovendien, ben je vagelijk bewust van een soort taboe om dit moment onder ogen te zien.
Hoe dan ook, op een gegeven moment begaf ik mij langs een tijdlijn waarbij ik overduidelijk wist dat ik in 2040 was beland, precies voor de deuren van een platenzaak. In een soort routine liep ik meteen naar binnen. Omdat ik inmiddels door had dat de tijd plastisch was en redelijk controle kreeg over de trip kon ik rustig door de paden lopen en me verbazen over de titels die ik tegenkwam op allerlei geluidsdragers. Hoe ik het precies voor elkaar kreeg weet ik ook niet meer, maar in wat leek op een kennisinjectie werden mijn keuzes direct in mijn bewustzijn kenbaar, alsof ik de muziek al jaren had beluisterd.
Over de missie naar de manen van Jupiter, innige liefdesrelaties en buitengewone mogelijkheden van een leven in een wereld die gegeseld wordt door een chaotisch klimaat zal ik elders dieper op ingaan, al verdwijnen bij elke aantekening die ik maak steeds meer details van dit wonderbaarlijke visioen. Tot overmaat van ramp heeft mijn kat de rest van het poeder opgelikt en is daarna gewoon gaan slapen. In ieder geval zijn de muzikale herinneringen mij grotendeels bijgebleven. Dit zijn in de meeste vertakkingen van de toekomst, volgens mij, de tien beste albums van het komende decennium.
Aphex Twin – Selected Ambient Works 93 – 99 en Selected Ambient Works Vol. 3
En daar was hij dan opeens. Het derde deel van Selected Ambient Works, waar de fans van Richard D. James zo lang op hadden gehoopt. Dertig jaar naar Vol.2 bijna achteloos aangekondigd waarna het dubbelalbum een week later verkrijgbaar was. De anti-hype kreeg zelfs geen kans om zich te mobiliseren. Wie de hoes opende werd getrakteerd op een typische Aphex Twin verrassing, een kaartje met de mededeling End 2024: Selected Ambient Works 93 – 99. Dubbele extase.
Vol.3 wordt gekarakteriseerd door een nieuwe emotionele basis, niet meer de verwondering van de kindertijd, psychedelica en onschuld van de ravedagen maar een blik op naderende schaduwen, een gevoel van acceptatie, een welhaast zenachtige balans zonder de sardonische grappen uit het verleden. De meest consistent conventioneel mooie Aphex Twin release in vier decennia als artiest met als hoogtepunt de ambient acid van het negende titelloze nummer.
Het in november verschenen Selected Ambient Works 93 – 99 verzamelt 42 tracks uit de gouden jaren negentig. Een aantal waren onderdeel van de Soundcloud dump van 2015 en zijn nu compleet gemasterd in volle pracht te beluisteren. Hier is de wildere Aphex Twin van weleer te horen met brommende miniaturen, eerste aanzetten tot pianostukken en gewoonweg druggy experimenten. Beide releases zijn onmisbaar, voor elke avontuurlijke muziekliefhebber, maar vooral voor de ravegeneratie die zich opmaakt voor een andere periode van het leven, bewegend tussen herinnering en de gestage daling van serotonine-niveau’s. Blijft steevast de vraag over of dit de definitieve statements zijn van Aphex Twin, iets waar hij in zijn vaste interviewrondes niets van liet merken. In een gesprek vertelde hij vrolijk over weer een nieuwe ontdekking van een vergeten schoenendoos met MiniDiscs. Er is altijd weer een nieuw verlangen voor de fan. Er is nooit genoeg Aphex Twin.
Addictions – Empty House
Er is niet echt een band geweest die de sfeer van de eerste twintig jaar van de 21ste eeuw heeft belichaamd zoals P.I.L. dat deed voor het eind van de jaren zeventig. Een muziek die politieke verhoudingen, angsten, onbewust onbehagen en zelfs de kleuren en het weer van een periode weet te vangen. Ik noem Public Image niet voor niets: want Addictions is een viertal dat soms op vier verschillende drugs, verschillende nummers tegelijk lijkt te spelen, gedreven door een karakteristiek basgeluid, hier niet de speelse dub van Jah Wobble maar een onmogelijk lage en fysieke verschuiving van lucht, blokken van synthetisch geluid die de luisteraar dient te voelen, gecombineerd met een conventionele basgitaar en drummer. Addictions maakte op ouderwetse wijze naam, met een lange reeks optredens, waar een snel groeiende schare fans de subbas en het charisma van zangeres Donna S ondergaan, een drietal E.P.’s, gevolgd door het debuutalbum Empty House. Hier was eindelijk weer een Britse band die intelligentie en innovatie combineerde met een soort natuurlijk recht om in de schijnwerpers te staan. Een band die ook de sfeer invoelbaar maakt van een Verenigd Koninkrijk dat jarenlang op de rand van chaos leeft dankzij een continue dreiging van rellen, aanslagen en schijnbaar onomkeerbare armoede: “You got what you wished for!”
