Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label Japan. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Japan. Alle posts tonen

vrijdag 4 oktober 2024

Trans Nippon Express

 

 

Om de zoveel jaren wordt Acid Mt. Fuji van Susumu Yokota opnieuw uitgebracht en daar kom ik altijd te laat achter. De 30 jaar jubileum-uitgave kon me echter niet meer ontsnappen. Een plaat die heel traag steeds meer aan faam heeft gewonnen. In 1994 onhoorbaar voor Westerse oren, al schijnt Yokota in datzelfde jaar in Tresor te hebben opgetreden, destijds een van de leidende laboratoria van techno. In tegenstelling tot zijn landgenoot Ken Ishii bleef hij een redelijk goedbewaard geheim en ik ontdekte Acid Mt. Fuji pas ergens in de 21ste eeuw als een achteloze YouTube-aanbeveling. Die natuurlijk onverkrijgbaar was, totdat Spotify als surrogaat fungeerde. Zoals meestal klinkt de plaat in het echt, op een muziekinstallatie, of met een goede koptelefoon, heel anders dan je je kan herinneren tijdens treinritten waar het glijdende ritme van de muziek naadloos bij past. 
 
Acid Mt. Fuji klinkt 30 jaar later modern en helder, alsof er ondertussen weinig heeft plaatsgevonden. Een verklaring hiervoor zijn de beperkte middelen waarmee de plaat is gemaakt, niet meer dan een TB-303 en een sampler. In tegenstelling tot wat men tijdens de hoogtijdagen van acidhouse verwachtte is de 303 is onverzadigbaar en onvervangbaar gebleken, je kunt er platen moeilijk mee dateren. Yokota’s interpretatie van acid vertoont veel overeenkomsten met het werk van Richie Hawtin uit dezelfde periode, die onder de noemer Plastikman een jaar eerder een versie van acid had gelanceerd die gestroomlijnder klonk, de bliepjes liet ademen, beeldende muziek voorbij de dansvloer. Ook hier bewegen de bliepjes elegant over de beats die af en toe worden bijgestaan door ratelende drums die onwillekeurig aan ‘Spastik’ doen denken. 
 
Maar Yokoto kwam vanuit een andere invalshoek tot deze formule. In eerste instantie was de muziek die uiteindelijk Acid Mt. Fuji werd, een ambient-project waaraan hij later ritme toevoegde. Met name opener ‘Zenmai’ met zijn vogelgeluiden krijgt daardoor een karakteristieke ruimtelijkheid. Wanneer later donkere geluidswaaiers opkomen, klinkt de muziek als een voorloper van de natuurtechno van GAS. Zen minimalisme, natuur, technologie, snelheid en Fuji...kortom, Japanse mythologie: oud en nieuw. Zoals we dat graag willen blijven geloven, het eiland, de Ander, waar vriendelijke spiritualiteit moeiteloos samengaat met technologie. 
 
Als luisteraar kun je verzinken in de associaties die deze elegante muziek oproept, genieten van de oriëntalistische helderheid, terugverlangen naar een 1994 waar vrijwel niemand van ons vanaf wist. Maar er is ook een pessimistische lezing waaraan ik niet helemaal kan ontsnappen. Acid Mt. Fuji werd oorspronkelijk als compact disc uitgebracht—destijds heel normaal, helemaal in cd-land Japan—maar is de laatste jaren alleen nog als vinyl heruitgegeven. En dat is niet geheel zonder betekenis. Want los van het genot van luisteren is er een andere waarde van muziek naar de voorgrond getreden, die van het plezier van archiveren in de vorm van opulent vormgegeven uitgaven. En Acid Mt. Fuji is mooi met zijn zware schijven, bonus tracks (er is altijd een DAT), uitklaphoes van stevig karton met aan de binnenkant een zeer informatieve tekst. 
 
Zijn we archeologen van techno geworden? Met als taak een gouden tijdperk tot in de kleinste details in kaart te brengen, elke groef afstoffend als een onder zand bedolven mozaïek. Ik accepteer dat persoonlijk meewarig en met reden, anders dan alleen die van ouderdom. Techno, house en acid zijn gewoonweg niet in staat om te ontsnappen aan de zwaartekracht van dat tijdperk. Nieuwe tracks kunnen zonder twijfel spannend en innovatief klinken maar zijn gewoonweg niet ingebed in een cultuur die er werkelijk nog toedoet. Dat waar de onlangs overleden Achim Szpenanski in het midden van jaren negentig al voor waarschuwde toen hij rave zag veranderen in een Freizeitknast, een vrijetijdsgevangenis, is de alomvattende 21ste eeuwse ervaring. In het Museum van Techno vinden we wonderbaarlijke artefacten die ons doen dagdromen van een onwerkelijke vrijheid die vervliegt wanneer we ons buiten weer baden in de informatiestroom.

