Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label kritiek. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kritiek. Alle posts tonen

vrijdag 24 februari 2017

Introductie Kritische massa

Het is ongeveer een jaar geleden dat Kritische massa werd uitgegeven. De laatste tijd zie ik links langskomen naar artikelen over het al dan niet overlijden van rockmuziek of het gebrek aan goede popkritiek. En ik moet toegeven dat ik moeilijk een interessante kritiek of recensie kan herinneren die recentelijk is verschenen, buiten een meesterlijke microrecensie van de laatste Metallica door Klaas Knooihuizen en de unieke associatieve essays van Ian Penman voor London Review of Books (maar opvallend, altijd met als startpunt een boek, nooit de muziek zelf.) Aangezien het 20 jaar geleden is dat Biosphere Substrata uitgaf, was ik nieuwsgierig wat men er sindsdien zoal over had geschreven, waarbij ik eerlijk gezegd veel moois had verwacht voor een album dat rijp is aan betekenis. Dat viel zwaar tegen, zozeer dat ik spijt kreeg dat ik het niet heb meegenomen in Kritische massa. Als je de klassieken niet kent, hoef je ook weinig inzicht te verwachten van muziek die nu verschijnt. Hoe dan ook ik denk dat onderstaande nog steeds geldig is.


An age that has no criticism is either an age in which art is immobile, hieratic, and confined to the reproduction of formal types, or an age that possesses no art at all.
Oscar Wilde – The Critic as Artist

