Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen
Posts tonen met het label internet. Alle posts tonen

zaterdag 17 september 2016

Wat was Kindamuzik?

Ik was gisteren bij de afscheidsborrel van Kindamuzik, het digitale muziektijdschrift dat na zeventien jaar gestopt is. Wat op zich geen ramp is, meer dingen (festivals, artiesten, kranten, televisieprogramma’s en -formats) doen er goed aan om tijdig te eindigen in plaats van door te gaan in een spiraal van veilige gewoonte. Bovendien geeft een dergelijke beslissing opeens een interessant beeld van de afgelopen jaren.

Om met het persoonlijke te beginnen. Ik presenteerde zelf mijn eerste recensie in maart 2001, nadat ik door de mysterieuze ideeënman Ariën Rasmijn was benaderd. Ik schreef met bangsiaans enthousiasme een proefrecensie over het nieuwste album van Boredoms en mocht daarna aan de slag. Daarbij kreeg ik complete vrijheid wat betreft lengte, muzikaal onderwerp en stijl. Een weelde waar ik graag gebruik van maakte. Al snel was het een sport om als eerste een belangrijke release te bespreken en zo kon ik bijvoorbeeld Villalobos’ Alcachofa uitroepen tot het model van house voor de komende jaren. En in langere stukken als deze over Tour de France Soundtracks werd het begrip recensie al ingeruild voor de kritische analyse die ik uiteindelijk voorstond (en uiteindelijk uitmondt in Kritische Massa). Kindamuzik was zeer relaxed en trok blijkbaar een bepaald soort muziekliefhebber aan, die ik voor mijn online leven zelden tegenkwam. Soms schreven we samen dossiers over een genre, zoals ambient, die denk ik uniek zijn in het Nederlandse schrijven over popmuziek (en als we het daar toch over hebben, mag ik deze buitengewone tekst van Gerard de Jong over Juana Molina nog een keer aanraden?) Ik ben er nog steeds niet over uit of de overstap van Engels op Nederlands de juiste zet is geweest, al was het omdat Kindamuzik toen al een internationale speler was geworden waarbij ideeën vaak werden opgedaan en getest op het I Love Music-forum. En op een gegeven moment begon toch de tendens van professionalisering, van regels als het beperken van het aantal woorden (overigens een beperking die de steeds kortere aandachtsspanne van de online lezer aanvoelde.)

Wat me tot een breder perspectief brengt. In Kindamuzik zie je goed hoe internet is veranderd sinds 1999. Dit werd meteen zichtbaar toen gisteren een beeld werd getoond van de eerste website. Kindamuzik was het product van een combinatie van kansen die internet bood (“waarom is er nog geen informatie over…”) en prettige naïviteit, die niet alleen op internet heerste maar het product was van de jaren negentig. Muzikaal dreven we nog op de creatieve naschokken van de periode 1987 – 1995 waardoor Kindamuzik de intrigerende uitloper 2001-2002 zeer goed heeft kunnen documenteren. Het internet is allang niet meer naïef en open, het kende al zijn schaduwplekken maar in de daaropvolgende barokke wildgroei met de continue zoeklichten van surveillance en zelfsurveillance is een claustrofobische sfeer ontstaan die ook de tekst zelf heeft aangetast. Een website als Medium probeert de kalme tekst als in een reservaat te redden maar daarbuiten woedt een orkaan van tweets, onderbroken teksten, gifs, clickbait, hatelijke comments, vlogs en algoritmes die het schrijven over muziek overbodig maakt. Op de lange termijn maakt dit niets uit en heeft de muziekliefhebber gewoon een tijd geluk gehad door tijdens een creatieve hausse op een intrigerende (en vanzelfsprekend onnatuurlijke) manier een relatie aan te kunnen gaan met muziek. De kans is uiterst klein dat juist deze relatie ooit onderdeel zal worden van de retrocultuur, ook omdat die neurotische blik in de achteruitkijkspiegel hoe dan ook gebroken gaat worden en daarbij hopelijk de laatste oplevingen van kleinzielig nationalisme, racisme, seksisme en algehele kortzichtigheid die er mee is verbonden wegspoelt. Kindamuzik leek ooit de toekomst van het schrijven over popmuziek. Maar ik moet toegeven dat ik mij destijds vergiste: het was een afsluiting van een soort toekomst, die toevallig overlapte met de verspreiding van digitale informatietechnologie. Een waardige afsluiting.

