Mastodon designing futures where nothing will occur
Posts tonen met het label Plastikman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Plastikman. Alle posts tonen

zondag 3 april 2022

Een Omgekeerde Ontheiliging

 


Het is de meest controversiële plaat in jaren, zeker in het technogenre, bij verschijning meteen geridiculiseerd en afgekraakt. Ik heb het over Consumed in Key, de herbewerking van technoklassieker Consumed (1998) van Plastikman door pianist Chilly Gonzales, onder andere bekend van zijn solo pianowerken, samenwerking met Daft Punk en amusante serie Pop Masterclass filmpjes. In eerste instantie nam ik het nieuws voor kennisgeving aan, maar wanneer de wil-tot-teleurstelling direct zo krachtig raast, moet er wel iets aan de hand zijn. Een artikel over het project waarin de heren, inclusief intermediair Tiga (zelf naar eigen zeggen geobsedeerd met het album), hun relatie met Consumed uitleggen intrigeerde me zodanig dat ik besloot om de plaat een kans te geven.
 
Consumed is vanaf de eerste dag een van mijn favoriete technoplaten geweest, een zelfverzekerde verfijning van de mensmachine-esthetiek en muzikale uitwerking van de schilderijen van Mark Rothko. Techno voorbij de dansvloer, muziek voor contemplatie. Een fraai vormgegeven cd die ik nog steeds regelmatig draai, ook al heb ik hem zodanig verzadigd dat ik soms vergeet dat hij opstaat. In die zin alleen al breekt Consumed in Key, met zijn impressionistische toevoegingen, de muziek open, laat het me op hernieuwde wijze luisteren. Soms werkt het niet en klinkt het alsof Gonzales achteloos meespeelt terwijl de plaat bij de buren is opgezet en soms zijn er slimme toevoegingen die gebruik maken van de ruimte en cadans in deze verstilde technobouwsels. Niet een plaat die ik nog vaak zal opzetten en meer een vorm van conceptuele kunst waar ik totaal geen moeite mee heb.
 
Chilly Gonzales mag een begenadigd pianist zijn maar hij is ook een provocateur die zichzelf eind jaren negentig bij aankomst in in de Duitse hoofdstad President van de Berlijnse Underground kroonde en eerder een van zijn meest poppy nummers ‘Making a Jew Cry’ noemde. In een bijgaande video legt Gonzales uit dat hij Consumed niet als klassieker kende, maar twintig jaar later achteloos voorbij hoorde komen en de muziek bijna als een bedreiging voelde die beantwoord moest worden. En ook al spreekt hij het niet uit ga ik ervan uit dat hij weet dat hij heiligschennis pleegt, een elegante vorm van vandalisme. Ergens deed het me denken aan L.H.O.O.Q. waar Marcel Duchamps een snor op de Mona Lisa tekent. Maar dan omgekeerd, alsof iemand de pisbak van Duchamps schildert in de stijl van Rembrandt. Want een piano in techno is niet zomaar een extra instrument. 
Voor Hawtin is het toelaten van een akoestisch instrument in zijn muziek tot nu toe ondenkbaar geweest. Dat hij zijn magnum opus vrijgeeft is een dappere beslissing, al was het omdat het de streng futuristische lading van de muziek vrijwel zeker zal ontkrachten. Een piano is immers niet alleen een instrument, het is in navolging van Barthes een mythologie, een symbool van bourgeois respectabiliteit. Zie alleen al het lot van Erik Satie wiens surrealistische streken uiteindelijk eindigden als achtergrondmuziek in talloze reclames of fijnzinnige Japanse films. Piano in de abstracte geluidswereld van Consumed is nooit een neutraal gebaar. Het is echter niet zonder precedent. Maxence Cyrin presenteerde in 2005 met Modern Rhapsodies een verzameling pianobewerkingen van danstracks waaronder magistraal melancholische bewerkingen van ‘Don’t You Want Me’ (Felix) en ‘Windowlicker’ (Aphex Twin). Al jaren is de pianist Francesco Tristano te horen op samenwerkingen met Derrick May, Carl Craig en Moritz Von Oswald (Auricle / Bio / On uit 2008 is een minimalistische voorloper van Consumed in Key waar nauwelijks aandacht aan werd besteed.) 

The sound of techno was both lush and brittle, gnomic and expansive, the lingo used for song titles and labels signalling its origins in crossed-wire transplantation: Shifted Phase, Waveform Transmission, Submerge, Clone, Ground Zero. 

