Ik heb wel eens gedacht dat het een mythe was, in stand gehouden door met name technoartiesten om de stad die unieke dystopische kracht niet te laten verliezen. Robert Hood in een recent interview nog:
The layoffs, the drugs, the gangs - it seemed like there was this three or four year period of the stark reality of darkness and despair. Whole families were being massacred in their own homes. People had fallen into a false sense of security – we'd fallen into being totally reliant on the motor industry, the automotive industry had replaced any kind of faith. Ford… well, when it goes down, if that's all you got, you go down.
Maar het verval van Detroit (zie voor meer Beauty in Decay) is geen imago maar realiteit:
Dit is een fraai probleem voor het retromania/futurisme
debat. Kraftwerk live in het Evoluon 2013. Er zijn twee posities in te nemen en
beide zijn volstrekt valide. De eerste, waar ik zelf toch naar neig, is dat
Kraftwerk, een groep die zich in de periode 1975 -1981 op de top van zijn
kunnen bevond, voorbij is. En dat zeg ik als uitgesproken liefhebber van Tour de France Soundtracks
(ook al weer tien jaar oud). Het is een positie die riekt naar rockisme: Kraftwerk
op zijn hoogtepunt bestond uit vier specifieke leden en blijkbaar liep die
machine, ondanks latere Stalinistische geschiedvervalsing van Ralf en Florian,
optimaal. Het origineel voelt als de meest waarachtige groep. In de breuk van dat systeem ontwaar je een verlies. Je merkt het ook wanneer je beelden bekijkt van het concert in
Utrecht uit 1981: ironie en plezier.
Dat lijkt totaal te zijn verdwenen en wat
je oppikt uit recente verhalen zijn de ex-leden opgelucht dat ze niet meer hoeven.
Meer dan rockisme zou ik het romantiek noemen, ook omdat dit zo goed bij
Kraftwerk past. Want zoveel robots en computers maar je vergeet gemakkelijk dat
er een romantische onderstroom in Kraftwerk bewoog. De glorieuze kant B van Trans Europa Express eindigt niet voor
niets met ‘Franz Schubert’. Vanuit een romantische positie gezien is Kraftwerk
verbonden met een bepaalde tijd, een jeugdige lichtvoetigheid, een specifiek Europa en kunnen nieuwe concerten alleen maar een
oefening in nostalgie vormen. Zo zijn de concertreeksen ook vormgegeven, als
retrospectief. Onderdeel van een Eeuwige Wederkeer opgebouwd uit live-DVD's, reissue's en boxsets (al dan niet met de eerste twee "gênante" albums). Dat blijft nog steeds een mysterie: altijd bleven de twee kernleden
werken maar nooit hebben ze het aangedurfd om hun visie op hedendaagse
technologische ontwikkelingen te geven (hoe moeilijk was het voor zulke uitgesproken
Beach Boys fans om een ode aan zonne-energie te produceren?) Er valt niets meer
te ontdekken in Kraftwerk 2013, vier stijve mannen met laptops, de Computerwelt is een feit. Daarom is het
Evoluon ook zo goed gekozen als locatie: een monument aan de toekomst van
gisteren. Een prachtig gebouw, ontdaan van zijn symbolische kracht.
Of is Kraftwerk juist een voorbeeld van een positief
antwoord op het probleem van Het Schip van Theseus? Volgens de legende werd het schip van Theseus tijdens zijn
reis compleet gerepareerd met nieuw materiaal. Wat filosofen sinds de oudheid
zich vervolgens hebben afgevraagd: is het dan nog steeds hetzelfde object of is
door het gebruik van nieuw materiaal een verschillend object gecreëerd? Of te
wel: is Kraftwerk ondanks het verdwijnen van steeds meer originele leden nog
Kraftwerk? Als er ooit een muziekgroep is geweest die wezenlijk kan voortbestaan
zonder originele leden dan is het Kraftwerk. De groep heeft zichzelf sinds Die Mensch-Maschine als een fabriek gepresenteerd waarin de muzikanten als anonieme robots hun werk deden.