donderdag 16 juli 2015

Het oude web

Ik had het in de vorige post over een vreemd gevoel van nostalgie die de beelden van een pre-world wide web internet opriepen. Dat is blijkbaar een ding, want ik struikelde de afgelopen week bijkans over artikelen die op een of andere manier spreken over een verlies van het, laten we zeggen, “oude web”. Waarin weemoedig wordt teruggedacht aan heel verschillende periodes (ik ga bijna vermoeden dat iedereen een online kindertijd doormaakt waarvan de onschuld verloren gaat.) Om met mijzelf te beginnen. Ik weet nog heel goed dat ik Gopher gebruikte op mijn oude PC met monochrome monitor. Al werd het snel duidelijk dat er iets radicaal ging veranderen toen www op brede schaal werd geïntroduceerd. Je kon zien dat de mogelijkheden vele malen groter waren, maar ik twijfelde of het—voorbij de visuele en auditieve rijkdom—wel een echte vooruitgang inhield. Ik was al dolgelukkig met het struinen door de boomstructuur van informatie, de eenvoudige menu’s waar je met een cijfer een keuze moest maken. Als ik er nu aan terugdenk, lijkt dit de juiste balans te zijn geweest tussen online informatie en “de echte wereld”.



Een kleine selectie met artikelen over het problematische web. Hier een artikel over trolls en een nostalgie naar de tijden van LiveJournal (zelf nooit gekend), waarbij deze observatie volstrekt correct is:

There was a time when online spaces were places you could be vulnerable and let down your defenses, where you could take a chance on meeting like-minded strangers without constantly looking over your shoulder for threats. 

De Iraanse blogger Hossein Derakhshan werd gevangen gezet en ziet na zes jaar gevangenschap hoe het online landschap is veranderd:

The hyperlink was my currency six years ago. Stemming from the idea of the hypertext, the hyperlink provided a diversity and decentralisation that the real world lacked. The hyperlink represented the open, interconnected spirit of the world wide web — a vision that started with its inventor, Tim Berners-Lee. The hyperlink was a way to abandon centralization — all the links, lines and hierarchies — and replace them with something more distributed, a system of nodes and networks. 
Blogs gave form to that spirit of decentralization: They were windows into lives you’d rarely know much about; bridges that connected different lives to each other and thereby changed them. Blogs were cafes where people exchanged diverse ideas on any and every topic you could possibly be interested in. They were Tehran’s taxicabs writ large.

Later formuleert hij deze potentiële klassieker:

The web was not envisioned as a form of television when it was invented. But, like it or not, it is rapidly resembling TV: linear, passive, programmed and inward-looking.

En verwacht de komende tijd meer van dit soort ideeën:

The "web" is not a part of nature. It was not discovered; we don't have to just accept it. The "web" is an infrastructural system that was built by people, and it was built very recently and very sloppily. It currently has the property that it forgets what must be remembered, and remembers what must be forgotten. It manages to screw up both the sacredness of the common record and the sacredness of private interaction.

Zelf ben ik niet pessimistisch. Facebook is niet eeuwig. Apple ook niet. Internet 1992 komt in ieder geval niet terug en veel positieve herinneringen hebben dat karakter omdat de samenleving en cultuur waarin het web was verankerd gewoonweg leuker en avontuurlijker waren. Maar het basisprincipe blijft voortleven, al was het omdat het bepaalde concepten voorstaat - decentralisatie, vrijheid, liefde van kennis – die de moeite waard zijn om na te streven. Die waar zijn.