Aan het begin van haar boek Glittering Images (2012) stelt kunsthistorica Camille Paglia dat het moderne leven een zee van beelden is die ons, dankzij overal aanwezige communicatietechnologie, dreigt te overspoelen. Leren om op kalme wijze beelden te duiden, is volgens haar van essentieel belang omdat dat wapent tegen continue afleiding, het grondt de identiteit. Hetzelfde geldt voor muziek. De twintigste eeuw vormde een lang crescendo dat werd gevormd door verschillende technologieën die stemmen, muziek en het geluid van bewegende (machine)delen versterkten en verspreiden. Dankzij popcultuur, film en reclame is muziek permanent aanwezig. Met de opkomst van internet is de intensiteit alleen maar toegenomen. De effecten van deze digitale intensivering beginnen de laatste jaren duidelijke sporen achter te laten in zowel de productie als consumptie van muziek. Een cruciale verschuiving heeft plaatsgevonden van muziek die wordt verspreid door fysieke dragers (vinyl, cassette, cd) naar pure digitale informatie in de vorm van mp3’s en streaming. Deze verschuiving heeft niet alleen gezorgd voor een grotere toegankelijkheid van muziek, het resulteert ook in kwalitatief minderwaardige audio. Daarnaast zijn de inkomsten van artiesten onder druk komen te staan. Als antwoord op deze veranderingen heeft de muziekindustrie zijn verdienmodellen aangepast waardoor het optreden een belangrijkere inkomstenbron is geworden, wat zich vertaalt in hogere entreeprijzen en een wildgroei aan festivals. Op een bepaalde manier vormt dit een onverwachte terugkeer naar de situatie van de jaren veertig van de vorige eeuw waar het optreden voor de muzikant centraal stond. Een positieve interpretatie zou vervolgens concluderen dat hiermee de authentieke muzikant terugkeert ten koste van de artificiële studioproducer en zijn playbackende poppen. Alleen zijn optredens nu veel technologischer en vaak tot in de kleinste details voorgeprogrammeerd. Het verschil met een studio-opname wordt steeds kleiner. Een schadelijker effect is het gebrek aan vernieuwing dat de digitalisering heeft veroorzaakt. Platenmaatschappijen hebben het afgelopen decennium minder geïnvesteerd in nieuwe artiesten en proberen extra inkomsten te genereren met cycli van heruitgaven uit het archief. De geschiedenis oefent een wurgende greep uit op jonge artiesten die geen kans krijgen om rustig een eigen stijl te ontwikkelen.
Tegelijkertijd is het schrijven over muziek veranderd. De eerste jaren van het internet (de tijd van muziekspelers als Winamp en Realplayer) leidden tot innovatieve manieren om over muziek te schrijven die vaak de afstand tussen muzikant, criticus en luisteraar verkleinden. Men startte blogs die vergeten platen en genres deden herleven of ontwikkelde experimentele stijlen die niet door een beperking van het aantal pagina’s of de conventies van het interview werden tegengehouden. Tijdschriften werden opgericht die de nieuwe mogelijkheden van internet verkenden en bijvoorbeeld audio op directe wijze combineerden met tekst en beeld. Die periode van enthousiasme ligt inmiddels achter ons. Een van de redenen voor de teruggang is dat na de eerste verkenning geen brede professionalisering heeft plaatsgevonden. Tekst is overal maar kreeg online nooit de juiste economische waarde toebedeeld. Veel van de vroege initiatieven hebben zich daardoor niet verder weten te ontwikkelen. Om toch inkomsten te genereren is een chaotische tekst ontstaan. Iedereen herkent het wel: de tekst met een clickbait-titel, waar na enkele alinea’s een reclamebanner volgt (die vaak suggereert dat het einde van het artikel al is bereikt) waarna een ingebedde Spotify-playlist of YouTube-video de aandacht definitief verstrooit. Het is een manier van schrijven die aan de lezer geen ruimte laat voor het verzinken in een gedachte, een manier van schrijven die een flikkerende leeservaring oplevert. Die geen respect heeft voor de schrijver en de lezer, van wie men blijkbaar verwacht dat deze een aandachtspanne van een amoebe bezit.
In eerste instantie waren de teksten waaruit Kritische massa is samengesteld, bedoeld als een alternatief voor dit onrustige online lezen: puur tekst zonder onderbrekingen. Wie de muziek wil luisteren, opent Spotify zelf wel in een ander tabblad. In boekvorm kennen we deze onrustige tekst niet, al pik je steeds vaker de klacht op dat de rust niet kan worden gevonden om zoveel te lezen als men ooit deed. Maar er was een tweede reden waarom deze reeks is geschreven: onvrede over de huidige staat van de popkritiek. Kritiek is hier niet bedoeld als synoniem van negativisme, maar als een positieve methode waarmee men op systematische wijze een werk analyseert, een vervolmaking van het kunstwerk door het leggen van connecties met andere kunstwerken en teksten. In dit proces maakt de criticus, met gebruik van eigen inzichten en een persoonlijke stijl, zoiets als een nieuw kunstwerk. Omdat het niet pure fictie is en toch zeer persoonlijk, vormt het traditioneel een werk