Weird Silence – Weird Silence Sessions
De goede verstaander begon eind jaren ‘10 de eerste signalen op te vangen dat de clubcultuur, die sinds het begin van disco het leidende paradigma vormde van innovatie binnen de popmuziek, ten einde liep, dat de combinatie van club, muziek, dansen en drugs vernieuwing tegenhield. Een besef dat creatieve geesten zou moeten fascineren en uitdagen. Was een nieuw concept van de club (het feest, het festival) nodig? Of zelfs een compleet nieuw muzikaal genre voorbij de club? Het Schotse trio Weird Silence ging op zoek naar een nieuw Jaar Nul. Ze lieten zich inspireren door de futuristische ambitie van jungle, maar stonden tegelijkertijd een zelfbewust loslaten van de modellen van de jaren negentig voor. “Een noodzakelijk loslaten, hoe pijnlijk het ook is,” zoals een van de Weird Silence leden het verwoordde. Dit proces resulteerde in een vrije muziek waar genrevorming lastig grip op krijgt. Weird Silence probeert constant in beweging te blijven. Platen lijken ondergeschikt aan optredens en vooral bedoeld als basismateriaal voor hun Weird Silence Sessions waar muziek onaangekondigd op onverwachte plekken wordt afgespeeld, bijvoorbeeld in een verlaten fabriek, of uit een auto die urenlang door de stad rijdt. Andere sessies heffen op geduldige wijze de barrière op tussen muzikant en publiek, een ontspannen samen-zijn dat onvoorspelbaar verloopt (“de verloren belofte van house” volgens een ander lid.) Weird Silence Sessions vormt een eerste document van het project, een fascinerend verzameling geluidswerelden, verpakt in een bijzonder pakket met poster, boek, unieke polaroids en videomateriaal. Op een bepaalde manier een melancholische, zelfbewuste media-ervaring omdat je er als luisteraar waarschijnlijk niet bij was en tegelijkertijd opwindend omdat het de fantasie prikkelt over toekomstige sessies. Die je misschien zelf wilt organiseren.
Anonymus – Projection
De popplaat van het decennium, onvermijdelijk eigenlijk aangezien Anonymus het mediafenomeen was dat de tweede helft van de jaren ‘20 compleet in zijn grip hield. Want wie was deze zangeres die onverwacht een lange reeks nummer 1 hits afleverde? Die tijdens spaarzame optredens, zoals de Grammy Awards 2028 waar ze een recordaantal prijzen won, steevast achter een scherm zong? Na al die jaren is haar identiteit nog steeds onbekend, wat de pers en sommige fans tot razernij drijft. De eerste groep vervelend maar grotendeels ongevaarlijk, de laatste groep regelmatig verantwoordelijk voor doodsbedreigingen aan het adres van de platenmaatschappij en producers. Haar hitsingles, gezongen in accentloos Engels, Frans, Spaans en Japans, waren slimme constructies opgebouwd rond melodieën die zich vastgrepen in je bewustzijn, die voor genoeg conventionele aandacht zorgden. Maar de verborgen identiteit maakte van haar een compleet nieuwe popster waar de luisteraar alles op kon projecteren. Is ze mooi? Of juist totaal niet? Zijn het meerdere zangeressen? Is het wel vrouw? Is er eigenlijk geen zangeres en is Anonymus het product van een kwantumcomputer, de persoon achter het scherm niet meer dan een willekeurig lichaam? Geen wonder dat men in sommige kringen al een tijd spreekt van het Laatste Popidool.