donderdag 9 juli 2015

CompuServe 1992



Ik heb wel eens eerder opgemerkt hoe het steeds vreemder wordt om oudere films te zien omdat ze er technologisch armoedig uitzien. En dan zijn er films uit een soort tussenperiode. Gisteren keek ik voor het eerst in jaren weer eens Single White Female uit 1992, Barbet Schroeders fijn opbouwende thriller over een vrouwelijke vriendschap die ontspoort. Ik kon me heel veel details van de film herinneren -ik zag hem destijds in de bioscoop- zoals de Front 242 video die op een gegeven moment verschijnt, maar dus niet dat zoiets als internet al aanwezig is. Bridget Fonda loopt sowieso rond met een intrigerende laptop in mini-koffer en die gebruikt ze op een gegeven moment om een vliegticket mee te bestellen. Modems zag je daarvoor wel eens in films (Wargames wellicht al?) al bleef het resultaat op beeld vaak vrij beperkt. In Single White Female krijg je al menu's in beeld, iets wat zo zijn tijd vooruit was dat ik het destijds gewoonweg heb verdrongen. Mooie details worden nu zichtbaar als CompuServe (de eerste grote comerciele online speler), de menustructuur, het Apple-logo, "48K in disk" en de dial-up toon wanneer je computer met de telefoon contact maakte. Er ligt nog een hele internet-in-film archeologie te wachten waarin je kunt zien hoe de online wereld langzaam in plots wordt verwerkt.

Hier nog een screenshot van de vliegticket bestelling:


Het roept overigens een vreemd gevoel van nostalgie op, niet naar deze interface, maar wel naar de "zoekende periode" die nog een aantal jaar zou voortduren (tot het einde van het Netscape Tijdperk?), een onschuldig zoeken met beperkte gereedschappen en steeds het vermoeden dat er oneindige mogelijkheden wachten.

donderdag 19 februari 2015

The Internet is not the Answer



Not much on social media is truly social, he argues. “We personalise,” he says. “So, you know, it’s kind of social, but in a very personalised way … One of the most troubling things for me about social media is the lack of diversity. It’s like going to some expensive US college. You only meet people like yourself.” Then there’s the whole privacy issue: “The internet is becoming structurally parochial, like a village. So not only does everyone from the NSA to the big internet companies know pretty much everything there is to know about us, but we’re all clustering in these tighter and tighter little ideological and cultural networks. There’s no serendipity, no stumbling upon random people or random ideas. Everything is pre-ordained; you’re served with what they know will suit you.”
En nog veel meer intrigerende observaties van Andrew Keen in dit interview naar aanleiding van zijn nieuwe boek The Internet is Not the Answer. De eerste keer dat ik Keen tegenkwam, in een aflevering van Tegenlicht (als ik me niet vergis, kan haast niet ergens anders), vond ik hem zo'n typische figuur die eens lekker gaat stoken door tegen de gevestigde mening in te gaan. Hij had alleen een beetje last van een vervelende habitus. Inmiddels heeft hij de wind flink in de zeilen (en die zeilen zijn van beter materiaal gemaakt).

zaterdag 6 juli 2013

Opnieuw Buffy




Ik ben begonnen met het opnieuw kijken naar Buffy The Vampire Slayer (1997-2003). De kinderen moeten toch kwaliteit leren te waarderen (dit is de serie die de renaissance van televisie daadwerkelijk in gang zette). Vreemd genoeg een minder nostalgische ervaring dan ik verwachtte. Twee dingen vielen mij vooral op. De meest Proustiaanse ervaring is auditief: een dalend geluid tijdens de aankondiging waar ik me direct weemoedig door voelde (dubbel weemoedig omdat het mee deed denken aan een effect wat in sommige jungle-platen werd gebruikt, vrijwel zeker op Timeless...toen nog maar twee jaar oud.) Even ben je terug in andere woningen, een richtinglozer (vrijer?) leven dat achter je ligt, is een andere realiteit bijna tastbaar.

Ten tweede, de serie is bijna niet gedateerd wat betreft aankleding en taal (de wekelijkse grunge-bands in de lokale club, The Bronze, daarentegen heel erg). Geen wonder, Sunnydale is zo’n tijdloos Californische buitenwijk waar we in onze geest allemaal wonen. Wat intrigeert is dat de serie in een technologisch sleutelmoment speelt: snob Cordelia is de rest ver vooruit en haalt in de eerste aflevering een werkelijk gigantische gsm (inclusief antenne) uit haar tas. En Willow is waarschijnlijk het eerste televisiepersonage dat op (bijna) natuurlijke wijze internet gebruikt om informatie op te zoeken (al wordt dit nog uitgesproken: “misschien vind ik wel iets…op het internet.”)