zondag 4 november 2018

新世紀エヴァンゲリオン | Neon Genesis Evangelion: Mecha als psychoanalyse



Ik heb eind jaren negentig een aantal keren in de videotheek twijfelend met de videoband van een van de Neon Genesis Evangelion-films in mijn handen gestaan. De beschrijving van een futuristische wereld met gevechten tussen robots en “Engelen” klonk mij uiteindelijk wat teveel als videogame-estorica in de oren en zo was het 20 jaar later. Uiteindelijk was het, denk ik, de juist keuze want zonder de serie (1995-1996) eerst te zien had het toch weinig nut gehad.

Die 26 afleveringen heb ik er inmiddels doorheen gejaagd. Een wonderbaarlijke trip. De serie werd in eerste instantie op een tijdstip voor kinderen uitgezonden en ik moest vaak denken hoe het is geweest om als 10-jarige hier mee te worden geconfronteerd. Onder het mom van vechtrobots presenteert Hideaki Anno een meerlagig verhaal vol esoterische symboliek, existentialistische vragen, fantasierijke technologieën en ambitieuze psychologie.



Als ik het goed begrijp werd de serie langzaam een cult om uiteindelijk door te stromen naar de Japanse mainstream en het lijkt erop alsof de makers zich bewust waren van het nieuwe publiek en hierdoor steeds extremer werden. Zo rond aflevering 16 worden beelden op een welhaast surrealistische manier grimmig en zoals bijna traditie is in de anime breekt uiteindelijk een psychedelisch moment aan (episode 19-20) waar de realiteit kraakt. Dit alles in hoog tempo, vol wonderbaarlijke beelden die je bijna niet kunt bijhouden, maar ook met twee beroemde lange scènes, waarin schijnbaar niets gebeurd, die totaal uniek zijn voor anime (de eerste bij het treinstation bijna klassiek Europees, de tweede niets minder dan mecha Antonioni.)

Dan nog had Anno een laatste verrassing achter de hand. De serie eindigt op beruchte wijze niet met een groots gevecht tussen goed en kwaad waarin alles wordt uitgelegd maar duikt brutaal in de psyche van de hoofdpersonen om de subjectieve worsteling met vaderfiguren, moeders, trauma’s, verlangens, angst, zelfbeeld, anima en animus in een wervelstorm van beelden uit te werken. Dit einde zou niet door iedereen in dank worden afgenomen. En uiteindelijk werd in 1997 een film uitgebracht, The End of Evangelion, die een alternatief einde presenteert (meer conventioneel naar het schijnt, ik moet de film nog zien.)



Wat het allemaal betekent weet ik nog niet. Neon Genesis Evangelion nodigt haast vanzelfsprekend uit tot uitgebreide exegese. In eerste instantie zie ik het als een uiterst ambitieuze poging om het proces van volwassenwording op complexe wijze te verhalen. Maar dat is een enkele laag. Anno put de kijker welhaast uit met vragen over evolutie, religie in een technologische maatschappij, de status van de mens, de relatie bewustzijn/ziel/lichaam en de toekomst van de mensheid.

Blijft een persoonlijke observatie over, mijn ongemak ten aanzien van het mecha-genre, of specifieker het fascisme van mecha. De bemande vechtrobot kan er niet aan ontsnappen. Altijd bestuurd door een uitverkorene die onder het mom van bescherming tegen buitenstaanders (hier de schijnbaar uit de fantasie van Max Ernst ontsproten ‘Engelen’, buitenaardse robots met een ambivalente missie) agressie kanaliseert en grof geweld mag inzetten, zonder oog te hoeven hebben voor zijn omgeving (steden en natuur worden in de confrontaties niet gespaard) puur exitus acta probat. Ik denk dat dit aspect Hayao Miyazaki tegenstond toen hij op achteloze wijze het werk van zijn leerling bekritiseerde in een amusante ontmoeting. Anno is zeker niet kritiekloos, zijn mecha verworden overduidelijk tot iets monsterlijks, maar niet iedereen beschikt over die subtiliteit en zodra mecha een oversteek maakt naar het Westen resulteert dit onvermijdelijk in desastreuze films als Pacific Rim. Kortom, een van die Japanse ideeën die niet correct te vertalen is.

zondag 21 oktober 2018

Paranoia Agent: het schizofrene medialandschap


Ik ben meer een film- dan een serieman maar ik moet aanvaarden dat een deel van de beste anime de vorm aanneemt van de televisieserie. En niet zonder reden. Wanneer de makers de vrijheid van animatie echt accepteren geeft de langere speelduur de mogelijkheid om echt los te gaan.