met een onzekere status. Tegelijkertijd is kritiek gevulgariseerd tot de negatieve recensie, de zoektocht naar fouten. Het is mijn overtuiging dat het schrijven over popmuziek een vorm van kritiek kan zijn waarin het samenspel van muziek en tekst intrigerende ideeën en connecties produceert over allerlei aspecten van het moderne leven. Deze vorm van kritiek is in Nederland vrijwel afwezig. Schrijven over muziek is een soort alternatieve vorm van financiële journalistiek geworden met buitenproportionele aandacht voor de zakenkant van de muziekindustrie die volstrekt oninteressant is voor de buitenstaander en muziekliefhebber. De bovengenoemde verschuiving van inkomsten betekent ook dat er meer dan ooit aandacht wordt besteed aan nieuws rond de legaliteit en inkomsten van streaming naast de programmering van festivals. Onderwerpen die niets wezenlijks toevoegen aan muziek. Wanneer over oude albums wordt geschreven, is dat primair vanuit een commercieel oogpunt: de zoveelste special edition heruitgave of jubileum.
Kritische massa is geschreven tegen het idee van “de aanleiding”, urgentie in marketingtaal. De meeste albums die hier worden geanalyseerd, zijn binnen een half uur voor de platenkast geselecteerd omdat ik de behoefte voelde om er over te schrijven, niet omdat ze exact tien of twintig jaar geleden zijn verschenen. Vaak zijn het onderbelichte platen binnen een oeuvre, albums of artiesten die in het algemeen meer aandacht verdienen of genres waarvoor nog geen bevredigende kritische taal is gevonden. In eerder werk heb ik geopperd dat om de popmuziek en muziekkritiek weer in beweging te krijgen een (tijdelijk) embargo op schrijven over de canon moet worden overwogen. Maar waar legt men dan de grens? Het jaar 1977 heeft mij altijd een van de beste begrenzingen geleken. Punk als Jaar Nul. Ondanks dit streven heb ik het in de onderstaande selectie niet heel streng toegepast, al zijn de twee albums uit 1976 geenszins rockklasiekers. Jezelf ontdoen van een deel van de popgeschiedenis werkt verfrissend. Een gewicht valt van de schouders, er ontstaat zoiets als een persoonlijke, lichtvoetige geschiedenis. Wat niets afdoet aan de waarde van popmuziek uit de jaren vijftig en zestig. In deze periode werden de archetypen van de pop en rock gecreëerd: Elvis de oervader, The Beatles als goedlachse saters, Dylan als profeet, Hendrix als elektrische alchemist, The Doors als dionysische priesters, Brian Wilson als Messias van zon en melodie. De definitieve tekst die dit idee verbeeldt, is het boek Rock Dreams (1974) van Guy Peellaert en Nik Cohn. Na de jaren zestig volgt een periode van verstrooiing en worsteling met de archetypen die grotendeels nog steeds aan de gang is. De periode voor 1977 is ondertussen zo uitgebreid gedocumenteerd door middel van verschillende specialistische tijdschriften waar op de voorkant een kleine selectie canonieke muzikanten rouleert, rockumentary’s, de Top 2000 en nieuwe artiesten die vaak zonder gêne de archetypen kopiëren, dat er geen enkele eer meer aan valt te behalen. Wat overblijft, is een herhaling van zetten.
Kritische massa is vanzelfsprekend geschreven voor de liefhebbers van de individuele platen of artiesten, maar ook voor een jonge generatie schrijvers als bewijs dat het anders kan. De rol van voorproever is voorbij. Tegenwoordig kan iedereen zelf heel efficiënt uitmaken welke muziek bevalt. Algoritmes en sociale netwerken zorgen ervoor dat je muziek direct krijgt toegespeeld waarvan de kans groot is dat deze daadwerkelijk in de smaak zal vallen. Welke rol speelt de criticus dan nog? Op welke autoriteit kan deze zich nog beroepen? De criticus zal iemand zijn die rust en betekenis brengt in de wild kolkende oceaan van geluid, iemand die stromen kan lezen en bewegingen duiden. Bovendien vindt hij/zij het belangrijk om dit te delen zodat iedereen over deze kennis beschikt. De criticus leert dieper en verder luisteren. Van centraal belang hierbij is interpretatie: het lezen, verwerken en verbinden van muziek op verschillende niveaus. De interpretatie is persoonlijk en grenzeloos. De vijfentwintig kritieken die volgen zijn maar vijfentwintig mogelijke interpretaties die op allerlei manieren kunnen worden uitgewerkt. Een aantal conventionele begrenzingen moet men daarbij negeren. De bedoelingen van de artiest zijn interessant maar hoeven geen leidraad te vormen, ze bezitten geen definitieve autoriteit. Muziek kan op allerlei manieren worden verbonden en gemijnd voor betekenis. Over-interpretatie is geen zonde: de connectie die juist voelt, is juist. Met de komst van het digitale domein dreigt muziek objectloos te worden, wat een verlies inhoudt voor de criticus. Muziek is de afgelopen eeuw vrijwel nooit alleen muziek geweest. Het is ook een object dat wordt gepresenteerd in een hoes die de sfeer stuurt en associaties aandraagt voor de muziek. Artiesten doen vaak, al dan niet bewust, kritisch voorwerk. Het enige wat wij hoeven te doen is luisteren en de muziek in ons leven weven.