Nog steeds erg origineel en ongemeen grappig overigens (en ja, ik geloofde dat in 1997 eerst ook niet.)

woensdag 26 juni 2013

Het universele profiel

[Dit is een uitgewerkte tekstversie van een kort praatje dat ik vorig jaar gehouden heb bij de opening van de tentoonstelling 1,0 fte in CBK s'-Hertogenbosch. Bepaalde motieven wil ik laten terugkeren in De Toekomst Hervonden]

Het universele profiel

Hoeveel versies van jezelf bestaan er? Het is een vraag die men zichzelf lange tijd niet hoefde te stellen. Twee, luidde het antwoord in het Westen lange tijd. Een zichtbaar lichamelijk ik en een tweede, meestal als superieur beschouwde, versie in de vorm van een ziel. Met de opkomst van de moderne wereld veranderde deze situatie. Wellicht is er tijdens de Verlichting een moment geweest dat men even tot een enkele entiteit leek te zijn gereduceerd. Ware het niet dat in de 19de eeuw de Pruisische en Napoleontische bureaucratie een grote vlucht nam en er zoiets als een papieren dubbelganger ontstond. De officiële registratie van achternamen in 1811 was een belangrijk gebeurtenis omdat de identiteit voor het eerste verplicht wordt gekoppeld aan een complete naam.
De schaduwzijden van de bureaucratisering zijn in de eerste helft van de 20ste eeuw in het werk van Max Weber en Franz Kafka scherp geanalyseerd. Nog steeds gebruiken we de term kafkaësk wanneer we geconfronteerd worden met de excessen van bureaucratie, bijvoorbeeld wanneer een papieren identiteit een eigen leven gaat leiden. Een situatie die we snel als een nachtmerrie omschrijven. Dat hoeft niet te bevreemden want we hebben het hier over een soort dubbelganger en de dubbelganger heeft altijd iets onbehagelijks.

Maar een dubbelganger van wat? De status van het zelf, de identiteit, het origineel, is sinds Freud radicaal veranderd. Freud was zeer bewust van het feit dat hij een monumentale slag had geleverd aan het troste Cartesiaanse ego, de ontzielde enkelvoudige identiteit. Het ik werd als het ware geplet tussen een maatschappelijk opgelegde identiteit (superego) en het onderbewustzijn dat eigenlijk de werkelijke baas in huis was. Wat de status van Freud ook tegenwoordig mag zijn: het zelf is nooit meer aan elkaar gelijmd, hoezeer we in ons alledaagse leven hier nog gewoon van uitgaan, hoezeer dat ook wordt verwacht. De socioloog Erving Goffman beschreef in de sociologische klassieker The Presentation of Self in Everyday Life (1959) een beeld van de alledaagse identiteit als een opvoering van een rol die wij allemaal spelen naar gelang de sociale context waarin we ons bevinden. Wij leren verschillende persona te gebruiken die we enkel loslaten wanneer we ons alleen bevinden (in wezen de enige situatie waarin we niet op onze hoede hoeven te zijn voor schaamte.) Een waar zelf is in dit wereldbeeld een identiteit die succesvol natuurlijk en spontaan overkomt. Dat is wat in een sociale situatie wordt verlangd. Men mag de maskers niet zien, het dragen van de identiteit mag geen moeite kosten.


Personalia: Van avatar naar profiel

Hoe verder we er vandaan bewegen hoe meer de jaren negentig van de vorige eeuw zullen gaan lijken op een belle epoque waarin de meer negatieve aspecten van de moderniteit achter ons leken te liggen. Identiteit kreeg in deze periode een nieuwe status. Het was alsof het impliciete spel met maskers van Goffman bewust werd gemaakt. Identiteit werd vloeibaar verklaard, een constructie, iets wat men net als het lichaam kon veranderen, aan werken, waar je niet het hele leven aan vast hoefde te zitten. Deze verandering werd vaak positief beoordeeld. Hard werk, wellicht vermoeiend, maar een uitdaging waarmee men de onzekerheden van het postmoderne leven uiteindelijk beter het hoofd kon bieden.