First Contact – Deep Frontiers
Een tijdlang leek dromen over het eerste contact met buitenaards leven iets uit het verleden. Een cliché uit vintage sciencefiction waar het jaar 2001 nog ver in de toekomst lag. En het moet gezegd dat de clickbait-artikelen van gedegenereerde wetenschapstijdschriften over mogelijke buitenaardse civilisaties die telkens weer een onspectaculaire, levenloze verklaring bleken te hebben, elk enthousiasme degradeerde tot een online ritueel, meer basismateriaal voor flauwe meme’s dan een mooie, maar naïeve hoop. Dat beeld is dit decennium flink aan het kantelen geraakt nu op meerdere manieren signalen zijn ontvangen die duiden op het bestaan van buitenaards leven. Met als hoogtepunt natuurlijk het nieuws dat Voyager II een bizarre terugkeer maakte in ons zonnestelsel. Die terugkeer is op zich al sensationeel. Dat de sonde radiosignalen bleek door te geven die niet konden worden herleid tot een menselijke bron zorgde voor ongekende opwinding die alleen nog de meest fundamentalistische sceptici en gelovigen proberen te ontkrachten. Het duurt nog jaren voordat Voyager de aarde bereikt, tot dan krijgt een andere bron van signalen buiten het zonnestelsel specifieke aandacht omdat veel wetenschappers vermoeden dat het een zogenaamde router is die de mensheid in contact brengt met andere civilisaties.
Alles bij elkaar inspiratie genoeg voor kunstenaars om de blik weer richting de sterren te richten. Elektronische muziek was altijd de meest kosmische, geen wonder dus dat uit het post-techno landschap de eerste serieuze pogingen werden ondernomen om een muzikaal antwoord te formuleren over de nieuwe realiteit die ons wacht. Deep Frontiers is techno-voorbij-techno, dansvloer functionaliteit is achterwege gelaten en wat overblijft is een muziek die beweegt tussen een verlangen naar de grootste dromen van weleer (de in de muziek verwerkte radiosignalen van Voyager krijgen hier iets zwaarmoedigs) en zich probeert voor te stellen welke muziek de opening naar nieuwe levensvormen ons gaat brengen. In die zin is Deep Frontiers het ultieme techno album, de verwezenlijking van een collectief project en het startsein van de zwarte diaspora van Detroit.
Lana del Rey – Dead Ocean Songs
Net voor haar veertigste verjaardag leverde oudgediende (de tijd vliegt) Lana del Rey haar achtste album af waarin ze de tijdsgeest perfect aanvoelt. De basis is nog steeds downtempo, muzikaal minimaler dan ooit, vaak niet meer dan hints van een akoestische gitaar of ambient elektronica. Maar de verloren liefdes lijken geen mannen meer maar een compleet landschap. Dead Ocean Songs is een ode aan een Californië dat definitief is verloren, een spookachtige wereld van zwarte bossen, stinkende mist en lege stranden. Een duistere variant van solarpunk. Prachtige hoes ook met een op het eerste gezicht klassieke foto van nachtelijk Los Angeles waar complete wijken in het duister zijn gehuld.
Diverse Artiesten – Raum
Het undergroundlabel van het decennium werd in 2021 opgericht in Mannheim als CD-only label. Heel voorspelbaar maakte de compact disc een soort comeback op het moment dat in de Anglo-Saksische markt (en dus meteen gevolgd door Nederland) de cd werd uitgefaseerd. Vanzelfsprekend ontstond er vrijwel direct een run op vintage cd-spelers uit de jaren ‘80. Tweedehands winkels gespecialiseerd in cd’s verschenen in het straatbeeld met de daarbij behorende eindeloze discussie welke generatie cd’s het beste klinken. In dit klimaat kon Raum uitgroeien tot het cultlabel. Met een reeks betaalbare, maar in eerste instantie moeilijk verkrijgbare, releases droegen alle artiesten het puristische DDD-geluid uit. Een ECM voor de 21ste eeuw gericht op post-house electronica die in steeds verschillende ruimtes werd opgenomen om “muziek te laten ademen”. CD-5 een opname van Mann & Burgin aan de rand van de Bodensee waar de Alpen beginnen te glooien wordt over het algemeen als het hoogtepunt gezien van de eerste reeks releases waarvan tien tracks werden verzameld op Raum. Waaronder ook een eenmalige terugkeer van Oval die nog eenmaal hun karakteristieke remix skills van weleer laten horen op ‘Zeit/Raum’. Een muziek met een ongekende diepte.