Robots die per definitie inwisselbaar zijn. Eens zal directeur Hütter met
pensioen gaan in de wetenschap dat de fabriek eeuwig zal kunnen doorwerken, met altijd
hetzelfde product als eindresultaat...soms in een nieuwe, flitsende
verpakking. De sciencefictionliefhebber in mij vindt het fascinerend maar voelt aan dat in de overgang van origineel naar simulatie iets verloren gaat. De Kraftwerk robots dromen niet van schapen.
Tijdens zijn hoogtijdagen (1993-1998) was jungle zo rijk aan innovatie dat het een aantal piketpalen richting de toekomst heeft geplaatst. Dit is de eerste die ik bespreek. In het cd-boekje staat trots “21st
Century Urban Breakbeat Music”. Eigenlijk dacht
ik in 1996 niet zo na over de toekomst van muziek want, kom op, volgende week, zou je weer worden weggeblazen. De
toekomst was heel ver weg. Maar terugdenkend moet ik achteloos hebben verwacht
dat de muziek op Platinum Breakz tot ver in de 21ste eeuw zou worden uitgewerkt. Aan de andere kant,
de meeste tracks klinken zeventien jaar later nog vers. Als de ware muziek van
vandaag.
Platinum Breakz (1996)
is een compilatie van het Metalheadz label van Goldie. Een label dat zelfbewust
jungle naar een hoger plan wilde tillen. Sindsdien is er geen compilatie
geweest die zoveel artiesten op de top van hun kunnen presenteert (Total 3 komt nog enigszins in de buurt), die een
dergelijk breed front van futuristisch geluid neerzet. Metalheadz moest wel
met een statement komen want eerder dat jaar had LTJ Bukem zijn even
monumentale Logical Progression
compilatie uitgebracht. Het mooie van jungle was dat er een vriendelijke
concurrentie heerste tussen labels, zodat men elkaar een tijdlang op muzikale wijze probeerde te
overtroeven, met als resultaat een rush
van innovatie.
Ken je dat? Je wilt heel graag aan mensen een plaat laten
horen omdat je enthousiast bent…en dan is het eerste nummer het slechtste van
de plaat. Zit je de hele tijd “wacht even, het geniale moment komt zo!” ‘V.I.P.
Riders Ghost’ van Rufige Kru heb ik heel vaak overgeslagen. Dat komt omdat die
sample van “every day of my life” wel bijna drie minuten lang wordt herhaald
tot de ritmetrack op volle stoom is (dan wordt het ook erg goed). Vaak heb
ik de openingstrack overgeslagen uit ongeduld omdat wat dan volgt een grand slam van muzikale klasse is.
Peshay’s ‘Psychosis’ zet de melancholische toon door slim een vrijwel
woordeloze soulzang te lanceren met een bizar gedetailleerde ritmeconstructie. Doc
Scott volgt met ‘Far Away’, een ingetogen gooi naar zomerse nostalgie. Daarna
is de beurt aan Dillinja met ‘The Angels Fell’. In die periode bouwde producers
met remixen aan een langlopend narratief waarmee originele tracks werden
gemijnd voor nog meer betekenis. ‘The Angels Fell’ is een vervolg op Goldie’s
monumentale ‘Angel’ en maakt er door de toevoeging van een Blade Runner sfeer een van de definitieve jungletracks van. Tiener
J Majik laat het niet op zich zitten met de klassieker ‘Your Sound’, een wilde
rivier van beats met watervallen, aftakkingen, bochten en stroomversnellingen.
Wat nu opvalt is dat tracks als ‘Your Sound’ maar ook ‘The Flute Tune’ en ‘The
Spectrum’ bijna willekeurig zijn vastgelegd, alsof een track op elk moment kan
afsplitsen in een andere richting. Je vermoedt dat er ontelbare parallelle
versies van bestaan waar een muzikant zich de rest van zijn leven aan kan
wijden.
De eerste cd heb ik altijd melancholisch gevonden met meer
(subtiele) jazzinvloeden, de tweede cd is grotendeels donker en machinaal.
