Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label kunst. Alle posts tonen

zaterdag 4 juni 2022

Crimes of the Future | Een film voor de komende twintig jaar


Met Crimes of the Future keert de Canadese regisseur David Cronenberg niet zozeer terug naar de body horror, een term die hem weinig doet, als wel naar sciencefiction. Al kun je hier ook meteen aan twijfelen. Ja, eXistenZ (1999) was zijn laatste pure sciencefictionfilm maar ergens voelde de sociale afstandelijkheid in films als Cosmopolis en Maps to the Stars even futuristisch als een aflevering van Star Trek. Bovendien publiceerde hij in 2014 Consumed, een zeer beklemmende roman die de hedendaagse realiteit echt 21ste eeuws deed aanvoelen: 

“I didn’t expect the camera. In the operating room. I thought you would just take notes on a notepad, like a proper journalist.” 

“We’re all photojournalists now. It’s no longer enough just to write. We have to bring back images, sound, video. I hope you don’t mind.” 

Het narratief van de terugkeer zou veeleer een van continuering moeten zijn. Cronenberg zet zijn favoriete motieven en thema’s zelfverzekerd door. Kafkaëske bedden, dubbelagenten, de esthetica van de binnenkant van lichamen, organische technologieën, avant-gardistische operaties, de vervormingen van onze lichamen, de verkenning van een nieuw soort genot en zelfs een nieuw soort tederheid, ze worden allemaal vervlochten in een verhaal over een paar performance artiesten. Viggo Mortensen, fragiel en bedachtzaam als de drager van nieuwe organen en Léa Seydoux als zijn partner die dezelfde organen tijdens undergroundoperaties verwijdert. Het is niet helemaal duidelijk of de optredens illegaal zijn en omdat Cronenberg een aantal keren met taboes speelt, kon ik me niet aan een soort metagevoel onttrekken, de gedachte “Hoe komt hij hier mee weg? Hoe is het mogelijk dat ik dit zomaar in een bioscoop kan kijken?” Dat zijn vragen die al jaren niet meer in mij zijn opgekomen. 

Als oude meester weet Cronenberg dat je in sciencefiction uitleg moet doseren, de wereld ontdekken is altijd beter dan de wereld beschrijven. Dat maakt Crimes of the Future, los van de lichamelijkheid, tot een vervreemdende ervaring. Vrijwel alles is nieuw, alsof je naar een documentaire uit de toekomst kijkt. Er zijn hints van een versnelde menselijke evolutie waar men nog maar moeilijk controle op kan krijgen en pijn lijkt te verdwijnen wat op subtiele wijze is verwerkt in de afstandelijke manier waarop mensen met elkaar omgaan. Cronenberg laat je griezelen met de manifeste inhoud van bizarre wonden maar stopt zijn film vol latente betekenissen (is de film in zijn geheel bijvoorbeeld een kritiek op de digitalisering van kunst?) Sciencefiction is sinds Stalker niet meer zo arthouse van intentie en ritme geweest. Daarbij maakt hij optimaal gebruik van de Griekse locaties, in eerste instantie het resultaat van de financiering die de film mogelijk maakte. Het ziet eruit alsof het niet anders had kunnen zijn. Het zonovergoten klassieke Athene wordt volstrekt genegeerd en alles speelt zich af in aftandse interieurs, verlaten straten en havens vol schepen die traag afsterven. Een geloofwaardige toekomst, een maatschappij die de uiterlijke schijn niet kan volhouden nu complexe veranderingen mensen overmannen. Een wereld waar ik meteen in wilde wonen. 

Het is een lange tijd geleden dat ik de behoefte voelde om een film snel nog een keer te kijken. Crimes of the Future, met zijn haast achteloze manier waarop ideeën worden geponeerd, krachtige beelden, hypnotiserende muziek en droomachtige ritme waarin plot oplost, is eindelijk weer zo’n film. Het is een film die we zo nodig hadden. Een worp richting de toekomst, “minstens twintig jaar zijn tijd vooruit”, bedacht ik in het donker. Of is het de enige film die echt het jaartal 2022 waarmaakt? 

Wanneer Kirsten Stewart, die de rol van intelligente Amerikaanse in Europa nu compleet beheerst, een schuchtere Viggo Mortensen probeert te verleiden stelt hij “I’m not very good at the old sex.” Een van de zinnen waar de komende jaren talloze filosofische papers over zullen worden geschreven. Maar Cronenberg presenteert niet alleen interessante ideeën, het is uiteindelijk zijn afstandelijke moraal, een gebrek aan moraal die is vervangen door een goedaardige nieuwsgierigheid waarmee alles wordt verbonden. Zijn hele carrière lang weigert hij het lichaam als morele grens te accepteren. Het lichaam is in beweging, verandert continu, uit zichzelf of met anderen, andere mensen, virussen, dieren of technologieën. In Crimes of the Future is transseksualiteit een gepasseerd station, een oud fenomeen. Cronenberg is allang verder, op zoek naar de onbekende mogelijkheden van het lichaam die in detail dienen te worden verkend, een continue herdefinitie van schoonheid totdat de mens niet meer bestaat.

zondag 3 april 2022

Een Omgekeerde Ontheiliging

 


Het is de meest controversiële plaat in jaren, zeker in het technogenre, bij verschijning meteen geridiculiseerd en afgekraakt. Ik heb het over Consumed in Key, de herbewerking van technoklassieker Consumed (1998) van Plastikman door pianist Chilly Gonzales, onder andere bekend van zijn solo pianowerken, samenwerking met Daft Punk en amusante serie Pop Masterclass filmpjes. In eerste instantie nam ik het nieuws voor kennisgeving aan, maar wanneer de wil-tot-teleurstelling direct zo krachtig raast, moet er wel iets aan de hand zijn. Een artikel over het project waarin de heren, inclusief intermediair Tiga (zelf naar eigen zeggen geobsedeerd met het album), hun relatie met Consumed uitleggen intrigeerde me zodanig dat ik besloot om de plaat een kans te geven.
 
Consumed is vanaf de eerste dag een van mijn favoriete technoplaten geweest, een zelfverzekerde verfijning van de mensmachine-esthetiek en muzikale uitwerking van de schilderijen van Mark Rothko. Techno voorbij de dansvloer, muziek voor contemplatie. Een fraai vormgegeven cd die ik nog steeds regelmatig draai, ook al heb ik hem zodanig verzadigd dat ik soms vergeet dat hij opstaat. In die zin alleen al breekt Consumed in Key, met zijn impressionistische toevoegingen, de muziek open, laat het me op hernieuwde wijze luisteren. Soms werkt het niet en klinkt het alsof Gonzales achteloos meespeelt terwijl de plaat bij de buren is opgezet en soms zijn er slimme toevoegingen die gebruik maken van de ruimte en cadans in deze verstilde technobouwsels. Niet een plaat die ik nog vaak zal opzetten en meer een vorm van conceptuele kunst waar ik totaal geen moeite mee heb.
 