Ian Penmans welhaast achteloze beschrijving van vroege Detroit techno roept herinneringen op van hoe machinaal en ruig de muziek in de beginjaren klonk. Signalen, elektriciteit, oversturing. Desondanks is er altijd ruimte geweest voor klassieke invloeden als de dramatische strijkersarrangementen van Mike Banks en de in eerste instantie mechanische piano, zoals te vinden op de sleuteltrack ‘Strings of Life’, door Derrick May zelf omschreven als “23rd century ballroom music”. De piano en drumcomputer zijn in die zin, akoestisch en elektrisch, een manifestatie van de mens-machinefilosofie die aan de basis van de muziek ligt. Maar zelfs daarachter ligt een laatste mythe, die van Motown, de onontkoombare standaard van Detroitmuziek, een bastion van elegantie, smaak en opwaartse mobiliteit gedreven door neoklassieke arrangementen. Detroit is een ruïne maar dient te herrijzen in een nieuwe vorm van de Good Life
 
Kortom, Consumed in Key past in een lange traditie van een muziek die inmiddels streng gecodificeerd is in verschillende smaakclusters die, wanneer je al dertig jaar naar de muziek luistert, niet meer kunnen verrassen. Elke controverse is al minstens een keer gepasseerd. Commercialisering, ongegeneerd stelen, problemen met rechten en royalty's, doorgeslagen purisme, race baiting, de ambivalente houding ten opzichte van drugs, het ontsluiten van een nieuw publiek buiten de clubs, de neoliberalisering van techno, streaming, draaien met vinyl, je kunt er allemaal een mening over hebben die veel, zo niet alles, zegt over je sociale identiteit/positie. Persoonlijk zal ik het gebruik van klassieke muziek in techno vrijwel altijd beschouwen als gebaar om een bepaalde status te bewerkstelligen die niet nodig is. En dit past bij allerlei ideeën en verwachtingen die ik heb over techno die totaal kunnen verschillen met andere technoliefhebbers. De museïficatie van techno is lang geleden ingezet en volgens een culture logica onvermijdelijk. Consumed in Key past vanzelfsprekend in dat proces van museïficatie omdat Consumed hier zelf de oorsprong van vormt. Dat was een oprechte stap richting het onbekende. Op het eerste gehoor lijkt de herinterpretatie een veilige inkapseling door de bourgeoissmaak waar men gelukkig nooit zeker van weet of je voor de gek wordt gehouden.

donderdag 9 oktober 2014

Brumes d'automne (Plastikman re-score)

Richie Hawtin is goed bezig. Na zijn prachtige Ex is er deze nieuwe soundtrack bij de korte film Brumes d'automne van Dimitri Kirsanoff uit 1928. Dit als onderdeel van Bertrand Bonello’s ‘Résonances’ tentoonstelling in het Centre Pompidou. Verstilde acid die goed past bij de ogen van Nadia Sibirskaia.

 

woensdag 4 juni 2014

Uit het archief: 'Closer: Existentialistische Acid'


Met de aankondiging dat er eindelijk een nieuwe Plastikman plaat aankomt -die preview klinkt heerlijk- is het een goed moment om weer eens in de oude doos te duiken. Een van twee kritieken die ik schreef voor De Subjectivisten. Pre-blackout dus alleen bewaard gebleven in Toekomstdagen 2002-2007.




closer: existentialistische acid



“Dit universum, dat voortaan zonder meester is, lijkt hem noch steriel nog zinloos. Elk splintertje van die steen, elke mineraal van die donkere berg, vormt op zichzelf een wereld. De strijd om boven te komen, is op zichzelf voldoende om het hart van een mens te vervullen. We moeten ons Sisyphus als gelukkig voorstellen.”


         Albert Camus – De Mythe Van Sisyphus


De hoes: een oog tegen een zwarte achtergrond. Of wel een uitdovende zon, de bron van leven, die zijn laatste vlammen de oneindigheid in stuurt. Optioneel: de titel als referentie aan Joy Division. Voordat je een bliepje hebt gehoord van het vierde officiële Plastikman album weet je dat dit geen feestmuziek wordt. Nu heeft Richie Hawtin door de jaren heen steeds strenger een scheiding aangebracht tussen de muziek die hij draait als DJ (gericht op complete extase) en reserveert voor albums die strak geconceptualiseerd zijn, een vorm van contemplatieve techno zo je wilt. Kaal, Spartaans maar niet zonder menselijke schaduwen.