Jungle wordt niet veel dwingender dan Asylums ‘Da Base II Dark’. J Majik,
Dillinja en Peshay keren terug met drie tracks die de komende militarisering van de realiteit op
onbehagelijke wijze aankondingen. Majiks ‘Final Approach’ is een bruut spervuur
van beats terwijl Dillinja het in eerste instantie subtieler lijkt aan te pakken
totdat een tapijtbombardement van bas wordt neergelegd. Het mooiste is echter
de afsluiter ‘The Nocturnal (Back on the Firm)’ van Peshay. Een vriend van mij
had een versie van Platinum Breakz met een andere (brutere) track op deze plek, maar
ik denk nog steeds dat ik de betere deal kreeg dankzij de ingetogen manier waarop
Peshay de Mentasm-riff over een kruipend ritme uitzaait. Duistere dansmuziek op
zijn allerbest.
Zoals gezegd niet dé piketpaal van jungle maar wel een punt
in muziek waarachter je nog een onontgonnen gebied vermoedt. Metalheadz zou een jaar
later al een tweede compilatie uitbrengen met drie onberispelijke meesterwerken
(‘Arabian Nights’, ‘Metropolis’ en ‘To Shape The Future’) maar de collectieve honger
leek afwezig, alsof het bewust worden van de eigen kracht een uniek moment is dat
onmogelijk kan worden vastgehouden. Helaas, maar dat moment leven is al een
wonderbaarlijke ervaring. Platinum Breakz is daarom een van de "meetlatten" waar de ik de rest van muziek mee vergelijk. Een te hoge meetlat voor de meesten.
Ik herinner mij dat een iets oudere jongen op school een tijdlang een plastic tas ronddroeg met de afbeelding van de hoes van Jean-Michel Jarre’s Zoolook (1984). Mijn muzikale smaak ging
op dat moment niet verder dan The Beatles, Eurythmics en Queen, maar mijn
ontluikende semiotische overgevoeligheid verzekerde me dat dit next level shit was. Binnen een jaar had ik die LP dus ook (terwijl
het een echte cd is, zo eentje die trots DDD of Digital Recording proclameert,
maar een cd-speler had ik nog niet.)
Zoolook
had als ondertitel Fairlight Demonstratie
Album kunnen hebben. Jarre implementeert voor het album het idee van
tapijtsampling door een grote verzameling stemmen in diverse talen als muzikale
voorgrond en ritmische component te gebruiken. Kijken we nu niet meer van op,
maar in 1984 was dit een uiterst radicale zet. Eigenlijk klinken grote delen van Zoolook nog steeds vrij futuristisch
ware het niet dat de plukbas van Marcus Miller roet in het eten gooit, naast een
aantal voorgeprogrammeerde synthgeluiden als de “metalen panfluit” die in
dezelfde periode zeer populair waren en nu door associatie gedateerd klinken. Overigens: gebruikt iemand ooit nog de Fairlight?
Mijn favoriet was altijd Kant A, met het lange ‘Ethnicolor’
dat in een prachtig lange Jarresque melodiespiraal eindigt en ‘Diva’, met
gastrol van Laurie Anderson, waardoor het niet ondenkbaar is dat Jarre Zoolook op een bepaald niveau zag als
een maximalistische uitwerking van haar ‘O Superman (For Massenet)’. Maar nu ik Zoolook weer eens opzet hoor ik een paar
verborgen parels op de keerzijde. Met name ‘Blah-blah cafe’ zou, als je de
saxofoon even wegdenkt, een Pepsi-test aankunnen met de meer jolige Aphex Twin.
De dalende subbas in het titelnummer was trouwens ook state of the art voor de tijd. Al met al een buitenbeetje in het
oeuvre van Jarre, hierna zou hij zich verder toeleggen op het organiseren van
live-spektakels.
Hier de remix van 'Zoolookologie' door François Kevorkian uit hetzelfde jaar als zijn beroemde 'Tour de France' remix. Daar zou eens een denkbeeldige soundtrack voor gemaakt moeten worden: de Parijse neon discotheek in 1984. Ik zet het op de lijst voor toekomstige projecten.
Digital maximalism is the ultrabrite,
NutraSweet, Taurine-amped soundtrack to a lifestyle and a life-stance
that could be called NOW!ism. In most dance scenes there's a vein of
nostalgic reverence, an in-built deference to a lost golden age. But
with EDM, there's just this feeling of NOW! NOW! NOW! And that's the
thing I found heartening and refreshing about Hard Summer: the utter
absence of any sense of the past being better than the present.