Chilly Gonzales mag een begenadigd pianist zijn maar hij is ook een provocateur die zichzelf eind jaren negentig bij aankomst in in de Duitse hoofdstad President van de Berlijnse Underground kroonde en eerder een van zijn meest poppy nummers ‘Making a Jew Cry’ noemde. In een bijgaande video legt Gonzales uit dat hij Consumed niet als klassieker kende, maar twintig jaar later achteloos voorbij hoorde komen en de muziek bijna als een bedreiging voelde die beantwoord moest worden. En ook al spreekt hij het niet uit ga ik ervan uit dat hij weet dat hij heiligschennis pleegt, een elegante vorm van vandalisme. Ergens deed het me denken aan L.H.O.O.Q. waar Marcel Duchamps een snor op de Mona Lisa tekent. Maar dan omgekeerd, alsof iemand de pisbak van Duchamps schildert in de stijl van Rembrandt. Want een piano in techno is niet zomaar een extra instrument. 
Voor Hawtin is het toelaten van een akoestisch instrument in zijn muziek tot nu toe ondenkbaar geweest. Dat hij zijn magnum opus vrijgeeft is een dappere beslissing, al was het omdat het de streng futuristische lading van de muziek vrijwel zeker zal ontkrachten. Een piano is immers niet alleen een instrument, het is in navolging van Barthes een mythologie, een symbool van bourgeois respectabiliteit. Zie alleen al het lot van Erik Satie wiens surrealistische streken uiteindelijk eindigden als achtergrondmuziek in talloze reclames of fijnzinnige Japanse films. Piano in de abstracte geluidswereld van Consumed is nooit een neutraal gebaar. Het is echter niet zonder precedent. Maxence Cyrin presenteerde in 2005 met Modern Rhapsodies een verzameling pianobewerkingen van danstracks waaronder magistraal melancholische bewerkingen van ‘Don’t You Want Me’ (Felix) en ‘Windowlicker’ (Aphex Twin). Al jaren is de pianist Francesco Tristano te horen op samenwerkingen met Derrick May, Carl Craig en Moritz Von Oswald (Auricle / Bio / On uit 2008 is een minimalistische voorloper van Consumed in Key waar nauwelijks aandacht aan werd besteed.) 

The sound of techno was both lush and brittle, gnomic and expansive, the lingo used for song titles and labels signalling its origins in crossed-wire transplantation: Shifted Phase, Waveform Transmission, Submerge, Clone, Ground Zero. 

Ian Penmans welhaast achteloze beschrijving van vroege Detroit techno roept herinneringen op van hoe machinaal en ruig de muziek in de beginjaren klonk. Signalen, elektriciteit, oversturing. Desondanks is er altijd ruimte geweest voor klassieke invloeden als de dramatische strijkersarrangementen van Mike Banks en de in eerste instantie mechanische piano, zoals te vinden op de sleuteltrack ‘Strings of Life’, door Derrick May zelf omschreven als “23rd century ballroom music”. De piano en drumcomputer zijn in die zin, akoestisch en elektrisch, een manifestatie van de mens-machinefilosofie die aan de basis van de muziek ligt. Maar zelfs daarachter ligt een laatste mythe, die van Motown, de onontkoombare standaard van Detroitmuziek, een bastion van elegantie, smaak en opwaartse mobiliteit gedreven door neoklassieke arrangementen. Detroit is een ruïne maar dient te herrijzen in een nieuwe vorm van de Good Life
 
Kortom, Consumed in Key past in een lange traditie van een muziek die inmiddels streng gecodificeerd is in verschillende smaakclusters die, wanneer je al dertig jaar naar de muziek luistert, niet meer kunnen verrassen. Elke controverse is al minstens een keer gepasseerd. Commercialisering, ongegeneerd stelen, problemen met rechten en royalty's, doorgeslagen purisme, race baiting, de ambivalente houding ten opzichte van drugs, het ontsluiten van een nieuw publiek buiten de clubs, de neoliberalisering van techno, streaming, draaien met vinyl, je kunt er allemaal een mening over hebben die veel, zo niet alles, zegt over je sociale identiteit/positie. Persoonlijk zal ik het gebruik van klassieke muziek in techno vrijwel altijd beschouwen als gebaar om een bepaalde status te bewerkstelligen die niet nodig is. En dit past bij allerlei ideeën en verwachtingen die ik heb over techno die totaal kunnen verschillen met andere technoliefhebbers. De museïficatie van techno is lang geleden ingezet en volgens een culture logica onvermijdelijk. Consumed in Key past vanzelfsprekend in dat proces van museïficatie omdat Consumed hier zelf de oorsprong van vormt. Dat was een oprechte stap richting het onbekende. Op het eerste gehoor lijkt de herinterpretatie een veilige inkapseling door de bourgeoissmaak waar men gelukkig nooit zeker van weet of je voor de gek wordt gehouden.

vrijdag 23 juni 2017

De Konstantin Controverse

Een nieuwe controverse in de wereld van, ja van wat, house, techno...dance? Daar kom ik nog op terug. Eerlijk gezegd had ik alleen zijdelings van het Giegling label gehoord (een jonge collega is liefhebber en krijgt pretoogjes als weer een 12-inch in gelimiteerde editie kan worden besteld) en van Konstantin al helemaal niet (bewust). Maar al snel werd via social media een fragment uit een interview met Groove gedeeld, dat in eerste instantie prettig wegleest met zijn ideeën over Der Weimar-Spirit, maar waaruit op een gegeven moment blijkt dat de DJ/producer een seksistische hufter is. In het huidige tijdsgewricht kun je vervolgens ten onder gaan aan een soort online heksenjacht, wat een gevaarlijk fenomeen is, al helpen de laffe nepexcuses, waar men tegenwoordig in is gespecialiseerd, niet echt.

De controverse heeft denk ik een aantal interessante implicaties. De (domme) ideeën van Konstantin passen helaas naadloos in het huidige narratief van de blanke man die zich op een aantal vlakken onder druk voelt gezet. De broflake ziet in sommige gevallen spoken, maar in andere heeft hij gewoon te maken met een reële correctie op een eeuwenlange dominantie. Die correctie is al decennia aan de gang, maar blijkbaar worden de effecten van dekolonisering, feminisme, rechtsgelijkheid nu echt invoelbaar. Konstantins woorden verrassen daarom niet echt, zijn eigen utopie lijkt te worden doorprikt.