In 2004 werd Satoshi Kons 妄想代理人 (Paranoia Agent) uitgezonden, een jaar na zijn fenomenale film Tokyo Godfathers en twee jaar later gevolgd door zijn meest bekende film Paprika. Kon presenteert in dertien episoden een verhaal dat inderdaad compleet gebruik maakt van de vrijheid van anime: de realiteit van Tokio wordt vloeibaar, een psychisch decor. Het grote thema van Kon, de schizofrenie van het medialandschap keert terug in een duister verhaal over een serie gewelddadige aanvallen op straat door een tiener op rolschaatsen die een gebogen honkbalknuppel hanteert. Hij krijgt de bijnaam Shōnen Batto en wordt een legende/mediahype. Tegelijkertijd wordt vrij snel duidelijk dat de slachtoffers verlangen om door Shōnen Batto te worden aangevallen. Ze voelen zich om diverse redenen maatschappelijk in de hoek gedreven, ze zijn dakloos, leven een dubbelleven, moeten koste wat het kost populair op school zijn en willen bevrijd worden van hun angsten, paranoia en onzekerheid. In een lange beginscène laat Kon op prachtige wijze de oplopende druk zien van een hoogtechnologische maatschappij. In dat landschap kunnen trauma’s zich op nieuwe manieren manifesteren.



De gebroken psyche was al eerder door Kon gethematiseerd in zijn パーフェクトブル (Perfect Blue) en 千年女優 (Millennium Actress) en krijgt ook hier een centrale rol toebedeeld. In die zin werkte hij daadwerkelijk verder aan de ideeën van Philip K Dick, met een typisch Japanse invulling waarbij hij schakelt tussen genres en connecties maakt met bekende motieven (de superheld, kawai en de destructie van de metropool). Zelfs de productie van anime wordt tijdens een aflevering onderdeel van het verhaal.



Dit alles verteld op Japanse wijze, dat wil zeggen, zonder afgetekend goed en kwaad, pessimistisch maar met kleine verschijningen van magie en een aantal fascinerende digitale interfaces. Want ondanks de vooruitziende blik op technologie, de altijd aanwezige schoonheid, neonmelancholie, gedetailleerde soundtracks en schattigheid is dat uiteindelijk wat anime zo bijzonder maakt: het vertelt op nieuwe manieren verhalen die ertoe doen.

Volgende serie aan de beurt, dan toch eindelijk: 新世紀エヴァンゲリオン (Neon Genesis Evangelion).

woensdag 30 augustus 2017

Japan: citaten en leeswerk



Citaat gevonden in The Japanese Mind, een interessante collectie essays over Japanse culturele concepten. Uit Wabi no sadō (1987) van H. Hisamatsu:

From the Muromachi to the early Edo period, the spirit of wabi showed its energy. Then gradually, the practice of tea ceremony and other traditional arts became inflexible and formalistic, and lacking in creativity. Such spirit is dead now, and for this reason, the practice of tea ceremony today does not have a 'now', or a 'future', but only the glory of the past.
Sinds terugkomst ben ik ook begonnen aan het herlezen van Barthes' L'Empire des Signes, dat ik jaren geleden las maar wat om onduidelijke redenen altijd een afstandelijke tekst bleef. Nu is het allemaal herkenbaar en, een karaoke of animé daargelaten, nog opvallend weinig gedateerd. Ik ben erg gecharmeerd van Edmund White's recensie van het boek waarin hij scherpzinnig de vreemde opluchting samenvat die je in Japan voelt:

In this fictive Japan, there is no terrrible innerness as in the West, no soul, no God, no fate, no ego, no grandeur, no metaphysics, no 'promotional fever' and finally no meaning...For Barthes Japan is a test, a challenge to think the unthinkable, a place where meaning is finally banished. Paradise, indeed, for the great student of signs.



zondag 20 augustus 2017

Japan: een eerste poging

Ik verlangde er al decennia naar om Japan te bezoeken. Ik denk dat ik ergens ook verwachtte daar de toekomst te hervinden. Dat laatste is zeker niet gebeurd. Technologisch, de zichtbare, praktische kant ten minste, zijn West en Oost gelijk getrokken. De voorsprong in hardware is (momenteel?) vrijwel tenietgedaan en software beweegt nu eenmaal met ongekend gemak over de planeet. Wat mij in eerste instantie dan ook verraste was hoe weinig Japan mij verraste: ik was hier altijd al geweest. De verschillen, het genot, is uiteindelijk te vinden in subtiliteiten. Natuurlijk de taal, dat heerlijke achtergrondgeluid (altijd zacht) en de visuele pracht van de taal die overal aanwezig is, elke metrokaart een nieuwe schatkaart van betekenis. Elke slogan op een gebouw een toevoeging aan het popartcanon.