De opkomst van internet paste hier perfect bij. Een van de bevrijdende aspecten van internet in die begintijd was dat het gebruikers eenvoudig in staat stelde om online keuzes te maken over de manier waarop men zich wilde presenteren. En dat hoefde niet het alledaagse ik te zijn. Als man kon je vrouw zijn, en omgekeerd. Fictieve personages, niet-menselijke figuren, het werd allemaal geaccepteerd. Hierdoor werd betekenis op internet gedreven door inhoud en kennis van zaken in plaats van de vooraf geldende status of uiterlijk charisma. Status bestond wel maar werd opgebouwd door het delen van waardevolle kennis en daaraan gelieerde betrouwbaarheid.

De laatste jaren is de bovengenoemde manier van presentatie onderhevig aan verandering. Er is een beweging gaande richting het presenteren van jezelf, je “echte” zelf. De vrijheid van de identiteit (de persona, de avatar) wordt ingeruild voor de verplichting van het profiel. Avatars worden enigszins op neer gekeken, vooral onder druk van meer zakelijke netwerksites. Men moet het liefst een portretfoto presenteren, anders is men niet serieus of heeft wat te verbergen. Facebook is de definitieve motor achter dit realisme gebleken. Facebook houdt van authenticiteit, ook omdat het pretendeert een identiteit te kunnen leveren waarmee men op andere websites kan inloggen en wellicht te zijner tijd zelfs financiële transacties voltooien. Deze reductie van de identiteit zou ik het profiel willen noemen. Profiel heeft van zichzelf al een negatieve connotatie, je denkt er al meteen de zinsnede “u past niet in het profiel” bij, het profiel van de dader, profiling. Profiel is een pasvorm. Het komt immers van het Italiaanse profilare, het woord voor omlijnen, wat we weer associëren met het gezicht. Kortom zichtbaarheid.

De fictieve pasvorm zoeken we vrijwillig op. We maken online talloze profielen aan. Wanneer we op zoek zijn naar werk, wanneer we een transactie op internet doen, wanneer we ons sociaal leven voor een groot deel online voortzetten. Daar is op zich niets mis mee al zijn er drie belangrijke kanttekeningen te plaatsen. Allereerst raken we de controle kwijt over onze profielen, ze zijn vaak niet meer van ons maar worden handelswaar. Ten tweede wordt het profiel een gestandaardiseerde manier om onszelf te presenteren waar geen ruimte is voor onvoorspelbaarheid, intuïtie, humor of kritiek, omdat we ons zakelijk moeten presenteren, een perfect ik, met het resultaat dat er tussen al die perfectie geen verschil is. Als laatste wordt status niet meer primair opgebouwd door het delen van kennis maar bij voorkeur door het aantal connecties van je profiel.


Ervaring: De Autonome Kunst
 
De bovengenoemde verandering is voor een aantal beroepsgroepen gevaarlijk (journalisten, sociologen) maar vooral voor kunstenaars. Helemaal als kunstenaars zich steeds meer als een soort creatieve entrepreneur/persoonlijkheid moeten presenteren. Wellicht zie ik het te donker in maar ik ben bang voor een situatie waarin kunstenaars worden gedwongen om zich te profileren, om zichzelf te reduceren tot die te kleine groep variabelen. Het resultaat zal voorspelbaarheid zijn omdat men, om economische redenen, risico’s zoveel mogelijk wil uitbannen.

Het gevaar dreigt tegenwoordig om hoogdravend te klinken als men probeert de rol van kunst en de kunstenaar in de samenleving te definiëren. Maar als kunst een ding moet zijn dan is het onvoorspelbaar. Bovendien is het niet de rol van de kunstenaar om de habitus van andere beroepsgroepen te assimileren. De vaak door stadsmarketeers misbruikte term creatieve klasse omvat ten minste het idee dat kunstenaars traditioneel een aparte klasse vormen. Onder invloed van Herbert Marcuse en J.K Galbraith ontstond in de jaren zestig het idee dat de kunst en kunstenaar een essentiële rol in de maatschappij hebben te spelen die de eenvormigheid van het economische denken overtreft. Een aantrekkelijke gedachte die door het kapitalisme op karakteristiek originele wijze is gebruikt en omgevormd, namelijk door de ooit door de Situationisten gepropageerde esthetisering van het alledaagse leven aan zijn eigen logica te onderwerpen. De kunstenaar zelf dreigt hier steeds verder in te worden meegezogen.