Maar zouden zijn woorden minder erg zijn als ze door een artiest in een ander genre werden geuit? En wat zegt dat over de relatie tussen de artiest (of denker), zijn werk en politieke gedachten? Om een voorbeeld te geven: Burzum beschouw ik als een meester in zijn genre terwijl ik, enigszins ongemakkelijk, zijn paganistisch-nationalistische ideeën accepteer. Maar in black metal weet je van te voren waar je aan begint. In house en afgeleiden ligt dit veel moeilijker. Dat heeft te maken met de oorsprong van house als een thuis/bescherming voor iedereen, een veilige haven, hoe tijdelijk, die voor minderheden in Chicago van groot belang was. ‘My House’ (1988) van Fingers Inc was en is nog steeds het statement:

  

Dit idee van universele acceptatie werd in Europa een aantal jaren, met als motor ecstasy, voortgezet als de knuffelutopie van acid en rave. Na 1991 volgde het uiteenvallen van de eenheid in verschillende subgenres die sindsdien zijn geëvolueerd en hun eigen kenmerken vormen, met daarbij horende (vaak onbewuste) sociale uitsluitingsmechanismen. In Duitsland is er altijd een potentieel geweest om van house een lokale volksmuziek te maken en de beruchte woorden van Mark Spoon op MTV (“the blacks have their hip hop and us whites have our techno”) gaven op botte wijze een breuk weer die met een aantal andere ontwikkelingen dansmuziek steeds minder aantrekkelijk hebben gemaakt en uiteindelijk types als Konstantin voortbrengen, een soort kinderlijke dictators die een fantasiebubbel scheppen.

En toch, ik kan me niet voorstellen dat Ricardo Villalobos of de artiesten van Kompakt zulke uitspraken zouden doen. Wat is dan het verschil? Is die wat vale Duitse deephouse een inherent fout genre? En kun je sociaalpolitieke ideeën in muziek herkennen? Dat is een vraag die al meer dan eeuw speelt ten aanzien van Richard Wagner en de vraag of zijn antisemitisme doorsijpelt in zijn muziek. En zo niet, kun je met die wetenschap toch genieten van zijn muziek? Ik denk van wel, zoals Voyage au bout de la nuit uiteindelijk een klassieker van de literatuur is, zonder dat Céline’s politiek achtergrond hier ook maar iets aan kan veranderen. Hoe groter de artiest, hoe sterker zijn kunst zijn politieke beelden tenietdoet. Wat dat betreft is het een geluk dat Hitler een middelmatige schilder en schrijver was. Het is een interessant en waarschijnlijk onbehagelijk denkexperiment om je Hitler voor te stellen als een geniaal schilder, een Picasso die toch besluit om het politieke pad te kiezen*.

* Ik noem het voorbeeld niet toevallig. Hitler speelt een aparte rol in China Miéville's The Last Days of New Paris, een fascinerende novelle over politiek en kunst.

woensdag 10 februari 2016

De nieuwe kunstenaar

Martin Shkreli is uitgegroeid tot een van de meeste gehate mensen op het internet. Hij maakte naam als directeur van het hedge fund MSMB Capital Management en een aantal farmaceutische bedrijven waaronder Turing. Met dit laatste bedrijf bemachtigde Shkreli de licenties voor het geneesmiddel Daraprim waarvan de prijs per tablet op onverantwoordelijke wijze werd verhoogd. Eind 2015 werd hij tot tevredenheid van miljoenen wegens fraude gearresteerd door de FBI.

Toen volgde een onverwachte stap. Shkreli kocht voor twee miljoen dollar het Wu-Tang Clan album Once Upon a Time in Shaolin, uitgebracht in oplage van een exemplaar. Op zichzelf, zoals iedereen met een beetje historische kennis weet, een onorigineel project. Jean-Michel Jarre deed het in 1983 immers met Musique pour Supermarché al en dit zijn esthetische gebaren die maar een keer gedaan hoeven te worden. De aanschaf van het Wu-album vormt daarentegen een perfect gebaar, alsof het er voor bedoeld is en van te voren afspraken zijn gemaakt als in het theater van worstelwedstrijden. Shkreli ging echter stug verder, weigerde voor een commissie van het Amerikaanse Congres antwoorden te geven en begon met filmpjes Wu-Tang Clanlid Ghostface Killah uit te dagen. Waarop deze weer antwoord gaf, wat te langdradig was en bovendien meegaat in de trollactie van Shkreli die zichtbaar ongevoelig is voor sentiment en de oubollige code van de Straat.

Opeens was het zo helder. Shkreli is bezig om trollen om te vormen tot performance art. En dat is een gedachte die zowel enthousiasmeert als angst inboezemt. Hier is iemand die daadwerkelijk de uitdaging aangaat van de mediacultuur in de 21ste eeuw, een kolkende massa van beelden, verwijzingen, clickbait, voorgeprogrammeerde sentimenten en woedende participatie. De hele controverse zou door Harmony Korine 20 jaar geleden kunnen zijn verzonnen, een scenario voor in zijn bizarre boek A Crack Up at the Race Riots (1998). Alleen hadden we destijds gedacht: “beetje vergezocht Korine.” Ziehier ook het groeiende probleem voor schrijvers: mediapersonages gaan zich steeds vaker vreemder gedragen dan geloofwaardige fictieve personages. Shkreli’s “geef me je haat” houding is buitengewoon en overtreedt allerlei sociale conventies, met name een groot aantal conventies van de Amerikaanse spijtcultuur die helaas te ver zijn doorgedrongen in Europa.

En hij is niet alleen. Lady Gaga had het juiste vermoeden dat performance art van belang kon zijn in de 21ste eeuw maar maakte de fatale fout door terug te kijken in een samenwerking met Marina Abramović. Dat is de oude performance art van het museum. Maar kunst heeft het museum niet meer nodig. Ik kan met een bulldozer de muren van het Stedelijk Museum platwalsen in de naam van de kunst en iedereen lacht me toe. Hoogstens wordt er even een voorspelbare discussie op een of ander praatprogramma gehouden “of dit nou wel kunst is?” Maar ik zou dan nog steeds conventionele kunst met retro-invloeden maken.

Shkreli opereert in een nieuwe arena. Zijn ware concurrenten zijn vanzelfsprekend het levend kunstwerk Kim Kardashian en haar man Kanye West (middelmatige rapper wiens tweets, lange preken tijdens concerten en aanvallen op paparazzi zijn echte werk vormen.) Al zijn zij gearriveerd, voorspelbaar als een ritueel en uiteindelijk te veilig. Nee, de grote tegenhanger van Shkreli is Donald Trump, doorbreker van conventies, improvisator en mogelijk kandidaat voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Trump is een en al performance, schept hier ook nog eens over op. Wanneer Trump even serieus over een onderwerp wordt ondervraagd heeft hij werkelijk geen idee waar het in de politiek over gaat. En dit is natuurlijk de minder aantrekkelijke kant van het Trollisme: kunstenaars die politiek bedrijven hebben het buitengewoon slecht gedaan in de geschiedenis. Trump zal hier geen uitzondering op vormen. Hoogstwaarschijnlijk zijn er te weinig boze blanke mannen om hem tot president te verkiezen maar het precedent is geschapen, een model dat geperfectioneerd kan worden. Conventionele politiek geobsedeerd door neoliberalisme en veiligheid biedt geen enkel aantrekkelijk alternatief waardoor de politieke troll, altijd een meester van de media, alleen maar meer kansen zal krijgen.