Zomaar een parkeerplaats in Kyoto

Japan, zo merkte ik al snel, is een gift voor de socioloog. Veel meer dan de technologie is de complexiteit van het sociale fascinerend. Elke sociologische theorie die in het Westen is geformuleerd moet hier opnieuw worden getest. Het civilisatieproces, de relatie tussen het sacrale en profane, de orde van de simulacra en vooral het Goffmaniaanse spel tussen front stage en back stage. Japan is zonder twijfel een introverte maatschappij (voor deze introvert bijna een utopie, waar men zonder schuldgevoel kan zwijgen.) Je wordt je bewust hoe luidruchtig Westerlingen zijn, hoe wij continu bezig zijn met praten om ons ego te versterken. Er is een subliem zwijgen dat ik bijvoorbeeld zag bij bezoekers aan het strand die vanaf een hoger gelegen punt, in typisch gehurkte houding, rokend de oceaan aanschouwden. Ik kan alleen gissen naar hun gedachten (een volstrekt normaal moment van contemplatie?) Op het water heerst onder surfers totale kalmte, geen enkele communicatie, alleen een enkel kind kraait misschien van plezier in de branding. Geen geschreeuw, geen muziek maar ook geen lichamelijk vertoon (geen opgepompte lichamen of tatoeages die geassocieerd worden met yakuza.)

Kalme estheten, veel aspecten van het leven zijn duidelijk gericht op schoonheid, de correcte presentatie, ook van het sociale masker door middel van kleding en kapsels (geholpen door de structuur van het haar, zeer gunstige lichaamsbouw en vaak prachtige gezichten) tot op latere leeftijd (de 60-plusser kan qua stijl gewoon nog meekomen.) Al lijkt die schoonheid niet altijd meteen evident. Tokio vond ik in eerste instantie grauw en lelijk, totdat ik er achter kwam dat de stad veel subtieler is, elke zijstraat herbergt een mogelijke ontdekking. Een stad die lijkt opgebouwd uit kleine oases, cafés waar een perfecte rust heerst, waar inderdaad nog steeds bossanova en pianomuziek klinkt en mensen zonder gêne even kunnen slapen (de stedeling is duidelijk oververmoeid). Dan zijn er weer de kolkende intensiteiten van oneindige winkelstraten waar muziek, beelden en Aziatische massa (die echt van een andere orde is dan de Europese massa) je lijken te verdrinken.

De wijk Namba in Osaka


Het sociale functioneert door eeuwenlange ritualisering perfect omdat van iedereen wordt verwacht dat men rekening met de andere houdt (de stilte, het respect voor de persoonlijke ruimte.) Ik ben er nog niet helemaal achter wat dit inhoudt voor de buitenstaander, de artiest en creatieveling. Ik kreeg in de bergen het vermoeden dat een bepaald soort Japanner zich hier terugtrekt die de teugels enigszins wil laten vieren (een eigen interpretatie van de hippie, maar dan natuurlijk Japans, dus met een uitgedachte stijl.) Het sociale weefsel werkt tot een verre periferie maar over de grens waakt een Aziatische controlestaat die wanneer nodig streng ingrijpt. Ik zou Japan het meest geciviliseerde land ter wereld noemen ware het niet dat het nog steeds de doodstraf kent die omgeven is van echt kafkaëske procedures. Dat het sociale weefsel zo sterk en ver doorwerkt maakt het strafregime zelfs bijna logisch: je moet wel heel ver gaan om jezelf buiten de sociale orde te plaatsen en dan geeft men je ook welhaast achteloos op. Maar de doodstraf blijft een barbaarse praktijk die dient te verdwijnen. Reden waarom Zweden uiteindelijk vrijwel alles combineert wat men van een samenleving mag verwachten in de 21ste eeuw.

Er wordt gezegd dat je bij terugkeer uit Japan pas gechoqueerd raakt, maar dan door de gecultiveerde botheid en luidruchtigheid van Nederland. Misschien dat de waarschuwing vooraf (en aankomst op zondagochtend) dit effect enigszins opving. Maar wat zich wel duidelijker dan ooit aftekent, is de Nederlandse obsessie met de Amerikaanse cultuur en politiek die neurotische vormen aanneemt (in Japan vindt met Amerika vooral interessant als esthetisch concept waarvan men bepaalde onderdelen overneemt en vervolgens verbetert.) Een nieuw oriëntalisme, politiek kritisch maar open op het gebied van esthetiek, filosofie en economie lijkt me zeer vruchtbaar en zelfs noodzakelijk voor een overbevolkt land. De zon rijst nog steeds in het oosten.