Nu ik Confield (2001) weer draai vraag ik me af of het niet
beter is "grensgebied 2: Autechre oeuvre" als titel te nemen. Confield heeft sinds
verschijning faam gekregen als Autechre’s meest extreme gebaar, de plaat waar zelfs hardcore Autechreianen duizelig van worden. Misschien dat ik hem nu
genoeg keren heb gedraaid en eindelijk is bezonken want vandaag klinkt
Confield zeer vertrouwd (Autechre albums zijn geweldige lange termijn
investeringen.) Ik vermoed dat het onlangs verschenen Exai hier ook debet aan
is. Twee cd's met nieuwe Autechre-muziek is heel veel Autechre, zeker als een groot deel
weer net zo compromisloos knarst en breekt als Confield, vooral na de relatieve open albums
Quaristice (2008) en Oversteps (2010).
In ieder geval geeft Confield nog steeds een bepaalde
begrenzing aan die vermoedelijk ligt in de mate waarop de hersens nog plezier
kunnen beleven aan de schijnbaar willekeurige verschuivingen van ritme en
melodie. De vraag is of dit een cultureel interpretatieve grens vormt die
tijdelijk en dus overbrugbaar is, of zit er structureel gewoonweg niet meer in?
Kunnen de hersens niet meer willekeur aan om er muziek in te herkennen en esthetisch
plezier aan te beleven. Confield klinkt in ieder geval twaalf jaar later begrijpelijk, alsof de de voorheen afzonderlijk bewegende delen eindelijk samenwerken...ook conventioneel mooier dan voorheen. Wellicht omdat Autechre’s gevoel voor
melodie vrijwel altijd wordt ondergewaardeerd. Vandaar ook de bovenstaande
suggestie dat het oeuvre beter werkt als begrenzing. Een bepaald genot van
luisteren naar Autechre ligt in de totale evolutie van het geluid vanaf die
eerste tracks op Artificial Intelligence (1992), de manier waarop ze je steeds,
heel voorzichtig, gevoeliger maken voor geluid, de piketpaal geduldig
verschuiven.