Iedereen al tevreden over de hervonden toekomst?

vrijdag 12 september 2014

Leeslijst lezing DordtYart

Na mijn lezing bij DordtYart waar ik inderdaad op Jeff Millsiaanse wijze door een groot aantal verwijzingen heen ging, werd opgemerkt dat een geprojecteerde afbeelding met verwijzingen best wel handig was geweest. Een geweldig idee! Als er nog eens een vervolg komt, print ik gewoon een stapel lees/kijklijsten uit en neem die mee voor wie geïnteresseerd is. Maar deze keer moet men maar hopen op Google en dit blog.


Michael Solana - 'Stop Writing Dystopian Sci-Fi - It's Making Us All Fear Technology'

Mary Shelley - Frankenstein

Black Mirror (tv-serie Channel 4)

Brazil (film, Terry Gilliam)

Suzanne Collins - The Hunger Games (drie boeken plus verfilmingen)

Geoffrey O'Brien - 'The Sublime Horrors of Ridley Scott'

Samuel Delany - Dhalgren

Vladimir Nabokov - Ada or Ardor

Anthony Burgess - A Clockwork Orange

Gary Shteyngart - Super Sad True Love Story

Ray Bradbury - The Martian Chronicles

Kim Stanley Robinson - Red Mars, Green Mars, Blue Mars

Alvin Toffler - Future Shock

Jean Baudrillard - Simulacres et simulation

The Matrix (film, Andy en Lana Wachowski)

Mulholland Drive (film, David Lynch)

Frederic Jameson - Archaeologies of the Future: The Desire Called Utopia and Other Science Fictions

Erik Davis - Techngnosis: Myth, Magic and Mysticism in the Age of Information

Mark Dery - Escape Velocity: Cyberculture at the End of the Century

Ursula K. Le Guin - The Dispossessed

 J.G. Ballard & John Gray - 'Technology is always a facilitator' (interview in Extreme Metaphors: Collected Interviews)

William Gibson - Neuromancer 

William Gibson & Bruce Sterling - The Difference Engine

Kaze no Tani no Naushika, Tenkū no Shiro Rapyuta (films, Hayao Miyazaki)

Adam Flynn - Solarpunk: Notes toward a manifesto

zondag 31 augustus 2014

Aankondiging lezing DordtYart



11 september geef ik om 20:00 een lezing in DordtYart (Dordrecht) in het kader van nieuw werk van mijn favoriete kunstenaars Paul Segers en Ajla R. Steinvåg dat tegelijkertijd wordt gepresenteerd.

Ja, het gaat over sciencefiction. Met onder andere de vragen: waarom is sciencefiction vaak pessimistisch? Wat kan de beeldende kunst aan sciencefiction bijdragen (en andersom)?

Hier meer informatie.

vrijdag 22 augustus 2014

De melancholie van roest

De Zweedse kunstenaar Simon Stålenhag maakt fascinerende schilderijen van een realistische toekomst. Een half-conventionele wereld van herkenbare houten huizen, Volvo's, gewone kleren, voornamelijk Zweedse natuur die bevolkt wordt door robots, bezig met hun noeste arbeid of juist tot stilstand gekomen, overmand met de melancholie van roest. Volkomen geloofwaardig. Hier is meer werk te bekijken.

vrijdag 13 september 2013

The Machine of Compensation


Overzichtstentoonstelling van Ajla R. Steinvåg in het Van Abbemuseum (Eindhoven). Met gemak de meest interessante hedendaagse beeldende kunstenaar dus ik was vereerd dat ik een korte tekst voor de tentoonstelling mocht schrijven met de titel De Wetenschap van het Nieuwe Lichaam. En nou niet meer klagen dat er geen futuristen in Nederland rondlopen.

woensdag 26 juni 2013

Het universele profiel

[Dit is een uitgewerkte tekstversie van een kort praatje dat ik vorig jaar gehouden heb bij de opening van de tentoonstelling 1,0 fte in CBK s'-Hertogenbosch. Bepaalde motieven wil ik laten terugkeren in De Toekomst Hervonden]

Het universele profiel

Hoeveel versies van jezelf bestaan er? Het is een vraag die men zichzelf lange tijd niet hoefde te stellen. Twee, luidde het antwoord in het Westen lange tijd. Een zichtbaar lichamelijk ik en een tweede, meestal als superieur beschouwde, versie in de vorm van een ziel. Met de opkomst van de moderne wereld veranderde deze situatie. Wellicht is er tijdens de Verlichting een moment geweest dat men even tot een enkele entiteit leek te zijn gereduceerd. Ware het niet dat in de 19de eeuw de Pruisische en Napoleontische bureaucratie een grote vlucht nam en er zoiets als een papieren dubbelganger ontstond. De officiële registratie van achternamen in 1811 was een belangrijk gebeurtenis omdat de identiteit voor het eerste verplicht wordt gekoppeld aan een complete naam.
De schaduwzijden van de bureaucratisering zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw in het werk van Max Weber en Franz Kafka scherp geanalyseerd. Nog steeds gebruiken we de term kafkaësk wanneer we geconfronteerd worden met de excessen van bureaucratie, bijvoorbeeld wanneer een papieren identiteit een eigen leven gaat leiden. Een situatie die we snel als een nachtmerrie omschrijven. Dat hoeft niet te bevreemden want we hebben het hier over een soort dubbelganger en de dubbelganger heeft altijd iets onbehagelijks.

Maar een dubbelganger van wat? De status van het zelf, de identiteit, het origineel, is sinds Freud radicaal veranderd. Freud was zeer bewust van het feit dat hij een monumentale slag had geleverd aan het troste Cartesiaanse ego, de ontzielde enkelvoudige identiteit. Het ik werd als het ware geplet tussen een maatschappelijk opgelegde identiteit (superego) en het onderbewustzijn dat eigenlijk de werkelijke baas in huis was. Wat de status van Freud ook tegenwoordig mag zijn: het zelf is nooit meer aan elkaar gelijmd, hoezeer we in ons alledaagse leven hier nog gewoon van uitgaan, hoezeer dat ook wordt verwacht. De socioloog Erving Goffman beschreef in de sociologische klassieker The Presentation of Self in Everyday Life (1959) een beeld van de alledaagse identiteit als een opvoering van een rol die wij allemaal spelen naar gelang de sociale context waarin we ons bevinden. Wij leren verschillende persona te gebruiken die we enkel loslaten wanneer we ons alleen bevinden (in wezen de enige situatie waarin we niet op onze hoede hoeven te zijn voor schaamte.) Een waar zelf is in dit wereldbeeld een identiteit die succesvol natuurlijk en spontaan overkomt. Dat is wat in een sociale situatie wordt verlangd. Men mag de maskers niet zien, het dragen van de identiteit mag geen moeite kosten.