donderdag 19 februari 2015

The Internet is not the Answer



Not much on social media is truly social, he argues. “We personalise,” he says. “So, you know, it’s kind of social, but in a very personalised way … One of the most troubling things for me about social media is the lack of diversity. It’s like going to some expensive US college. You only meet people like yourself.” Then there’s the whole privacy issue: “The internet is becoming structurally parochial, like a village. So not only does everyone from the NSA to the big internet companies know pretty much everything there is to know about us, but we’re all clustering in these tighter and tighter little ideological and cultural networks. There’s no serendipity, no stumbling upon random people or random ideas. Everything is pre-ordained; you’re served with what they know will suit you.”
En nog veel meer intrigerende observaties van Andrew Keen in dit interview naar aanleiding van zijn nieuwe boek The Internet is Not the Answer. De eerste keer dat ik Keen tegenkwam, in een aflevering van Tegenlicht (als ik me niet vergis, kan haast niet ergens anders), vond ik hem zo'n typische figuur die eens lekker gaat stoken door tegen de gevestigde mening in te gaan. Hij had alleen een beetje last van een vervelende habitus. Inmiddels heeft hij de wind flink in de zeilen (en die zeilen zijn van beter materiaal gemaakt).

zaterdag 31 januari 2015

Steve McQueen: een noodzakelijke vadermoord


Een link naar mijn nieuwe artikel voor Man Got Style 'Steven McQueen and the Need for a New Icon', want het kent een aantal overlappingen met het probleem van retromania.

Nu ik op zoek ging naar een foto viel me op a) hoeveel artikelen er zijn waarin McQueen als stijlicoon wordt gepresenteerd, b) dat ik onwillekeurig denk "coole outfit zeg!" Maar je moet streng zijn over dit soort mythes die zonder nadenken in stand worden gehouden.

woensdag 4 juni 2014

Uit het archief: 'Closer: Existentialistische Acid'


Met de aankondiging dat er eindelijk een nieuwe Plastikman plaat aankomt -die preview klinkt heerlijk- is het een goed moment om weer eens in de oude doos te duiken. Een van twee kritieken die ik schreef voor De Subjectivisten. Pre-blackout dus alleen bewaard gebleven in Toekomstdagen 2002-2007.




closer: existentialistische acid



“Dit universum, dat voortaan zonder meester is, lijkt hem noch steriel nog zinloos. Elk splintertje van die steen, elke mineraal van die donkere berg, vormt op zichzelf een wereld. De strijd om boven te komen, is op zichzelf voldoende om het hart van een mens te vervullen. We moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen.”


         Albert Camus – De Mythe Van Sisyphus


De hoes: een oog tegen een zwarte achtergrond. Of wel een uitdovende zon, de bron van leven, die zijn laatste vlammen de oneindigheid in stuurt. Optioneel: de titel als referentie aan Joy Division. Voordat je een bliepje hebt gehoord van het vierde officiële Plastikman album weet je dat dit geen feestmuziek wordt. Nu heeft Richie Hawtin door de jaren heen steeds strenger een scheiding aangebracht tussen de muziek die hij draait als DJ (gericht op complete extase) en reserveert voor albums die strak geconceptualiseerd zijn, een vorm van contemplatieve techno zo je wilt. Kaal, Spartaans maar niet zonder menselijke schaduwen.