Laat duidelijk zijn dat internet niet het probleem is, internet kan ontelbaar verschillende dingen betekenen. En zelfs sociale media is niet hét probleem. Ik beschouw een van de populaire manieren waarop microblogsite Tumblr wordt gebruikt als een mogelijk model voor het maken van een esthetisch persona. Het verzamelen van objecten, vooral afbeeldingen is dan een esthetische positionering die het beste functioneert binnen het Tumblr-netwerk, waar mensen op herkenning van smaak en schoonheid opereren in plaats van connectieve status. Zelfs profilering door kunstenaars hoeft niet per definitie problematisch zijn. Maar de mechanismen van efficiënte, reductie en markt, kortom economische termen, mogen nooit een sluitend web vormen dat de definitieve waarde van kunst bepaald.


Ambitie: Een Open Profiel

Het model van Tumblr wijst, ondanks bepaalde kanttekeningen die men kan plaatsen over de mate van verdieping, op de mogelijkheid van een alternatief profiel. Het gesloten profiel is de standaard, een verzameling vragen die eindig is en waaruit men een lijst kan vormen om een bepaald beeld te vormen over een persoon naargelang de context. Een beperkte lijst die eigenlijk ooit is ontwikkeld voor het aanvragen van documenten of in werking stellen van aanverwante bureaucratische handelingen (dat wat tegenwoordig uitstekend is afgebakend met de DigiD van de overheid.) Als tegenhanger zou een open profiel moeten bestaan. Open omdat de vragen niet leiden tot gestandaardiseerde antwoorden en dus een persoonlijker beeld schetsen van de invuller, maar ook open omdat de verzameling vragen waaruit men kan putten vrijwel oneindig is.

Hoe krachtig sociale media en bureaucratie ook mogen lijken, er bestaat nog genoeg ruimte voor andere strategieën om de kunstenaar zichzelf te laten presenteren. Zo zou een minimale aanpak een respectabele keuze moeten zijn: naam en geboortejaar, daarna gevolgd door titels van werk, voorbeelden van kunstwerken. Dit “strenge profiel” is dan nog uit te breiden met opties van nationaliteit en omschrijvingen of een theoretisch context van het werk. Het is zelfs denkbaar dat men anderen het profiel van de kunstenaar laat schrijven. De criticus, in de ware zin van het woord, als degene die nieuwe lagen van betekenis in kunstwerken ontwaart, die, bij voorkeur met goedkeuring van de kunstenaar, werken duidt. De radicaalste variant van het minimale profiel zou de vorm aannemen van een anoniem profiel waaruit elk spoor van persoonlijkheid, met uitzondering van contactinformatie, is weg gefilterd en kunstwerken centraal staan. Een andere variant zet humor, de dubbele betekenis, ironie, misvattingen in, dat wat de wil tot universele standaarden, waaronder het gesloten profiel, niet kent.

Om nog een keer terug te keren naar eerder genoemde zorgen: waarom de nadruk op het profiel? En hoe verder met het profiel? Hoe vaak zul je vragenformulieren die gericht zijn rond de identiteit moeten invullen, niet alleen als kunstenaar maar als neutrale burger? Die vraag zal voorlopig tastbaar zijn in het dagelijkse leven aangezien internet, hoezeer het ook zal veranderen, waarschijnlijk niet meer zal verdwijnen. In die zin draait de problematiek niet louter om de presentatie van de kunstenaar, het persona dat de kunstenaar kiest, maar om het terugwinnen van internet zelf, wat eigenlijk wil zeggen: het terugwinnen van vrijheid. Omdat internet overal is, bureaucratie overal is, de economie overal is, zal men nooit als individu een frontale aanval kunnen inzetten die werkelijk iets zal kunnen bewerkstelligen. Een open profiel gebruiken vormt een minuscule stap die, met andere alternatieve stappen en strategieën, systemische fouten en openingen moet vinden en gebruiken.