Personalia: Van avatar naar profiel

Hoe verder we er vandaan bewegen hoe meer de jaren negentig van de vorige eeuw zullen gaan lijken op een belle epoque waarin de meer negatieve aspecten van de moderniteit achter ons leken te liggen. Identiteit kreeg in deze periode een nieuwe status. Het was alsof het impliciete spel met maskers van Goffman bewust werd gemaakt. Identiteit werd vloeibaar verklaard, een constructie, iets wat men net als het lichaam kon veranderen, aan werken, waar je niet het hele leven aan vast hoefde te zitten. Deze verandering werd vaak positief beoordeeld. Hard werk, wellicht vermoeiend, maar een uitdaging waarmee men de onzekerheden van het postmoderne leven uiteindelijk beter het hoofd kon bieden.

De opkomst van internet paste hier perfect bij. Een van de bevrijdende aspecten van internet in die begintijd was dat het gebruikers eenvoudig in staat stelde om online keuzes te maken over de manier waarop men zich wilde presenteren. En dat hoefde niet het alledaagse ik te zijn. Als man kon je vrouw zijn, en omgekeerd. Fictieve personages, niet-menselijke figuren, het werd allemaal geaccepteerd. Hierdoor werd betekenis op internet gedreven door inhoud en kennis van zaken in plaats van de vooraf geldende status of uiterlijk charisma. Status bestond wel maar werd opgebouwd door het delen van waardevolle kennis en daaraan gelieerde betrouwbaarheid.

De laatste jaren is de bovengenoemde manier van presentatie onderhevig aan verandering. Er is een beweging gaande richting het presenteren van jezelf, je “echte” zelf. De vrijheid van de identiteit (de persona, de avatar) wordt ingeruild voor de verplichting van het profiel. Avatars worden enigszins op neer gekeken, vooral onder druk van meer zakelijke netwerksites. Men moet het liefst een portretfoto presenteren, anders is men niet serieus of heeft wat te verbergen. Facebook is de definitieve motor achter dit realisme gebleken. Facebook houdt van authenticiteit, ook omdat het pretendeert een identiteit te kunnen leveren waarmee men op andere websites kan inloggen en wellicht te zijner tijd zelfs financiële transacties voltooien. Deze reductie van de identiteit zou ik het profiel willen noemen. Profiel heeft van zichzelf al een negatieve connotatie, je denkt er al meteen de zinsnede “u past niet in het profiel” bij, het profiel van de dader, profiling. Profiel is een pasvorm. Het komt immers van het Italiaanse profilare, het woord voor omlijnen, wat we weer associëren met het gezicht. Kortom zichtbaarheid.

De fictieve pasvorm zoeken we vrijwillig op. We maken online talloze profielen aan. Wanneer we op zoek zijn naar werk, wanneer we een transactie op internet doen, wanneer we ons sociaal leven voor een groot deel online voortzetten. Daar is op zich niets mis mee al zijn er drie belangrijke kanttekeningen te plaatsen. Allereerst raken we de controle kwijt over onze profielen, ze zijn vaak niet meer van ons maar worden handelswaar. Ten tweede wordt het profiel een gestandaardiseerde manier om onszelf te presenteren waar geen ruimte is voor onvoorspelbaarheid, intuïtie, humor of kritiek, omdat we ons zakelijk moeten presenteren, een perfect ik, met het resultaat dat er tussen al die perfectie geen verschil is. Als laatste wordt status niet meer primair opgebouwd door het delen van kennis maar bij voorkeur door het aantal connecties van je profiel.


Ervaring: De Autonome Kunst
 
De bovengenoemde verandering is voor een aantal beroepsgroepen gevaarlijk (journalisten, sociologen) maar vooral voor kunstenaars. Helemaal als kunstenaars zich steeds meer als een soort creatieve entrepreneur/persoonlijkheid moeten presenteren. Wellicht zie ik het te donker in maar ik ben bang voor een situatie waarin kunstenaars worden gedwongen om zich te profileren, om zichzelf te reduceren tot die te kleine groep variabelen. Het resultaat zal voorspelbaarheid zijn omdat men, om economische redenen, risico’s zoveel mogelijk wil uitbannen.

Het gevaar dreigt tegenwoordig om hoogdravend te klinken als men probeert de rol van kunst en de kunstenaar in de samenleving te definiëren. Maar als kunst een ding moet zijn dan is het onvoorspelbaar. Bovendien is het niet de rol van de kunstenaar om de habitus van andere beroepsgroepen te assimileren. De vaak door stadsmarketeers misbruikte term creatieve klasse omvat ten minste het idee dat kunstenaars traditioneel een aparte klasse vormen. Onder invloed van Herbert Marcuse en J.K Galbraith ontstond in de jaren zestig het idee dat de kunst en kunstenaar een essentiële rol in de maatschappij hebben te spelen die de eenvormigheid van het economische denken overtreft. Een aantrekkelijke gedachte die door het kapitalisme op karakteristiek originele wijze is gebruikt en omgevormd, namelijk door de ooit door de Situationisten gepropageerde esthetisering van het alledaagse leven aan zijn eigen logica te onderwerpen. De kunstenaar zelf dreigt hier steeds verder in te worden meegezogen.

Laat duidelijk zijn dat internet niet het probleem is, internet kan ontelbaar verschillende dingen betekenen. En zelfs sociale media is niet hét probleem. Ik beschouw een van de populaire manieren waarop microblogsite Tumblr wordt gebruikt als een mogelijk model voor het maken van een esthetisch persona. Het verzamelen van objecten, vooral afbeeldingen is dan een esthetische positionering die het beste functioneert binnen het Tumblr-netwerk, waar mensen op herkenning van smaak en schoonheid opereren in plaats van connectieve status. Zelfs profilering door kunstenaars hoeft niet per definitie problematisch zijn. Maar de mechanismen van efficiënte, reductie en markt, kortom economische termen, mogen nooit een sluitend web vormen dat de definitieve waarde van kunst bepaald.


Ambitie: Een Open Profiel

Het model van Tumblr wijst, ondanks bepaalde kanttekeningen die men kan plaatsen over de mate van verdieping, op de mogelijkheid van een alternatief profiel. Het gesloten profiel is de standaard, een verzameling vragen die eindig is en waaruit men een lijst kan vormen om een bepaald beeld te vormen over een persoon naargelang de context. Een beperkte lijst die eigenlijk ooit is ontwikkeld voor het aanvragen van documenten of in werking stellen van aanverwante bureaucratische handelingen (dat wat tegenwoordig uitstekend is afgebakend met de DigiD van de overheid.) Als tegenhanger zou een open profiel moeten bestaan. Open omdat de vragen niet leiden tot gestandaardiseerde antwoorden en dus een persoonlijker beeld schetsen van de invuller, maar ook open omdat de verzameling vragen waaruit men kan putten vrijwel oneindig is.