Closer is op het moment vooral onderwerp van discussie omdat Hawtin zijn stem laat horen. Zingen kan je het nauwelijks noemen wat die zware, droevige robotstem laat horen. Het zingen op zich is niet belangrijk maar juist dat de woorden plotseling het abstractieniveau van Hawtins vorige albums enigszins laat ademen en diezelfde albums in een nieuw licht plaatst. De stem twijfelt, is gevangen in een hoofd, is geobsedeerd door zijn relatie met gedachten, de richting van denken, de ruimte van het bewustzijn, de aard van subjectiviteit. Ik kan de muziek niet anders noemen dan existentialistische acid. Een muziek voor een goddeloos universum, pessimistisch, onbehagelijk, waar het grote niets altijd op de loer ligt, waar de gedachten afsterven, waar vervreemding in de relaties met anderen heerst.

Met het benoemen worden de vorige Plastikman albums ook plotseling een eenheid. Dit existentialisme blijkt altijd aanwezig te zijn geweest. De sciencefictionscenario’s van Sheet One waarin het individu verloren is in de liefdeloze kosmos, Musik als een studie naar de relatie tijd-Zijn-muziek, de leegte van Consumed (in het Engels heeft consumption een nare betekenis van: het geleidelijk vergaan van lichaamsweefsel.) De muziek zelf is bijkans nog kaler dan op Consumed, dat ten minste een spookachtige kwaliteit bezit, machines die schijnen met een aura. De stem is noodzakelijk om het kale geluid van Closer te redden van pure abstractie. Wanneer de plaat binnen haar parameters uitschiet is zij het minst interessant: ‘Headcase’ en ‘Mind Encode’ vormen het abstracte extreem, ze gaan in hun schier eindeloze herhaling nergens naar toe, of beter ze klinken als een afdaling in de gapende afgrond van het onderbewustzijn, het labyrint van het zenuwstelsel. Boven die afgrond balanceren bewuste gedachten waarvan de single ‘Disconnect’ het meest tekstueel is, helaas zonder het niveau van een depressief kinderrijmpje te ontstijgen, het spelt de dingen teveel uit.

De rest van de plaat gaat in een vloeiende beweging voorbij, er is een langgerekt synth-thema in de melancholische traditie van Blade Runner dat op gezette tijden terugkeert en de volgende constructie van percussie en zoemende bas aankondigt. De gedachte aan Blade Runner is met name tijdens ‘Lost’, wanneer plotseling het geluid van mechanische tranen verschijnt, niet toevallig. Zoals veel muziek van Hawtin worstelt Closer met vraagstukken over de aard van het ik wanneer de instroom van de machine in het menselijke steeds subtieler wordt. Is dit een tendens naar een definitieve erosie van het vrije subject of een nieuwe bewustzijnsconstructie zwanger met onontgonnen angsten, halfbegrepen onzekerheden en ook overweldigende mogelijkheden?

Het is, vermoed ik, muziek die een nieuwkomer in het genre weinig plezier kan schenken. Techno-voor-kenners klinkt wellicht onnodig elitair, maar Closer doet me denken aan Simon Reynolds’ opmerking dat veel post-Basic Channel techno alleen maar is te waarderen door jarenlang te luisteren naar house, totdat op een gegeven ogenblik een soort overgevoeligheid wordt ontwikkeld voor microscopische veranderingen in geluid. Een sonisch equivalent van de subatomaire realiteit waar andere wetten gelden: een subtiele verandering in ruimtelijkheid, een klein effect, even wat meer reverb krijgt gigantische gevolgen. Een mooi voorbeeld is het afsluitende ‘I Don’t Know’ dat 5 minuten lang een ritme opbouwt zonder zicht op een werkelijk doel. Dan verschijnt een subtiele acidmelodie die een uitweg biedt, het is het geluid van hoop.