Fumi Sasaki – 四季
De drug die dit alles mogelijk maakte kende nog een vreemd effect, namelijk de gewaarwording dat je andere mensen tegenkwam die via het poeder toegang tot het netwerk van tijdlijnen hadden verkregen. Een maakte een blijvende indruk omdat ze naarstig tussen verleden en toekomst bewoog. Later herkende ik haar als de 19-jarige zangeres Fumi Sasaki. Ik heb wel eens overwogen om contact met haar op te nemen en te verifiëren of ze daadwerkelijk dezelfde ervaring heeft gehad, maar ik ben bang dat ik als een online maniak zal klinken. Hoe dan ook, zij zal in 2027 een buitengewone plaat maken met de vertaalde titel Vier seizoenen. Sasaki plaatst zichzelf zelfbewust in de lijn van de grote Japanse dichters uit de middeleeuwen waarvan ze een aantal gedichten op de eerste helft van het album adapteert, begeleid op traditionele instrumenten en natuuropnamen. Op de tweede helft presenteert ze haar eigen teksten in samenwerking met Sachiko M, oudgediende van de Japanse elektronische avant-garde. Het resulteert in een achttal liedjes voor stem en spookachtige machines. Het voorbijgaan van de seizoenen krijgt in de diepe 21ste eeuw een nieuwe uiting van mono no aware. Zal de omgeving van de tempels in Kyoto nog wel rood kleuren in de herfst? Zal de top van Fuji ooit nog wit zijn? “Bloesems in laag licht / Jonge liefde overmand.”
Diverse Artiesten – Heliolatry Vol.1
Solarpunk ontstond in de jaren ‘10 als noodzakelijk subgenre binnen de sciencefiction. Ondanks de -punk in de naam en de interesse in cultuur bleef het lang beperkt tot een literaire en politiek-filosofische stroming. In 2022 was er dan toch de muzikale doorbraak dankzij de dubbele compilatie Heliolatry Vol.1 (in sommige tijdlijnen volgt een tweede deel, in andere niet.) Solarpunk was niet zonder invloed op moderne muziek maar het effect was in eerste instantie te merken in de infrastructuur van bijvoorbeeld groene festivals. Een artistiek statement was noodzakelijk om de cultuur van solarpunk in het collectieve bewustzijn te plaatsen. En de initiatiefnemer binnen Virgin EMI pakte het ambitieus aan door een 14-tal hedendaagse artiesten uit te nodigen voor hun interpretatie van solarpunk (diverse namen als GAS vs Fennesz, Niño de Elche, Ultramarine, Robyn en nieuwelingen als Malakbel, Theo Jackson en Underwater Light.) Op het tweede deel werd een intrigerende inventarisatie presenteert van proto-solarpunk uit de popgeschiedenis in de vorm van remixes en covers van Sun Ra, A.R. Kane, Tim Buckley, Hiroshi Yoshimura, Junior Murvin, Beach Boys, met als klapper de door Paul McCartney opgedoken alternatieve versie van ‘Sun King’. Een routekaart voor de rest van de eeuw.
Augustus Pablo – King Tubby’s Meet Rockers Uptown (Mix It Yourself edition)
Heiligschennis! Vanzelfsprekend. En toch kon ik dit keer de verleiding niet weerstaan (ook omdat mijn oude vertrouwde vinyl-exemplaar wel erg krakerig wordt na al die jaren trouwe dienst.) King Tubby’s Meet Rockers Uptown is het beste dubalbum aller tijden, hoeven we niet meer over te discussiëren. Interessant is wel dat vintage jaren zeventig dub in de tweede helft van de jaren ‘20 weer een comeback maakte die waarschijnlijk is te danken aan de grootschalige legalisatie van cannabis in delen van de wereld (Nederland lijkt in 2032 als een van de laatste Europese landen dan eindelijk overstag te gaan.) Om de vijftigste verjaardag (!) van de plaat de vieren werd een buitengewone virtuele versie samengesteld. De mixer van King Tubby is allang een museumstuk geworden maar werd tot in de details digitaal nagebouwd. Reggae-historici verzamelde het bronmateriaal met veel zorg en dan is het aan de luisteraar zelf om zijn eigen versies te mixen (lezen van de uitgebreide gebruiksaanwijzing is noodzakelijk.) Enig doorzettingsvermogen blijkt nodig om de kunst van het live dubben in de vingers te krijgen, wat soms tot wonderbaarlijke ontdekkingen kan leiden en uiteindelijk zorgt voor een diepere kennis en waardering van dubreggae. Een intrigerend experiment, aangevuld met bijgeleverde remasters, onder andere in nieuwe ruimtelijke mix zoals deze zou hebben geklonken in de studio van King Tubby. Al die mogelijkheden en keuzes, maar zijn mix zal altijd onovertroffen blijven.