Hoe krachtig sociale media en bureaucratie ook mogen lijken, er bestaat nog genoeg ruimte voor andere strategieën om de kunstenaar zichzelf te laten presenteren. Zo zou een minimale aanpak een respectabele keuze moeten zijn: naam en geboortejaar, daarna gevolgd door titels van werk, voorbeelden van kunstwerken. Dit “strenge profiel” is dan nog uit te breiden met opties van nationaliteit en omschrijvingen of een theoretisch context van het werk. Het is zelfs denkbaar dat men anderen het profiel van de kunstenaar laat schrijven. De criticus, in de ware zin van het woord, als degene die nieuwe lagen van betekenis in kunstwerken ontwaart, die, bij voorkeur met goedkeuring van de kunstenaar, werken duidt. De radicaalste variant van het minimale profiel zou de vorm aannemen van een anoniem profiel waaruit elk spoor van persoonlijkheid, met uitzondering van contactinformatie, is weg gefilterd en kunstwerken centraal staan. Een andere variant zet humor, de dubbele betekenis, ironie, misvattingen in, dat wat de wil tot universele standaarden, waaronder het gesloten profiel, niet kent.

Om nog een keer terug te keren naar eerder genoemde zorgen: waarom de nadruk op het profiel? En hoe verder met het profiel? Hoe vaak zul je vragenformulieren die gericht zijn rond de identiteit moeten invullen, niet alleen als kunstenaar maar als neutrale burger? Die vraag zal voorlopig tastbaar zijn in het dagelijkse leven aangezien internet, hoezeer het ook zal veranderen, waarschijnlijk niet meer zal verdwijnen. In die zin draait de problematiek niet louter om de presentatie van de kunstenaar, het persona dat de kunstenaar kiest, maar om het terugwinnen van internet zelf, wat eigenlijk wil zeggen: het terugwinnen van vrijheid. Omdat internet overal is, bureaucratie overal is, de economie overal is, zal men nooit als individu een frontale aanval kunnen inzetten die werkelijk iets zal kunnen bewerkstelligen. Een open profiel gebruiken vormt een minuscule stap die, met andere alternatieve stappen en strategieën, systemische fouten en openingen moet vinden en gebruiken.

woensdag 12 juni 2013

Digitale rot in kunst


That was the conundrum facing the Whitney Museum of American Art, which in 1995 became one of the first institutions to acquire an Internet-made artwork. Created by the artist Douglas Davis, "The World's First Collaborative Sentence" functioned as blog comments do today, allowing users to add to the opening lines. An early example of interactive computer art, the piece attracted 200,000 contributions from 1994 to 2000 from all over the globe.

By 2005 the piece had been shifted between computer servers, and the programmer moved on. When Whitney curators decided to resurrect the piece last year, the art didn’t work. Once innovative, “The World’s First Collaborative Sentence” now mostly just crashed browsers. The rudimentary code and links were out of date. There was endlessly scrolling and seemingly indecipherable text in a format that had long ago ceased being cutting edge.

Dat komt goed uit. Dit artikel When Artworks Crash: Restorers Face Digital Test handelt over een aantal vragen en problemen dit ik probeerde aan te kaarten in de TENT lezing.

zaterdag 8 juni 2013

Lezing Tent: complete tekst

Hier de tekst van de lezing die ik heb gegeven op 7 juni op Less Is More, More Or Less in TENT, Rotterdam. Met een aantal afbeeldingen die op de achtergrond werden gebruikt. Trouwe lezers/volgers zullen een aantal riffs herkennen.

Beauty In Decay




I

Jullie moeten me vergeven dat ik met een zeer Amsterdamse anekdote begin. Een tijd geleden stond ik met mijn oudste dochter te wachten op de tram bij de halte Spiegelgracht. Deze ligt recht voor de ingang van het Rijksmuseum. Opeens werd ik overmand door de vraag: hoeveel is er sinds mijn kindertijd (begin jaren zeventig) in dit straatbeeld veranderd? Er is ergens in de loop van de jaren zeventig een heel lelijk gebouw geplaatst tegenover het Rijksmuseum, de trams zijn van kleur veranderd, er zijn heel veel verkeersborden bijgekomen, aan het einde van de straat, naast Paradiso, is twintig jaar geleden een complex gebouwd…sommige gevels zijn schoongemaakt. En dat zijn ongeveer de belangrijkste verschillen. Een gevoel van tijdloosheid overmant je. Dat is zowel een veilig als onbehagelijk gevoel. Nu kun je zeggen: Amsterdam wil een openluchtmuseum zijn…maar dan is het alleen een meer extreme uiting van een cultuur die gevangen lijkt door het verleden.

Er worden nog steeds sondes richting de toekomst gestuurd maar ze lijken geen direct effect te sorteren aangezien het gewicht van het verleden steeds zwaarder drukt. Steeds meer artefacten, kunstwerken uit het verleden, die niets aan kracht hebben ingeboet, zijn beter in kaart gebracht, worden met zorg geconserveerd en compulsief overladen met betekenis. Wat zorgen baart, is wanneer een vorm uit het verleden steeds opnieuw wordt hergebruikt. Sommige creatieve gebieden zijn hier op het moment gevoeliger voor dan andere. Mode heeft zich uit een lange retrocyclus ontworsteld en laat met gebruik van de laatste technologieën en materialen meer nieuwe ideeën toe. De jurken van Iris van Herpen zijn het meest radicale voorbeeld, maar ook gevestigde merken als Balenciaga, Dior en Prada zijn op diverse manieren continu op zoek naar vernieuwing. Een alledaags merk als Nike heeft een perfecte balans gevonden waarin het zijn klassieke modellen respecteert maar ook lijnen lanceert die specifiek gericht zijn op innovatie.

 Literatuur en muziek zijn echter bijna tot stilstand gekomen terwijl er meer muziek wordt gemaakt, meer wordt geschreven dan ooit te voren. In zijn boek Retromania heeft de popcriticus Simon Reynolds uitputtend geanalyseerd hoe de hedendaagse situatie van met name popmuziek een uitkomst is van historische trends. Retrobewegingen en revivals zijn al lange tijd actief. Postmoderne nostalgie kende met het White Album van The Beatles al in 1968 het startsein. Het probleem is dat het verleden de afgelopen jaren alles dreigt te overwoekeren.

 Een belangrijke oorzaak van deze situatie is dat een deel van de creatieve industrie wat betreft internet een adaptatiefase heeft doorgemaakt. Het is onder druk komen te staan, op economisch niveau angstig geworden en richt zich op wat zekerheid biedt. Dat wat al succes heeft gekend. Het belangrijkste product is de eindeloze heruitgave. Eerst als remaster, vervolgens als boxset met alle studiotakes en alternatieve versies, dan als ultieme jubileumcollectie. Daaraan gelieerd is het fenomeen van artiesten die concerten geven waar ze hun beroemdste album integraal spelen. Ook voormalige leiders van de underground als Sonic Youth en Pixies hebben dit model klakkeloos gevolgd. Op deze manier ontstaat een museumficatie van de complete cultuur inclusief genres, als popmuziek, die traditioneel volgens een andere, namelijk vernieuwende dynamiek functioneerde.