Derrick May omschreef techno ooit als “een ongeluk, een ontmoeting tussen Kraftwerk en George Clinton in een lift”. Hawtins versie van techno verwijdert Clinton uit dit scenario maar in plaats van een andere muzikant lijkt de muziek beter te omschrijven door de toevoeging van schilders als Rothko of Newman. Omdat de muziek van Hawtin zo “weinig geeft” ga je als luisteraar haast automatisch zoeken naar visuele opvullingen: de kleur-om-in-te-verdrinken van Rothko of de-gebeurtenis-in-het-Niets van Newman lijken mij beter te passen dan bijvoorbeeld de drukke digitale vistas van VJ’s. Tracks als ‘Ping Pong’ weten meer dan welke vorm van minimale techno esthetische vragen te suggereren over muziek en ruimte: er is iets, geluid, omringd door niets. Waar eindigt de toon? Waar begint de leegte? Is die leegte eindig? Is het niets misschien onderdeel van de muziek? Blijf op deze manier vragen stellen en je wordt steeds dieper in de wereld van Plastikman getrokken.

maandag 26 mei 2014

Een nieuwe reeks over popmuziek

Ik begin voor Myjour aan een nieuwe, lange reeks kritieken van popalbums. Kritiek hier vanzelfsprekend in de zin van systematische analyse (niet als negatieve beoordeling). Ik heb toen ik het lumineuze idee kreeg heel snel een lijst met titels opgeschreven die niet expliciet iets met elkaar te maken hebben. Behalve dat ze bij mij in de platenkast staan en belangrijker: breken met het idee van de witte man met gitaar (of zijn even overgeanalyseerde evenknie, de zwarte man met soul.) Waar ik aandacht aan wil besteden zijn de platen waar niet om de vijf jaar een jubileumstuk over wordt geschreven, die niet in rockumentaries worden gecanoniseerd. Platen waar ik gewoon de behoefte over voel om iets over te schrijven.

Daarnaast mis ik ook een bepaald schrijven over popmuziek. De laatste tijd merk ik dat, wanneer ik een artikel over popmuziek lees, de tekst steeds wordt onderbroken door foto's, youtube-filmpjes en spotify playlists. Een begrijpelijke inzet van de mogelijkheden van de link, maar een onrustige leeservaring. Ik wil een rustige tekst presenteren. Muziek is al "waarde"-loos en een nerveuze verzameling data. Prima, mijn Spotify-lijst loopt ook vol. Maar reden te meer om ergens anders rust aan te brengen. Bovendien ben ik van mening dat iedereen prima zelf de muziek weet te vinden (SEO interesseert mij in dit geval niet zoveel.)

Grace Jones - Nightclubbing is het eerst aan de beurt.

donderdag 29 augustus 2013

Gehypnotiseerd door de weerspiegeling van retromania

De voorpublicatie van Mark Fishers Ghosts of my life (mooie titel, Japan via Goldie n'est pas?) in The Quietus zorgde gisteren voor een rimpeling in de informatiestroom:

Where is the 21st-century equivalent of Kraftwerk? If Kraftwerk’s music came out of a casual intolerance of the already-established, then the present moment is marked by its extraordinary accommodation towards the past. More than that, the very distinction between past and present is breaking down. In 1981, the 1960s seemed much further away than they do today. Since then, cultural time has folded back on itself, and the impression of linear development has given way to a strange simultaneity. 

Het is elegant geschreven en ik sympathiseer met de strekking van de tekst en toch voelde ik meteen twee belangrijke bezwaren opkomen. Allereerst is het denken in equivalenten achterhaald. We leven in een andere tijd. Er gaat geen nieuwe Beatles of Kraftwerk opstaan. De hele dynamiek van subculturen zoals die tot zeg maar 2001 functioneerde is voorbij, voor altijd. Maar belangrijker, en ergens hoop ik dat het boek in die zin niet nog een laag aan Retromania toevoegt,vindt men ook aan de kritische zijde de cult van het verleden stiekem niet te prettig? Of wel, begint men in het kritische discours ook in cirkels om retromania heen te draaien? Het begint nu toch op te vallen dat heel strategisch in dat soort kringen platen van o.a. James Holden en The Knife worden genegeerd. Ik voel een vreemd korte termijn denken, wel gericht op uitbundige historische parallellen, maar gecombineerd met het vreemde idee dat de huidig situatie permanent is.