Closer is op het moment vooral onderwerp van discussie omdat Hawtin zijn stem laat horen. Zingen kan je het nauwelijks noemen wat die zware, droevige robotstem laat horen. Het zingen op zich is niet belangrijk maar juist dat de woorden plotseling het abstractieniveau van Hawtins vorige albums enigszins laat ademen en diezelfde albums in een nieuw licht plaatst. De stem twijfelt, is gevangen in een hoofd, is geobsedeerd door zijn relatie met gedachten, de richting van denken, de ruimte van het bewustzijn, de aard van subjectiviteit. Ik kan de muziek niet anders noemen dan existentialistische acid. Een muziek voor een goddeloos universum, pessimistisch, onbehagelijk, waar het grote niets altijd op de loer ligt, waar de gedachten afsterven, waar vervreemding in de relaties met anderen heerst.

Met het benoemen worden de vorige Plastikman albums ook plotseling een eenheid. Dit existentialisme blijkt altijd aanwezig te zijn geweest. De sciencefictionscenario’s van Sheet One waarin het individu verloren is in de liefdeloze kosmos, Musik als een studie naar de relatie tijd-Zijn-muziek, de leegte van Consumed (in het Engels heeft consumption een nare betekenis van: het geleidelijk vergaan van lichaamsweefsel.) De muziek zelf is bijkans nog kaler dan op Consumed, dat ten minste een spookachtige kwaliteit bezit, machines die schijnen met een aura. De stem is noodzakelijk om het kale geluid van Closer te redden van pure abstractie. Wanneer de plaat binnen haar parameters uitschiet is zij het minst interessant: ‘Headcase’ en ‘Mind Encode’ vormen het abstracte extreem, ze gaan in hun schier eindeloze herhaling nergens naar toe, of beter ze klinken als een afdaling in de gapende afgrond van het onderbewustzijn, het labyrint van het zenuwstelsel. Boven die afgrond balanceren bewuste gedachten waarvan de single ‘Disconnect’ het meest tekstueel is, helaas zonder het niveau van een depressief kinderrijmpje te ontstijgen, het spelt de dingen teveel uit.

De rest van de plaat gaat in een vloeiende beweging voorbij, er is een langgerekt synth-thema in de melancholische traditie van Blade Runner dat op gezette tijden terugkeert en de volgende constructie van percussie en zoemende bas aankondigt. De gedachte aan Blade Runner is met name tijdens ‘Lost’, wanneer plotseling het geluid van mechanische tranen verschijnt, niet toevallig. Zoals veel muziek van Hawtin worstelt Closer met vraagstukken over de aard van het ik wanneer de instroom van de machine in het menselijke steeds subtieler wordt. Is dit een tendens naar een definitieve erosie van het vrije subject of een nieuwe bewustzijnsconstructie zwanger met onontgonnen angsten, halfbegrepen onzekerheden en ook overweldigende mogelijkheden?

Het is, vermoed ik, muziek die een nieuwkomer in het genre weinig plezier kan schenken. Techno-voor-kenners klinkt wellicht onnodig elitair, maar Closer doet me denken aan Simon Reynolds’ opmerking dat veel post-Basic Channel techno alleen maar is te waarderen door jarenlang te luisteren naar house, totdat op een gegeven ogenblik een soort overgevoeligheid wordt ontwikkeld voor microscopische veranderingen in geluid. Een sonisch equivalent van de subatomaire realiteit waar andere wetten gelden: een subtiele verandering in ruimtelijkheid, een klein effect, even wat meer reverb krijgt gigantische gevolgen. Een mooi voorbeeld is het afsluitende ‘I Don’t Know’ dat 5 minuten lang een ritme opbouwt zonder zicht op een werkelijk doel. Dan verschijnt een subtiele acidmelodie die een uitweg biedt, het is het geluid van hoop.

Derrick May omschreef techno ooit als “een ongeluk, een ontmoeting tussen Kraftwerk en George Clinton in een lift”. Hawtins versie van techno verwijdert Clinton uit dit scenario maar in plaats van een andere muzikant lijkt de muziek beter te omschrijven door de toevoeging van schilders als Rothko of Newman. Omdat de muziek van Hawtin zo “weinig geeft” ga je als luisteraar haast automatisch zoeken naar visuele opvullingen: de kleur-om-in-te-verdrinken van Rothko of de-gebeurtenis-in-het-Niets van Newman lijken mij beter te passen dan bijvoorbeeld de drukke digitale vistas van VJ’s. Tracks als ‘Ping Pong’ weten meer dan welke vorm van minimale techno esthetische vragen te suggereren over muziek en ruimte: er is iets, geluid, omringd door niets. Waar eindigt de toon? Waar begint de leegte? Is die leegte eindig? Is het niets misschien onderdeel van de muziek? Blijf op deze manier vragen stellen en je wordt steeds dieper in de wereld van Plastikman getrokken.