Waarom is dit problematisch? Museumficeren van popmuziek uit de jaren ’60, punk, rave… maar ook de radicalere kunstbewegingen als Dada, Surrealisme en het Futurisme is uiteindelijk een verraad plegen aan de kern hiervan. Het verlangen naar een opening, een nieuwe manier van zien of luisteren. Daarnaast is een obsessie met het verleden een karakteristiek onderdeel van de conservatieve politiek. Churchill, Thatcher maar ook Fortuyn, Balkenende en Wilders spraken en spreken graag over een terugkeer naar een verloren staat waarin de maatschappij op alle niveaus overzichtelijk was en schijnbaar perfect werkte. Vernieuwende cultuur zal altijd dit mythische evenwicht doorbreken. Retro neigt naar politiek conservatisme maar inmiddels is het hele politieke spectrum ermee geïnfecteerd: is men ook nostalgisch naar breed maatschappelijk engagement, solidariteit en wenst men bij de recente kroning óók rellen, zoals in 1980. Een overkoepelende retrocultuur is uiteindelijk problematisch omdat we ons op het moment niet op een maatschappelijk optimum bevinden om op stil te staan en zelfgenoegzaam terug te kijken…en vooral niet politiek en cultureel.

 Een mogelijke oorzaak van retromania is zogenaamde future shock zoals de futurist Alvin Toffler het in 1970 in zijn gelijknamige boek beschreef. Zijn argument is dat door een groot aantal technologische veranderingen in te korte tijd, we gedesoriënteerd raken en teruggrijpen naar de zekerheden van het verleden. Een reflex. En die reflex kan onder andere worden overwonnen door juist creatief mee te bewegen met verandering. Dit kan echter mogelijke valkuilen herbergen. Wat is immers makkelijker dan te zeggen “oh, dan gebruiken we de laatste technologieën voor het maken van kunst.” Dit is inderdaad wat in mode nieuwe paden creëert maar in muziek is de computer steeds meer een gevangenis die eindeloze mogelijkheden schenkt maar juist uniforme resultaten produceert.

Het gaat ook om een mentaliteit. Ik gebruik zelf graag de microblogsite Tumblr als een soort moodboard waarmee je op eenvoudige wijze een netwerk kunt bouwen van mensen met eenzelfde interesse en smaak. De afbeeldingen die hier worden geprojecteerd zijn bijvoorbeeld bijna allemaal de afgelopen jaren via Tumblr verzameld. Wat mij opvalt wanneer ik verdwaal door Tumblr is dat veel tieners geobsedeerd zijn door de esthetiek van de jaren ’60, 70 en 80. Als esthetische leerschool is dit geweldig, ze beschikken over een basiskennis van beelden waar ik op dezelfde leeftijd alleen maar van kon dromen. Maar waar leidt deze kennis toe? Blijft men in een nostalgische dagdroom hangen van een tijd die nooit is geleefd en niet zal terugkeren? Of daagt deze kennis uit tot de formatie van nieuwe vormen? En krijgen jongeren daar wel de kans toe? Er zijn bijvoorbeeld jonge muzikanten die gepikeerd reageren wanneer ze worden aangesproken op het feit dat ze teveel in het verleden duiken. Dat graven in het verleden zijn gradaties in aan te brengen maar het gevaar bestaat dat men elkaar teveel op de vingers kijkt. A watched pot never boils zegt het Engelse spreekwoord, helemaal als miljoenen continu de pan in de gaten houden. Een zekere afstand bewaren in plaats van continu hypen en helpen zou een gezonde situatie vormen. De huidige sociaal-technologische constellatie maakt dit echter vrijwel onmogelijk.


II

Uiteindelijk zal de museumficatie tevergeefs zijn. Neem een iconisch schilderij als De Nachtwacht in gedachte. En laten we nu een sprong in de toekomst nemen. Over ongeveer vier miljard jaar zal het Andromeda sterrenstelsel botsen met ons melkwegstelsel. De zwarte gaten die het centrum vormen van beide stelsels zullen om elkaar heen draaien en uiteindelijk samen een zwart gat vormen dat het centrum zal zijn van een nieuw sterrenstelsel. Wat dit precies zal betekenen voor de Aarde is onduidelijk maar dat maakt uiteindelijk niets uit. Over ongeveer 1.4 miljard jaar is het leven op aarde onmogelijk geworden omdat de zon steeds feller zal schijnen voordat deze weer veel later uitdooft. Over het lot van de mensheid zelf is veel minder zekerheid te geven. Wellicht zullen we evolueren en nog tienduizenden jaren verder leven. Gezien de manier waarop we met de planeet omgaan, zal de mensheid eerder uitsterven. En sommigen hangen het idee aan dat de mens al deze eeuw in een synthese met technologie opgaat en als homo sapiens zal verdwijnen. Ondertussen is het steeds onwaarschijnlijker dat een enkele mens ooit ons zonnestelsel zal verlaten.



Wat betekent dit voor De Nachtwacht? Het lijkt een mooie inspiratiebron voor romantische sciencefictionverhalen. Bijvoorbeeld een interplanetaire exodus van de beroemdste kunstwerken richting een maan van Jupiter, totdat de omstandigheden er zo ongunstig zijn dat verder moet worden getrokken. Om uiteindelijk te eindigen op een buitenaardse kunstmarkt. Welke kunstwerken zouden worden uitgekozen om mee te gaan op deze tocht? Wie beslist dit?... Waarschijnlijker is dat De Nachtwacht altijd op Aarde blijft en dus zal vergaan. In een aantal scenario’s zal het in een leeg museum hangen omdat er geen mens meer bestaat om het te bekijken. Misschien zal het Rijksmuseum onderlopen en het schilderij zijn verhuist naar een hoger gelegen museum als het Louvre. Tot die tijd zal De Nachtwacht keer op keer worden gerestaureerd totdat er geen enkele molecuul meer overblijft die door Rembrandt zelf is aangebracht. Het is een simulacrum geworden.

Een angst dat kunst verloren zal gaan, gekoppeld aan een excessief conservatieproces, vergt op lange termijn enorm veel energie. Terwijl een vitale cultuur verjonging nodig heeft. De realiteit is dat we niet beide kunnen bolwerken. In ieder geval is een ander balans nodig tussen bewaren en verkennen. Hoe is dit te bewerkstelligen? Een mogelijkheid is het stimuleren van een soort hernieuwde vorm van romantiek, een technoromantiek die schoonheid in verval ziet en accepteert. Waarom fascineert Blade Runner ons na al die jaren nog? Omdat de film een beeld schetst van een stad die zowel creatief is als onderhevig aan aftakeling. Dit Los Angeles is niet altijd een pretje om in te wonen maar het is spannend, in beweging, ondanks het belang van herinneringen heeft het verleden geen grip op de stad en bewoners.