Simon Reynolds in een nieuw hoofdstuk van de laatste editie van Energy Flash waarin hij fraai het gladde digitale geluid omschrijft van veel hedendaagse producties. Maar als retro op deze manier moet worden opgeheven (en dat moet het in geen geval) dan ga ik van nu af aan ook maar naar OLD SKOOL ACID '88 feesten. EDM heeft niets met het nu of de toekomst te maken maar louter met een extremistisch gebrek aan smaak. Ik denk dat je eerder zou moeten concluderen dat de Verenigde Staten voorlopig (ik zou bijna zeggen definitief, maar je weet maar nooit) uitgerangeerd is op dit gebied. Niets nieuws overigens, dit is een logische conclusie van een fenomeen dat al heel lang terug gaat. Ik herinner mij dat de enige keer dat in Dance Valley heb bezocht (1997?), wachtend in de rij bedacht dat boven de ingang de tekst Consumptie Maakt Vrij moest hangen. Vals bewustzijn in full effect.
Drew Millard bestudeert het met een kalme blik in een lang stuk over EDM in Noisey:
And with this audience comes corporate sponsorship. When it comes to
corporate sponsorship, festivals work somewhat like a magazine does: a
magazine makes money off of selling subscriptions and copies at a
newsstand, but they make sure to keep that price low enough to acquire a
large, loyal audience that they can then sell to advertisers. Where
magazines use articles to draw readers in, festivals use the experience
of the festival—it’s telling that those at EDM Biz referred to the music
as “content,” just as those in publishing might refer to a feature.
Once the audience is in the festival grounds and having fun, they can
also be advertised to. (EDC 2013’s sponsors were Red Bull, Sony,
Pioneer, and the Brazillian sunglasses/watch brand ChilliBeans).
In short, EDM is efficient bait to lure the product in. And that product is you.
(Geweldige laatste alinea's over Tiësto overigens)
"Dutch designers Viktor & Rolf asked me to come up with names for 13 dresses they had designed for their fall collection. I decided to do names that were as weird and improbable as the era that was emerging. Viktor and Rolf are stunning designers and they occupy and define that wonderful and improbable yet deeply necessary territory of fashion where complex yet ephemeral ideas emerge and vanish and mutate and re-emerge. People like to think that fashion is silly or frivolous, but people like these are never, well …very fashionable, and they don’t quite understand that culture plays itself out loudly and colorfully and wonderfully on so many other levels than those that finally end up in textbooks 30 years after the fact."
Ik ben begonnen met het opnieuw kijken naar Buffy The Vampire Slayer (1997-2003). De
kinderen moeten toch kwaliteit leren te waarderen (dit is de serie die de
renaissance van televisie daadwerkelijk in gang zette). Vreemd genoeg een
minder nostalgische ervaring dan ik verwachtte. Twee dingen vielen mij vooral
op. De meest Proustiaanse ervaring is auditief: een dalend geluid tijdens de
aankondiging waar ik me direct weemoedig door voelde (dubbel weemoedig omdat
het mee deed denken aan een effect wat in sommige jungle-platen werd gebruikt, vrijwel zeker op Timeless...toen nog maar twee jaar oud.) Even ben je terug in andere woningen, een richtinglozer (vrijer?) leven dat achter je ligt, is een andere realiteit bijna tastbaar.
Ten tweede, de serie is bijna niet gedateerd wat betreft aankleding en taal (de
wekelijkse grunge-bands in de lokale club, The Bronze, daarentegen heel erg).
Geen wonder, Sunnydale is zo’n tijdloos Californische buitenwijk waar we in
onze geest allemaal wonen. Wat intrigeert is dat de serie in een technologisch
sleutelmoment speelt: snob Cordelia is de rest ver vooruit en haalt in de
eerste aflevering een werkelijk gigantische gsm (inclusief antenne) uit haar
tas. En Willow is waarschijnlijk het eerste televisiepersonage dat op (bijna)
natuurlijke wijze internet gebruikt om informatie op te zoeken (al wordt dit
nog uitgesproken: “misschien vind ik
wel iets…op het internet.”)
Nog steeds erg origineel en ongemeen grappig overigens (en ja, ik geloofde dat in 1997 eerst ook niet.)