Verval is psychisch “gezond” in vergelijking met een maatschappij die risico’s probeert uit te bannen. Verval is op een dieper niveau een onontkoombare realiteit, we vechten onbewust tegen de tweede wet van de thermodynamica, die stelt dat elk systeem neigt naar wanorde. Onze lichamen vechten hier tegen, het complete evolutieproces doet dit totaal doelloos. Maar uiteindelijk zal ook het universum naar alle waarschijnlijkheid een zogenaamde staat van warmtedood bereiken, waar alle materie als het ware uit elkaar is gevallen. Dat is geen tragedie want de kosmos bevindt zich in een continue staat van vernietiging en wedergeboorte. Stervende sterren verspreiden in hun laatste ontploffing het materiaal voor de geboorte van nieuwe sterren. Het accepteren van de relatie tussen verval en creatie heeft een aantal dimensies die wellicht ook helpen om het gevoel van retromania te doorbreken.

Wanneer we aan steden denken waar ooit sterke creatieve scenes opbloeide denken we aan de jaren zeventig waar Londen, Amsterdam, West-Berlijn en vooral New York in verschillende gradaties in verval raakten. De middenklasse verhuisde naar buitenwijken terwijl de financiële centra en musea gewoon bleven functioneren. New York was rond 1975 zowel een middeleeuwse stad met wolkenkrabbers als het financiële centrum van de wereld. In dat spanningsveld van macht, geld, verval en kunst ontwikkelden zich allerlei nieuwe vormen. Het meest radicale voorbeeld blijft echter Detroit. Detroit is vaak een spookstad genoemd, een voorbeeld van hoe de toekomst van elke grote stad er uit zal zien. Maar het was tot de jaren zestig een bloeiende industriestad. Na de rassenrellen van 1968 en de groeiende concurrentie van de Japanse auto-industrie liep Detroit leeg en is daar ondanks talloze lokale initiatieven nooit van hersteld. Het is ook de stad waar techno, waarschijnlijk de laatste muzikale avant-garde, is ontstaan. Een sterke kunst die als noodzaak zich ontworstelt uit de puinhopen en voedt op vergeten dromen.

         Het probleem is natuurlijk dat je een dergelijke creatieve stad in verval niet kan plannen als een soort laboratorium. Detroit is door Amerikaanse overheden aan zijn lot overgelaten vanuit racistische motieven en economische desinteresse. Het is niet iets dat men in de Westerse wereld buiten de Verenigde Staten snel op eenzelfde schaal zal nadoen. Margret Thatcher heeft ooit overwogen Liverpool aan zijn lot over te laten maar dat was blijkbaar toch een brug te ver. Ironisch genoeg zijn het niet stadscentra die verder in verval zijn geraakt, want deze zijn de laatste 25 jaar vrijwel allemaal opgeknapt en herboren als culturele centra die bedrijven en hoge inkomens aantrekken. Het zijn de lokale buitenwijken waar de middenklasse in de jaren zeventig naar vluchtte die vaak in verval zijn geraakt. Dit kan uiteenlopen van de beruchte Parijse banlieue tot het meer bescheiden Bijlmermeer, voorbeelden van complexen waar de originele planning teniet wordt gedaan en een eigen plan wordt getrokken. Wat zij echter missen is de nabijheid van financiële centra, galerieën en musea om een zekere esthetische dynamiek te genereren. Verval is hier afgeschermd in een vaak gewelddadig reservaat met een eigen creativiteit onzichtbaar voor het zoeklicht van media. Totdat een representant van de gevestigde cultuur zich erin interesseert en elementen gebruikt. Waarna de authenticiteit die we verlangen als in een tragedie verdwijnt. Het schoolvoorbeeld is Diplo. Een DJ/producer die graag inspiratie opdoet in de sloppenwijken van Rio de Janeiro en vervolgens zijn muziek volstopt met favela funk. Ongetwijfeld met de beste intenties maar in de vertaling gaat iets, noem het aura, verloren.


III

We zijn gewend geraakt aan het idee dat Nederland af is en dat alles, ook creativiteit gepland is en precies zijn plaats in de maatschappij en de stad krijgt toebedeeld. De vraag is hoe lang dit nog realistisch is vol te houden. Nederland heeft moedwillig de boot gemist op het gebied van duurzame energie en gaat daar de komende decennia de prijs voor betalen. De huizenmarkt en vooral speculatie met kantoorgebouwen zal waarschijnlijk ook niet terugkeren naar de niveaus van voor 2008. Het is niet ondenkbaar dat Nederland tijdelijk weer in een emigratieland zal veranderen. Verval zal lokaal, zonder planning, verschijnen en ik vermoed dat in de spanning die hier ontstaat creatieve openingen mogelijk zullen zijn.



Kan het verleden op een andere, minder naargeestige, wijze worden vermeden? Er is een mogelijkheid dat retroculturen op Hegeliaanse wijze een soort onontkoombare antithese vormen van modernistische bewegingen als punk en techno.  Waarna een volgende synthese onvermijdelijk zal plaatsvinden. De eerste signalen hiervoor worden steeds duidelijker zichtbaar. Het is tegenwoordig wanneer we het over de toekomst van creativiteit hebben haast een verplichting om het over de Maker cultuur te hebben. Het netwerk van digitaal ambacht dat door de meer enthousiaste vertegenwoordigers als een nieuwe industriële revolutie wordt gezien. Het icoon van de Makers is de 3D-printer, waar ik zelf nog sceptisch over ben omdat het, naast hele handig oplossingen voor het maken van specifieke onderdelen, vooralsnog vooral meer plastic troep belooft. Maar de belofte van de Maker cultuur gaat meer om het bieden van een alternatieve creativiteit en een dialoog over de mogelijkheden van een aantal nieuwe technologieën als lasersnijders en robots die steeds betaalbaarder worden. Daarnaast biedt de Maker cultuur nieuwe modellen en manieren om samen te werken. Minder bedrijfsmatig en op 20ste eeuwse managementfilosofie gebaseerd met zijn eeuwige mantra van efficiëntie. Meer op de praktijk van de werkplaats. Meer ook gericht op het vrij uitwisselen van informatie. Dit gebeurt met behulp van een eigen infrastructuur van tijdschriften, festivals, galerieën en creatieve laboratoria.

Hoogstwaarschijnlijk zal de 3D-printer een primitieve tussenvorm zijn, een stap richting nu nog moeilijk voor te stellen machines en artefacten. En dan zullen we in 2040 ongetwijfeld nostalgisch terugblikken op de jaren ’10, het hoofd brekend over de moeite die het kost om vintage Facebook pagina’s van digitale rot te behoeden.

vrijdag 24 mei 2013

Aankondiging: Less is More, More or Less

Op 7 juni spreek ik op Less is More, More or Less, in TENT te Rotterdam. Een veelzijdig programma met als globaal onderwerp kunst in de stad en de vraag hoe daar door de tijd mee om te gaan. Ongetwijfeld zal ik er wat provocerende observaties over de thema's retromania en futurisme plaatsen. Werktitel: Beauty of Decay.*

Hier is alle informatie te vinden.

(Tot dan zal het wellicht hier wat rustiger zijn.)

* Naar Underground Resistance vanzelfsprekend: